20.10.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 372/17
Beroep ingesteld op 25 juli 2014 — Estland/Commissie
(Zaak T-555/14)
2014/C 372/22
Procestaal: Ests
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Estland (vertegenwoordiger: N. Grünberg, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit C(2014) 3271 def. van de Europese Commissie van 14 mei 2014, dat de schorsing van de tussentijdse betalingen aan Estland uit het Europese visserijfonds (EVF) in het kader van het operationele steunprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 betreft;
—
verwijzing van verweerster in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster baseert haar beroep op vijf middelen.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft artikel 25, lid 2, en artikel 89 van verordening nr. 1198/2006 (1) onjuist toegepast.
De door de Commissie aan artikel 25 gegeven uitlegging dat investeringen slechts mogen worden ondersteund, wanneer met de overeenkomstige investeringen de betrokken technische kenmerken van een vissersvaartuig verdergaand worden verbeterd dan herstel van het vaartuig in de oorspronkelijke staat, strookt niet met tekst, strekking en doel van dit artikel. De tekst van artikel 25, lid 2, verleent een ruime beoordelingsvrijheid om te beslissen welke investeringen in het kader van de EVF kunnen worden ondersteund. Voorts zijn de toepassing van artikel 89 en de schorsing van de tot bevordering van de eerste prioriteit van het operationele programma te verrichten tussentijdse betalingen niet ter zake dienend, daar verzoekster artikel 25, lid 2, in acht heeft genomen.
2.
Tweede middel: schending door de Commissie van artikel 88 van verordening nr. 1198/2006.
Verzoekster verwijt de Commissie niet binnen zes maanden na de mededeling over de stuiting van de termijn voor de tussentijdse betaling een beslissing over de schorsing van de betalingen te hebben genomen. Zij heeft dus artikel 88 van verordening nr. 1198/2006 geschonden en haar eigen richtlijnen voor de stuiting van de betalingstermijn, voor de schorsing van de betalingen en voor financiële correcties niet in acht genomen.
3.
Derde middel: schending door de Commissie van het beginsel van behoorlijk bestuur.
De vaststelling door de Commissie van het bestreden besluit schendt het beginsel van behoorlijk bestuur, daar zij in de eerste plaats niet alle door verzoekster verstrekte gegevens zorgvuldig heeft beoordeeld en in acht genomen, in de tweede plaats niet is nagegaan of was voldaan aan alle voor de vaststelling van haar besluit vereiste voorwaarden, in de derde plaats alle tot verbetering van de staat van afgeschreven visserijvaartuigen overwogen investeringen automatisch bij de lopende instandhoudingskosten heeft gerekend en in de vierde plaats abusievelijk heeft aangenomen dat deze investeringen niet mede hielpen om de doelstellingen van artikel 25, lid 2, te bereiken.
4.
Vierde middel: schending door de Commissie van het vertrouwensbeginsel.
Ongeacht het in de brief van de Commissie duidelijk en nauwkeurig gegeven en dus gewettigde verwachtingen wekkend standpunt, dat uitgaven voor de vernieuwing/instandhouding van een motor binnen artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1198/2006 konden vallen, wanneer de visserijcapaciteit van een vissersvaartuig daarmee niet wordt vergroot, besliste de Commissie achteraf dat dergelijke uitgaven niet tot verbetering van de technische kenmerken van het vaartuig, maar veeleer tot herstel en behoud van het vaartuig in zijn oorspronkelijke staat bijdroegen, zodat zij niet voor steun in aanmerking kwamen. Verzoekster kreeg daarvan geen kennis; dat valt niet uit artikel 25 van verordening nr. 1198/2006 en evenmin uit de antwoordbrief van de Commissie op een overeenkomstige vraag van verzoekster af te leiden.
5.
Vijfde middel: schending door de Commissie van het rechtszekerheidsbeginsel.
Dat de Commissie een definitief besluit over de schorsing van een gevraagde tussentijdse betaling meer dan drie jaar na de stuiting van de termijn voor het eerste verzoek om tussentijdse betalingen neemt en dus de in artikel 88, lid 1, van verordening nr. 1198/2006 gestelde termijn van zes maanden niet in acht neemt, schendt duidelijk het rechtszekerheidsbeginsel. Dit gedrag van de Commissie is voor de ontvanger van de steun uit het EVF niet voorzienbaar.
(1) Verordening (EG) n r. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PB L 223, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy