25.8.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/45
Beroep ingesteld op 16 juni 2014 — LS Cable & System/Commissie
(Zaak T-439/14)
2014/C 282/59
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: LS Cable & System Ltd (Anyang, Republiek Korea) (vertegenwoordigers: S. Kinsella en S. Spinks, Solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
de artikelen 1, punt 11, en 2, sub t, van besluit C(2014) 2139 final van de Commissie van 2 april 2014 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, zaak COMP/AT.39610 — Stroomkabels (hierna: „besluit”) nietig te verklaren, voor zover zij verzoekster betreffen;
—
subsidiair, de bij artikel 2, sub t, van het besluit aan verzoekster opgelegde geldboete aanzienlijk te verlagen;
—
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
1.
In het besluit is geen bewijs opgenomen waaruit rechtens genoegzaam blijkt dat verzoekster heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk, aangezien het besluit berust op een onjuiste redenering en onvoldoende bewijs bevat van verzoeksters deelname aan de inbreuk, in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU, artikel 2 van verordening nr. 1/2003 en het vermoeden van onschuld.
2.
De wijze waarop de Commissie punt 18 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten heeft toegepast, is in strijd met deze richtsnoeren en met het evenredigheids-, het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel, aangezien:
—
zonder objectieve rechtvaardiging is afgeweken van deze richtsnoeren, doordat ondergrondse en onderzeese elektriciteitsleidingen verschillend zijn behandeld voor de toewijzing van de verkopen in de EER aan verzoekster en doordat verzoeksters relatieve belang bij de inbreuk niet gepast is weergegeven;
—
ondernemingen die enkel ondergrondse elektriciteitsleidingen vervaardigden (waaronder verzoekster) daardoor discriminerend zijn behandeld, en
—
daardoor onevenredig veel verkopen in de EER zijn toegewezen aan verzoekster.
3.
Het besluit maakt inbreuk op artikel 23 van verordening (EG) nr. 1/2003, op punt 20 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten en op het evenredigheidsbeginsel, aangezien de ernst van de inbreuk daarin niet naar behoren in aanmerking is genomen. Bij de vaststelling van de door verzoekster te betalen boete is immers geen rekening gehouden met de volgende factoren:
—
verzoekster produceerde enkel ondergrondse elektriciteitsleidingen;
—
verzoeksters wist niets af van het onderdeel van de inbreuk dat betrekking had op de onderzeese kabels en evenmin van bepaalde belangrijke elementen van het onderdeel dat zag op de ondergrondse kabels, en
—
verzoeksters concurrerend gedrag in de EER en de exportgebieden, en de door verzoekster veroorzaakte verstoring van het kartelonderdeel inzake de ondergrondse kabels.
4.
Het besluit is in strijd met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel, doordat de aan verzoekster opgelegde geldboete niet met meer dan 11 % is verlaagd wegens verzachtende omstandigheden.
Full & Egal Universal Law Academy