11.8.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 261/33
Beroep ingesteld op 23 mei 2014 — Petropars e.a./Raad
(Zaak T-370/14)
2014/C 261/58
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Petropars Ltd (Teheran, Iran); Petropars International FZE (Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) en Petropars UK Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: S. Zaiwalla, P. Reddy en Z. Burbeza, Solicitors, en R. Blakeley, Barrister)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
—
het besluit van maart 2014 nietig te verklaren;
—
de kennisgeving van maart 2014 nietig te verklaren, voor zover zij verzoeksters betreft, en
—
de Raad te verwijzen in verzoeksters’ kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.
1.
Eerste middel: de voorwaarden voor opname op een lijst zoals neergelegd in artikel 23, lid 2, sub d, van verordening nr. 267/2012 (1) en artikel 20, lid 1, sub c, van besluit 2010/413 (2) zijn niet vervuld en de Raad heeft blijk gegeven van een kennelijke beoordelingsfout door te oordelen dat de voorwaarden waren vervuld en vervuld bleven, aangezien verzoeksters geen eigendom zijn en niet onder zeggenschap staan van de National Iranian Oil Company (NIOC).
2.
Tweede middel: de voorwaarden voor opname op een lijst zijn niet vervuld omdat de Raad niet heeft aangetoond dat NIOC financiële steun verleent aan de Iraanse regering.
3.
Derde middel: de handhaving van de plaatsing van verzoeksters op de lijst is in elk geval in strijd met hun grondrechten en fundamentele vrijheden, met inbegrip van hun recht op handel en vrijheid van ondernemerschap en hun recht op ongestoord genot van eigendom, en/of met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeksters stellen voorts dat die handhaving het voorzorgsbeginsel en de beginselen van milieubescherming en bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid schendt, aangezien zij aanzienlijke schade aan de gezondheid en veiligheid van gewone Iraanse werknemers en aan het milieu kan berokkenen.
4.
Vierde middel: de Raad heeft verzoeksters’ rechten van verdediging geschonden door hun plaatsing niet grondig en gepast te heroverwegen en de gemaakte opmerkingen niet zorgvuldig te onderzoeken.
(1) Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 2 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1).
(2) Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (PB L 195, blz. 39).
Full & Egal Universal Law Academy