8.9.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 303/46
Beroep ingesteld op 1 juli 2014 — Vidmar e.a./Europese Unie
(Zaak T-507/14)
2014/C 303/54
Procestaal: Kroatisch
Partijen
Verzoekende partijen: Vedran Vidmar (Zagreb, Kroatië); Saša Čaldarević (Zagreb); Irena Glogovšek (Zagreb); Gordana Grancarić (Zagreb); Martina Grgec (Zagreb); Ines Grubišić (Vranjic, Kroatië); Sunčica Horvat Peris (Karlovac, Kroatië); Zlatko Ilak (Samobor, Kroatië); Mirjana Jelavić (Virovitica, Kroatië); Romuald Kantoci (Pregrada, Kroatië); Svjetlana Klobučar (Zagreb); Ivan Kobaš (Županja, Kroatië); Zlatko Kovačić (Sesvete, Kroatië); Tihana Kušeta Šerić (Split, Kroatië); Damir Lemaić (Zagreb); Željko Ljubičić (Solin, Kroatië); Gordana Mahovac (Nova Gradiška, Kroatië); Martina Majcen (Krapina, Kroatië); Višnja Merdžo (Rijeka, Kroatië); Tomislav Perić (Zagreb); Darko Radić (Zagreb); Damjan Saridžić (Zagreb); Darko Graf (Zagreb) (vertegenwoordiger: D. Graf, advocaat)
Verwerende partij: Europese Unie
Conclusies
—
Bij tussenarrest de Europese Unie gelasten op grond van artikel 340 VWEU, tweede alinea, alle materiële schade te vergoeden die alle verzoekers hebben geleden in de periode van 1 januari 2012 tot het begin van hun activiteit als Kroatisch uitvoeringsambtenaar overeenkomstig artikel 36, lid 1, van en bijlage VII, punt 1, bij de Toetredingsakte, die juridisch bindend is voor alle 28 staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, met inbegrip van de Europese Commissie sinds 9 december 2011 als gevolg van het feit dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting tot toezicht (monitoring) die is neergelegd in artikel 36, leden 1 en 2, van de Toetredingsakte om ervoor te zorgen dat de Republiek Kroatië garandeert dat de Kroatische uitvoeringsambtenaren hun activiteit op 1 januari 2012 aanvatten, en die zij is aangegaan tijdens de onderhandelingen over de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie in het kader van hoofdstuk 23, „Justitie en grondrechten”, en als volgt is vastgelegd in bijlage VII, punt 1, van de Toetredingsakte, „Specifieke verplichtingen die door de Republiek Kroatië zijn aangegaan tijdens de onderhandelingen over haar toetreding”: „Blijven garanderen dat de strategie voor justitiële hervorming en het desbetreffende actieplan effectief worden uitgevoerd”.
—
Tot het tussenarrest van het eerste streepje van het onderhavige beroep in kracht van gewijsde gaat, de beraadslagingen opschorten over het totale bedrag van de materiële schade waarvoor verzoekers met het onderhavige beroep aan de Europese Unie vergoeding vragen.
—
Zodra het tussenarrest van het eerste streepje van het onderhavige beroep in kracht van gewijsde gaat, na de hoorzitting en de overlegging van bewijsstukken inzake de vaststelling van de volledige materiële schade waarvoor verzoekers met het onderhavige beroep vergoeding vragen, de Europese Unie gelasten elke verzoeker de materiële schade te vergoeden die hij heeft geleden door het in het eerste streepje van het onderhavige beroep omschreven onrechtmatige verzuim van de Commissie, namelijk alle door verzoekers geleden verlies (damnum emergens) en gederfde winst (lucrum cessans) in de periode van 1 januari 2012 tot de dag waarop het Gerecht de ministeries van Financiën en van Justitie van de Republiek Kroatië de desbetreffende verzoeken doet, ten bedrage van in totaal 6 00 000 EUR per kalenderjaar en per verzoeker, vermeerderd met vertragingsrente van 12 % per jaar, te berekenen:
—
wat de vergoeding van alle geleden verlies betreft, vanaf 1 januari 2012 tot de daadwerkelijke betaling;
—
wat de vergoeding van alle door verzoekers in 2012 gederfde winst betreft, vanaf 1 januari 2013 tot de daadwerkelijke betaling;
—
wat de vergoeding van alle door verzoekers in 2013 gederfde winst betreft, vanaf 1 januari 2014 tot de daadwerkelijke betaling;
—
wat de vergoeding van alle door verzoekers in 2014 gederfde winst betreft, vanaf 1 januari 2015 tot de daadwerkelijke betaling.
—
Zodra het tussenarrest van het eerste streepje van het onderhavige beroep in kracht van gewijsde is gegaan, na de hoorzitting en de overlegging van passende bewijsstukken inzake het bedrag van die vordering, de Europese Unie veroordelen tot betaling aan elke verzoeker van de kosten van de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers middelen aan die in wezen analoog zijn aan die in zaak T-109/14, Škugor e.a./Europese Unie. (1)
(1) PB C 142, blz. 38.
Full & Egal Universal Law Academy