4.8.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 253/36
Beroep ingesteld op 15 mei 2014 — Kurchenko/Raad
(Zaak T-339/14)
2014/C 253/51
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Serhiy Vitaliyovych Kurchenko (Chuhuiv, Oekraïne) (vertegenwoordigers: B. Kennelly en J. Pobjoy, Barristers, M. Drury en A. Swan, Solicitors)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26), en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 1), nietig verklaren voor zover zij verzoeker betreffen; en
—
verweerder verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.
1.
Eerste middel: de Raad heeft geen passende rechtsgrondslag genoemd. Artikel 29 VEU vormde geen passende rechtsgrondslag voor het besluit, daar de klacht tegen verzoeker hem niet identificeerde als een persoon die de rechtstaat of de mensenrechten (in de zin van de artikelen 21, lid 2, en 23 VEU) in Oekraïne heeft ondermijnd. Aangezien het besluit ongeldig was, kon de Raad artikel 215, lid 2, VWEU niet gebruiken als rechtsgrondslag voor de verordening. Op het ogenblik dat de beperkende maatregelen werden opgelegd, was er bij geen enkele rechterlijke instantie tegen hem een tenlastelegging of vordering ingesteld waarin werd aangevoerd dat zijn activiteiten de rechtsstaat dreigden te ondermijnen in Oekraïne of de mensenrechten daar schonden.
2.
Tweede middel: de Raad heeft verzuimd te voldoen aan het vereiste voor plaatsing op de lijst, namelijk dat de persoon als „verantwoordelijk geïdentificeerd [is]” voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of voor het schenden van mensenrechten in Oekraïne, of een persoon is die banden heeft met enig persoon die als zodanig is geïdentificeerd. Als reden voor de plaatsing van verzoeker op de lijst is enkel aangevoerd dat tegen hem in Oekraïne een „onderzoek” loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan naar het buitenland. Derhalve is er zelfs geen bewering (onder toepassing van de redenering van het Hof in arrest T-256/11 Ezz) dat verzoeker verantwoordelijk was voor de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen of het schenden van de mensenrechten in Oekraïne, of banden had met een persoon die naar behoren als zodanig is geïdentificeerd.
3.
Derde middel: de Raad heeft verzoekers recht van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming geschonden. Verzoeker heeft op geen enkel ogenblik gedetailleerde informatie ontvangen over het „onderzoek” dat beweerdelijk zijn plaatsing op de lijst rechtvaardigt, en al helemaal geen „ernstig en geloofwaardig” of „concreet” bewijs daarvoor. Ondanks verzoeken daartoe heeft de Raad die informatie niet verstrekt.
4.
Vierde middel: de Raad heeft de plaatsing van verzoeker op de lijst onvoldoende gemotiveerd. De motivering was onvoldoende gedetailleerd en precies. Geen details zijn verstrekt over de aard van verzoekers gedrag waardoor hij beweerdelijk „betrokken” was bij „misdrijven”, of over hoe dergelijke „betrokkenheid bij misdrijven” op enige wijze in verband staat met „de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen” en „de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne”. Geen details zijn verstrekt aangaande het „onderzoek”, de instantie die het onderzoek voert, de aard ervan, of de datum waarop het zou zijn ingesteld.
5.
Vijfde middel: de Raad heeft ernstig verzoekers grondrecht op eigendom en op zijn goede naam geschonden. De beperkende maatregelen waren niet „bij wet gesteld”. Zij zijn opgelegd zonder behoorlijke waarborgen die verzoeker in staat moeten stellen zijn zaak voor de Raad toe te lichten. Zij zijn niet beperkt tot een specifieke eigendom die beweerdelijk verduisterde overheidsmiddelen vertegenwoordigt of zelfs niet beperkt tot het bedrag aan overheidsmiddelen die beweerdelijk zijn verduisterd.
6.
Zesde middel: de Raad is uitgegaan van materieel onnauwkeurige feiten. Anders dan moet blijken uit de enige reden voor zijn plaatsing op de lijst, is er geen informatie of bewijs dat tegen verzoeker in Oekraïne een „onderzoek” loopt van het soort als bedoeld in het besluit en de verordening.
7.
Zevende middel: de Raad heeft niet de relevantie en geldigheid verzekerd van het bewijs op basis waarvan verzoeker op de lijst is geplaatst. De Raad heeft niet onderzocht of de huidige dienstdoende procureur-generaal van Oekraïne krachtens de Oekraïense grondwet bevoegd was om een onderzoek tegen verzoeker in te stellen en de Raad heeft niet in aanmerking genomen dat tegen verzoeker niet het beweerde „onderzoek” was ingesteld.
Full & Egal Universal Law Academy