7.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 212/40
Beroep ingesteld op 13 mei 2014 — Jannatian/Raad
(Zaak T-328/14)
2014/C 212/52
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Mahmoud Jannatian (Teheran, Iran) (vertegenwoordigers: I. Smith Monnerville en S. Monnerville, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
de hierna volgende handelingen nietig verklaren, voor zover zij verzoeker betreffen: besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB L 195, blz. 39); (ii) besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB L 281, blz. 81); (iii) verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB L 281, blz. 1); (iv) verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad (PB L 88, blz. 1); (v) uitvoeringsverordening (EU) nr. 350/2012 van de Raad van 23 april 2012 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 110, blz. 17); (vi) uitvoeringsverordening (EU) nr. 709/2012 van de Raad van 2 augustus 2012 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 208, blz. 2); (vii) uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2012 van de Raad van 15 oktober 2012 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 282, blz. 16); (viii) uitvoeringsverordening (EU) nr. 1264/2012 van de Raad van 21 december 2012 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 356, blz. 55); (ix) uitvoeringsverordening (EU) nr. 522/2013 van de Raad van 6 juni 2013 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 156, blz. 3); (x) uitvoeringsverordening (EU) nr. 1203/2013 van de Raad van 26 november 2013 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 316, blz. 1); en (xi) uitvoeringsverordening (EU) nr. 397/2014 van de Raad van 16 april 2014 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 356, blz. 1);
—
de Raad veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 40 000 EUR uit hoofde van de schade die verzoeker heeft geleden wegens de onrechtmatige plaatsing op een lijst;
—
de Raad verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.
1.
Onbevoegdheid van de Raad
—
Verzoeker stelt dat beperkende maatregelen volgens artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie enkel kunnen worden vastgesteld op gezamenlijk initiatief van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger. Aangezien de bestreden besluiten en verordeningen door de Raad alleen zijn vastgesteld, zijn zij onregelmatig wegens onbevoegdheid.
2.
Schending van de motiveringsplicht
—
Verzoeker betoogt dat de reden die is gegeven om zijn plaatsing op de lijst van bijlage II te verantwoorden, te vaag is om te voldoen aan de vereisten die de rechtspraak aan de motivering stelt. Om aan de op hem rustende motiveringsplicht te voldoen, had de Raad concrete en specifieke elementen moeten aandragen waaruit blijkt dat verzoeker daadwerkelijk steun heeft verleend aan de Iraanse regering of aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran. De bestreden besluiten en verordeningen zijn dus ontoereikend gemotiveerd.
3.
Schending van verzoekers grondrechten
—
Verzoeker betoogt ten eerste dat de bestreden besluiten en verordeningen, voor zover zij gebrekkig zijn gemotiveerd, zijn rechten van verdediging schenden. Ten tweede voert hij aan dat de onregelmatigheid van de bestreden besluiten en verordeningen een negatieve invloed heeft op de onderhavige procedure, aangezien zij het voor hem moeilijker maakt om verweer te voeren en afdoet aan de mogelijkheid voor het Gerecht om de rechtmatigheid van de bestreden besluiten en verordeningen te toetsen. Bijgevolg is verzoekers recht op een doeltreffende voorziening in rechte geschonden. Tot slot is zijn eigendomsrecht op ongerechtvaardigde wijze ingeperkt, voor zover hem het recht op verdediging is ontzegd en de mogelijkheid voor het Gerecht om de rechtmatigheid te toetsen van de bestreden besluiten en verordeningen inzake maatregelen tot bevriezing van tegoeden — die naar hun aard „bijzonder ingrijpend” zijn — is ondermijnd.
4.
Gebrek aan bewijs tegen verzoeker
—
Verzoeker voert aan dat de Raad niet heeft vermeld op welke bewijsstukken en informatie hij zich heeft gebaseerd bij de vaststelling van de bestreden besluiten en verordeningen.
5.
Feitelijke onjuistheid
—
Verzoeker betoogt dat hij, anders dan in de bestreden besluiten en verordeningen is vermeld, niet langer plaatsvervangend hoofd van de Organisatie voor Atoomenergie was op de data waarop hij werd geplaatst op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn. De Raad heeft dus een feitelijke vergissing begaan door verzoeker op de lijst te plaatsen om de enkele reden dat hij ten tijde van de verschillende bestreden besluiten en verordeningen plaatsvervangend hoofd van de Organisatie voor Atoomenergie was.
6.
Onjuiste rechtsopvatting
—
Verzoeker betoogt dat artikel 20, sub b, niet per se van toepassing hoeft te zijn op personen die een leidinggevende functie bekleden binnen een in bijlage VIII vermelde entiteit. Bovendien bepaalt artikel 20, sub b, dat personen „die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran” op de lijst worden geplaatst. De Raad heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door verzoeker op de lijst van bijlage II te plaatsen, zonder aan te tonen dat hij, toen hij op die lijst werd geplaatst, de Iraanse nucleaire activiteiten daadwerkelijk actief steunde.
7.
Kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten en schending van het evenredigheidsbeginsel
—
Volgens verzoeker kan in dit geval geen enkele doelstelling van algemeen belang rechtvaardigen dat zulke strenge maatregelen worden opgelegd aan personen die zelfs maar gedurende een korte periode een leidinggevende functie binnen de Iraanse Organisatie voor Atoomenergie hebben bekleed. Zelfs indien de maatregelen konden worden gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang, zouden zij te bekritiseren zijn, omdat de aangevoerde middelen niet evenredig zijn aan het doel dat zij nastreven.
Full & Egal Universal Law Academy