29.9.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 339/26
Beroep ingesteld op 1 augustus 2014 — VSM Geneesmiddelen/Commissie
(Zaak T-578/14)
2014/C 339/31
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: VSM Geneesmiddelen BV (Alkmaar, Nederland) (vertegenwoordiger: U. Grundmann, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
verklaren dat de Commissie sinds 1 augustus 2014 onrechtmatig in gebreke blijft om de beoordeling van gezondheidsclaims inzake plantaardige stoffen door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid aan te vatten overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 13, lid 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 (1); en
—
subsidiair, het beweerdelijk in de brief van de Commissie van 29 juni 2014 vervatte besluit om de beoordeling van gezondheidsclaims inzake plantaardige stoffen door de EFSA niet voor 1 augustus 2014 aan te vatten volgens de in artikel 13 neergelegde procedure, nietig verklaren.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar vordering betoogt verzoekster dat de Europese Commissie ingevolge artikel 13, lid 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 — Verordening inzake gezondheidsclaims („VGC”) verplicht was om ten laatste op 31 januari 2010 een lijst van toegestane claims betreffende in voeding gebruikte stoffen vast te stellen. Ter voorbereiding van de vaststelling van deze lijst was aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) opgedragen om door de lidstaten ingediende claims te beoordelen. In september 2010 heeft de Commissie echter een schorsing en herziening van de beoordelingsprocedure met betrekking tot claims inzake plantaardige stoffen aangekondigd, waarna de EFSA is opgehouden met het verwerken van deze claims. De Commissie heeft alleen de beoordelingsprocedure met betrekking tot plantaardige stoffen opgeschort, maar niet de procedure met betrekking tot andere, vergelijkbare chemische stoffen.
Verzoekster heeft de Commissie bij brief van 23 april 2014 verzocht om de EFSA de opdracht te geven om onverwijld de beoordeling van claims inzake plantaardige stoffen in voeding te hervatten aangezien zij aanzienlijk benadeeld wordt door de huidige wettelijke achterstand en de onzekerheid op het gebied van gezondheidsclaims inzake in voeding gebruikte plantaardige stoffen.
De Commissie heeft verzoekster bij brief van 19 juni 2014 meegedeeld dat de lidstaten en belanghebbenden hun bezorgdheid hadden geuit en dat zij vooralsnog geen beoordeling van gezondheidsclaims inzake plantaardige stoffen zou aanvatten. Verzoekster heeft de Commissie op 8 juni 2014 een tweede brief toegestuurd waarin zij een termijn voor de aanvang van de beoordeling van gezondheidsclaims inzake plantaardige stoffen door de EFSA heeft voorgesteld die op 31 juni 2014 is verstreken. De Commissie heeft niet geantwoord op deze brief.
De Europese Commissie heeft dus geen volledige lijst van toegestane gezondheidsclaims inzake in voeding gebruikte stoffen vastgesteld zoals is vereist door artikel 13, lid 3, VGC. Artikel 13 VGC voorziet niet alleen in duidelijke termijnen maar ook in duidelijke procedures voor de vaststelling van de lijst van gezondheidsclaims inzake in voeding gebruikte stoffen. De verordening laat de Commissie niet de vrijheid om de procedurestappen te veranderen of de termijnen te verlengen.
Bovendien heeft de verordening inzake gezondheidsclaims tot doel om „algemene beginselen voor alle claims” vast te stellen. Dit toont duidelijk aan dat de wetgever geen verschillende beoordelingsniveaus voor bepaalde soorten stoffen heeft willen vaststellen. Bijgevolg missen alle overwegingen van de Europese Commissie met betrekking tot een apart stelsel voor de beoordeling van claims inzake plantaardige stoffen elke rechtsgrondslag, en gaan zij bovendien in tegen de algemene doelstellingen van de verordening.
(1) Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB L 404, blz. 9).
Full & Egal Universal Law Academy