20.10.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 372/19
Beroep ingesteld op 4 augustus 2014 — Slovenië/Commissie
(Zaak T-585/14)
2014/C 372/24
Procestaal: Sloveens
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Slovenië (vertegenwoordiger: L. Bembič, staatsadvocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietig verklaren het in brief nr. BUDG/B/03MV D (2014) 1782918 van de Europese Commissie, directoraat-generaal Begroting, van 2 juni 2014 besloten liggende besluit waarbij, enerzijds, is vastgesteld dat verzoekende partij financieel aansprakelijk is voor het verlies van eigen middelen van de Unie als gevolg van het feit dat een bepaalde hoeveelheid suiker buiten het systeem van invoertariefcontingenten is ingevoerd en dat de op die invoer betrekking hebben middelen niet zijn bepaald, en anderzijds, verzoekende partij wordt gelast een bedrag ter beschikking van de begroting van de Unie te stellen dat overeenkomt met het verlies aan eigen middelen, verlies dat in het onderhavige geval, waarin het invoercertificaat ten volle is benut, 1 2 57 000,00 EUR beloopt;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij zes middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan kennelijk onjuiste beoordeling
—
In de betrokken brief heeft de Commissie verkeerdelijk geoordeeld dat het verlies van eigen middelen voortvloeit uit een vergissing van de importeur in zijn aanvraag voor een invoercertificaat, die door de Sloveense autoriteiten niet volgens de regels is rechtgezet.
—
De importeur heeft zijn aanvraag echter tijdig aangevuld en rechtgezet en de vergissing is in feite gebeurd bij de registratie van de gegevens in het kader van het toesturen — door het bureau Landbouwmarkt en landbouwontwikkeling van de Republiek Slovenië aan de Commissie — van de invoercertifcaataanvragen via het computerprogramma AMIS-quota en dus uitsluitend als gevolg van de ontoereikendheid van het computerprogramma AMIS-quota.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van de regels inzake de besluitvorming van de Commissie
—
De betrokken brief is ondertekend door de directeur van het directoraat-generaal Begroting, ofschoon de Commissie als college bevoegd is voor de in die brief aan de orde zijnde kwesties betreffende de financiële aansprakelijkheid van verzoekende partij voor het verlies van eigen middelen van de Unie.
3.
Derde middel, ontleend aan onvoldoende motivering en een onjuiste rechtsgrondslag
—
De Commissie heeft de betrokken brief, waarin het besluit over de financiële aansprakelijkheid van verzoekende partij besloten ligt, onvoldoende gemotiveerd, zodat niet kan worden uitgemaakt of die brief legitiem en in overeenstemming met het materiële recht is, hetgeen een schending van artikel 296 VWEU van het reglement van orde van de Commissie oplevert.
—
Bovendien heeft de Commissie niet meegedeeld welke regels ten grondslag liggen aan haar besluit volgens hetwelk er in het onderhavige geval sprake is van een verlies van eigen middelen en verzoekende partij daarvoor ipso facto aansprakelijk is.
4.
Vierde middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het recht om te worden gehoord
—
De Commissie heeft verzoekende partij vóór de opstelling van de betrokken brief niet laten weten op welke feitelijke en juridische elementen haar besluit was gebaseerd, hetgeen een schending oplevert van de rechten van de verdediging en van het recht om te worden gehoord.
5.
Vijfde middel, ontleend aan onvoldoende controle door de Commissie
—
De vergissing van verzoekende partij bij de indiening van de aanvraag voor een invoercertificaat is een gevolg van gebreken in het door de Commissie ingestelde en beheerde elektronisch computersysteem AMIS-quota; bijgevolg is verzoekende partij niet aansprakelijk voor de vergissing.
6.
Zesde middel, ontleend aan schending het evenredigheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het verbod van verrijking zonder oorzaak
—
Volgens verzoekende partij leidt, gelet op feit dat een verlies van eigen middelen niet is gebleken, de toewijzing van financiële aansprakelijkheid voor een vergissing bij de registratie van de gegevens in het gebrekkige computersysteem van de Commissie tot een ongerechtvaardigde verrijking van de Unie.
—
Verder is ook het rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden, omdat niet is voorzien in een procedure van rechtzetting van de vergissing voor situaties die aanleiding kunnen geven tot een verrijking zonder oorzaak.
—
Bovendien is verzoekende partij van mening dat een regeling in het kader waarvan administratieve vergissingen begaan in het kader van de procedure van afgifte van invoercertificaten niet kunnen worden rechtgezet, ofschoon die administratieve vergissing aan geen enkele belanghebbende op markt schade berokkent — en in het kader waarvan dus noodzakelijkerwijs de lidstaat financieel aansprakelijk is –, ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
—
Ten slotte heeft de Commissie, door de procedure van vaststelling van de financiële aansprakelijkheid niet binnen een redelijke termijn tot een goed einde te brengen, ook het beginsel van het gewettigd vertrouwen geschonden.
Full & Egal Universal Law Academy