10.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 395/52
Beroep ingesteld op 28 juli 2014 — Larymnis Larko/Commissie
(Zaak T-575/14)
2014/C 395/65
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Elliniki Metalleftiki kai Metallourgiki Larymnis Larko A.E. (Kallithea Attikis, Griekenland) (vertegenwoordiger: B. Koulouris, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het besluit van de Commissie van 27 maart 2014 [SG-Greffe (2014) D/4621/28/03/2014] betreffende steunmaatregel SA.34572 (2013/C) (ex 2013NN) die de Helleense Republiek ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de vennootschap op aandelen „Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki Anonimi Eteria NEA LARKO” [NEA LARKO] nietig te verklaren, voor zover de maatregelen 2, 3, 4 en 6 daarin worden aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun;
—
verweerster te verwijzen in verzoeksters kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep stelt de verzoekende partij in de eerste plaats dat zij een duidelijk rechtsbelang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit, aangezien zij er rechtstreeks en individueel door wordt geraakt, op soortgelijke wijze als de adressaten ervan. In de tweede plaats voert zij de drie volgende middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht
—
a) zoals blijkt uit het bestreden besluit, is de Commissie tot haar conclusies over de aan de orde zijnde maatregelen van de Griekse autoriteiten gekomen op basis van ontoereikende informatie. Wat in het bijzonder de maatregelen 2, 4 en 6 (inzake staatsgaranties voor 2008, 2010 en 2011) betreft, vermeldt het bestreden besluit uitdrukkelijk dat de Commissie niet beschikt over informatie waaruit blijkt dat die garanties zijn opgeëist. Wat verder maatregel 3 betreft (kapitaalverhoging in 2009), erkent de Commissie niet te weten wanneer een belangrijk deel van die kapitaalverhoging zou hebben plaatsgevonden; b) het bestreden besluit is eveneens ontoereikend gemotiveerd, voor zover het de relevante productmarkt niet afbakent teneinde te bepalen of NEA LARKO een concurrentievoordeel heeft genoten ten opzichte van andere ondernemingen; c) wat de maatregelen 4 en 6 betreft, is de enige die in casu voordeel heeft behaald, in werkelijkheid de Griekse Staat die, in plaats van de door NEA LARKO betaalde belasting (inkomstenbelasting en btw) terug te geven, haar de betrokken garanties, met daaraan verbonden kosten, heeft geboden.
2.
Tweede middel: onjuiste beoordeling van de feiten en onjuiste uitlegging en toepassing van de artikelen 296, tweede alinea, VWEU en 107, lid 1, VWEU
—
a) zowel ter zake van de voormelde garanties (maatregelen 2, 4 en 6) als bij maatregel 3 (verhoging van het kapitaal van NEA LARKO in 2009) hebben de Griekse autoriteiten gehandeld „als een rationele investeerder in een markteconomie”. Iedere redelijk en rationeel handelende professionele investeerder zou aan een onderneming waarin hij zelf belangen heeft (zoals in het onderhavige geval de Griekse Staat in NEA LARKO) garanties hebben verleend voor bedragen die door overeenkomstige eigen verbintenissen ten aanzien van zijn onderneming zijn gedekt (namelijk de verbintenis van de Griekse Staat inkomstenbelasting en btw aan NEA LARKO terug te geven). Bovendien verwachtte de Griekse Staat winst te halen uit de verkoop van NEA LARKO. Benadrukt zij dat de betrokken garanties niet zijn opgeëist; b) in het bestreden besluit wordt niet ingegaan op de grootte van de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, noch onderzocht of NEA LARKO wegens haar grootte en positie binnen de globale marktsector van het product, de interne markt van het „product” kon beïnvloeden. Er zij op gewezen dat de grootte van NEA LARKO van die aard is, dat de staatssteun in kwestie de interne markt geenszins kon beïnvloeden.
3.
Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
—
Ook al zouden de betrokken garanties onrechtmatige staatssteun vormen, dan nog dient het bestreden besluit nietig te worden verklaard, daar het inbreuk maakt op het evenredigheidsbeginsel, wat de bepaling van de omvang van de ontvangen steun betreft. Concreet heeft de Commissie bij de bepaling daarvan (maatregelen 2, 4 en 6) er geen rekening mee gehouden dat de betrokken maatregelen niet zijn uitgevoerd, en dat het bijgevolg niet toelaatbaar is, van NEA LARKO (of een derde onderneming) betaling te verlangen van een bedrag gelijk aan dat van de niet-opgeëiste garanties. Dat bedrag is immers gedekt door de garanties van de Griekse Staat, die deze stellig heeft verleend ter dekking van de schulden van kredietneemster NEA LARKO.
Full & Egal Universal Law Academy