8.12.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 439/30
Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Bayerische Motoren Werke/Commissie
(Zaak T-671/14)
(2014/C 439/41)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Bayerische Motoren Werke AG (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Rosenthal, G. Drauz en M. Schütte, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekster vordert
—
de nietigverklaring van het besluit van 9 juli 2014 in zaak SA.32009 (2011/C) overeenkomstig artikel 263, lid 4, VWEU, voor zover het besluit het gedeelte van de aangevraagde steun ten belope van 4 5 2 57 273 EUR dat hoger is dan 17 miljoen EUR (2 8 2 57 273 EUR), met de interne markt onverenigbaar verklaart;
—
subsidiair: de nietigverklaring van het besluit van 9 juli 2014 in zaak SA.32009 (2011/C) overeenkomstig artikel 263, lid 4, VWEU, voor zover het besluit het krachtens artikel 6, lid 2, van verordening (EG) nr. 800/2008 (1) van aanmelding vrijgestelde bedrag ten belope van 22,5 miljoen EUR met de interne markt onverenigbaar verklaart;
—
de verwijzing van verweerster in de kosten overeenkomstig artikel 87 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster de volgende middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 108, lid 3, VWEU
—
Verzoekster betoogt dat verweerster artikel 108, lid 3, VWEU heeft geschonden, doordat zij haar plicht heeft verzaakt een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek te verrichten en daardoor vervolgens kennelijk onjuist heeft geoordeeld dat de mededeling betreffende het grondige onderzoek van grote investeringsprojecten integraal van toepassing was.
—
Verzoekster betoogt voorts dat geen grondig onderzoek had mogen worden verricht, indien verzoeksters marktpositie correct was beoordeeld. De verrichting van het grondige onderzoek zonder vooraf de marktpositie te bepalen en de ongelijke behandeling van verzoekster die daarvan het gevolg was, vormden een kennelijke beoordelingsfout.
2.
Tweede middel: schending van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU
—
Verzoekster voert verder aan dat verweerster artikel 107, lid 3, sub c, heeft geschonden, doordat zij op kennelijk onjuiste wijze het stimulerende effect en de evenredigheid van de steun heeft beperkt tot het vooraf op 17 miljoen EUR geraamde bedrag van het kostenverschil tussen de vestigingen München en Leipzig.
—
Verzoekster stelt in dit verband dat verweerster een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vanwege het bedrag van dit kostenverschil automatisch een grondig onderzoek te verrichten, waardoor zij uiteindelijk niet op rechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid, met name bij het onderzoek naar de evenredigheid en de effecten van de steun.
3.
Subsidiair middel: schending van artikel 108, lid 3, VWEU en verordening nr. 800/2008
—
Verzoekster voert subsidiair aan dat verweerster artikel 108, lid 3, VWEU en verordening nr. 800/2008 heeft geschonden, doordat zij op kennelijk onjuiste wijze de Bondsrepubliek Duitsland heeft verboden verzoekster op grond van de goedgekeurde steunregeling van het Investitionszulagengesetz (wet betreffende investeringspremies) steun toe te kennen waarvan het bedrag lager is dan de aanmeldingsdrempel van 22,5 miljoen EUR.
—
Deze beperking van de steun tot een bedrag dat lager is dan de aanmeldingsdrempel, vormt volgens verzoekster een kennelijke beoordelingsfout, waardoor verweerster haar bevoegdheden te buiten is gegaan en verzoekster op onrechtmatige wijze heeft gediscrimineerd ten opzichte van begunstigden van steun die het van aanmelding vrijgestelde bedrag van 22,5 miljoen EUR hebben ontvangen.
(1) Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PB L 214, blz. 3).
Full & Egal Universal Law Academy