14.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 223/64
Beroep ingesteld op 30 mei 2014 — STC/Commissie
(Zaak T-355/14)
(2014/C 223/66)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: STC SpA (Forlì, Italië) (vertegenwoordigers: A. Marelli en G. Delucca, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
de bestreden besluiten niet te verklaren en daaraan alle juridische en wettelijke gevolgen te verbinden, inzonderheid:
—
de aanbestedende overheid te veroordelen tot vergoeding van de door de onrechtmatig genomen maatregelen veroorzaakte schade, hetzij zoals specifiek wordt gevorderd, namelijk door de aanbestedingsprocedure opnieuw te openen ten behoeve van verzoekster, hetzij op gelijkwaardige wijze, door betaling van de tegenwaarde van de opdracht en — in dit laatste geval — door tevens de schade te vergoeden die is ontstaan door het verlies van ondernemingswinst en door de zogenoemde collaterale schade [door de niet-verkrijging van een meerwaarde van de onderneming wegens het ontbreken van een referentiewerking van de opdracht], begroot op 15 % van de door verzoekster in haar inschrijving opgegeven prijs dan wel — subsidiair — 15 % van de waarde van de opdracht, zo niet verweerster hoe dan ook te veroordelen tot betaling van een door het Gerecht naar billijkheid (hoger of lager) vastgesteld bedrag, in elk geval vermeerderd met vertragingsrente;
—
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure van de onderhavige zaak, daaronder begrepen alle aanvullende, diverse en wettelijk verschuldigde kosten, onder voorbehoud van vaststelling van de hoogte ervan.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen de negatieve beoordeling van de offerte die verzoekster heeft ingediend in het kader van aanbestedingsprocedure JRC IPR 2013 C04 0031 OC van de Europese Commissie, Directoraat-Generaal, Gemeenschappelijk Onderzoekscentrum, Directie van de vestiging te Ispra, Eenheid Onderhoud en Diensten, zoals gepubliceerd bij besluit Ares(2014)1041060 van 3 maart 2014, alsook tegen de toewijzing van de opdracht aan een andere inschrijver en tegen de afwijzing van haar verzoek om toegang tot de stukken van de aanbesteding.
Deze aanbestedingsprocedure had betrekking op het uitvoerend ontwerp, de levering van apparatuur en de bouw van een nieuwe turbogasinstallatie van de derde generatie, samen met een overeenkomst voor het gewone en buitengewone onderhoud ervan gedurende een periode van zes jaar, waarvan de eerste twee jaar onder waarborg.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
1.
Eerste middel, betreffende de niet-erkenning van verzoeksters recht om inzage te krijgen in de documenten van de aanbestedingsprocedure. Verzoekster stelt in dit verband dat sprake is van schending van:
—
de artikelen 42 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
—
het recht op toegang tot de aanbestedingsstukken waardoor zij geen kennis heeft kunnen verkrijgen van de rangschikking van de inschrijvingen, van de punten die aan de andere gegadigden zijn toegekend en van de volledige tekst van het verslag met de beoordeling van haar inschrijving;
—
het recht van verweer en het recht op een effectieve rechtsbescherming.
2.
Tweede middel, betreffende het financiële gedeelte van de door verzoekster ingediende offerte. Verzoekster stelt in dit verband dat sprake is van schending van:
—
artikel 296 VWEU wegens tegenstrijdige en ontoereikende motivering;
—
het recht op behoorlijk bestuur dat is vastgelegd in artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
—
artikel 112, lid 1, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298, blz. 1);
—
artikel 160, lid 3, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362, blz. 1);
—
het beginsel van gelijke behandeling en het transparantiebeginsel in de fase van de evaluatie van de offertes op basis waarvan de opdracht wordt toegewezen, alsook van het beginsel dat alle offertes op voet van gelijkheid moeten worden behandeld.
3.
Derde middel, betreffende het technische gedeelte van de door verzoekster ingediende offerte. Verzoekster stelt in dit verband dat sprake is van schending van:
—
artikel 296 VWEU wegens tegenstrijdige en ontoereikende motivering;
—
het recht op behoorlijk bestuur dat is vastgelegd in artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
—
artikel 112, lid 1, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298, blz. 1);
—
de artikelen 139, lid 1, en 160, lid 3, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362, blz. 1);
—
het transparantiebeginsel en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Verzoekster betoogt bovendien dat de stukken met de resultaten onjuist zijn weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy