17.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 409/54
Beroep ingesteld op 19 september 2014 — Teva UK e.a./Commissie
(Zaak T-679/14)
2014/C 409/74
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Teva UK Ltd (West Yorkshire, Verenigd Koninkrijk), Teva Pharmaceuticals Europe BV (Utrecht, Nederland) en Teva Pharmaceutical Industries Ltd (Jerusalem, Israël) (vertegenwoordigers: D. Tayar en A. Richard, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het onderhavige verzoekschrift in ontvangst nemen en het beroep ontvankelijk verklaren;
—
artikel 3 van besluit COMP/AT.39612 „Perindopril (Servier)” van 9 juli 2014 vernietigen, voor zover daarin wordt vastgesteld dat Teva UK limited, Teva Pharmaceuticals Europe B.V. en Teva Pharmaceutical Industries Limited artikel 101 van het Verdrag hebben geschonden;
—
de aan Teva UK limited, Teva Pharmaceuticals Europe B.V. en Teva Pharmaceutical Industries Limited in artikel 7 van besluit COMP/AT.39612 „Perindopril (Servier)” van 9 juli 2014 opgelegde geldboete intrekken;
—
indien het Hof artikel 3 van het besluit niet vernietigt of de geldboete niet in haar geheel intrekt, deze aanzienlijk verlagen; en
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting in rechte en in feite door de overeenkomst tussen Teva en Servier van 13 juni 2006 (hierna: „Overeenkomst”) te kwalificeren als een restrictie met mededingingsbeperkende strekking. Juridisch heeft de Commissie alle overeenkomsten die de mededinging kunnen beperken ten onrechte gekwalificeerd als restricties met mededingingsbeperkende strekking, in plaats van enkel overeenkomsten die ondubbelzinnig, precies door de aard ervan, blijk geven van een voldoende mate van aantasting van de mededinging. Feitelijk tonen de omstandigheden die heersten toen de Overeenkomst werd onderhandeld, in het bijzonder de reële risico’s inzake intellectuele eigendom waarmee Teva werd geconfronteerd, aan dat Teva de Overeenkomst is aangegaan om zich te verzekeren van een tijdige toegang tot de markt en niet om een stimulans te krijgen in ruil voor een uitgestelde toegang.
2.
Tweede middel: de Commissie heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting in rechte en in feite door de Overeenkomst te kwalificeren als een restrictie met mededingingsbeperkende strekking, aangezien in het besluit niet de vereiste mate van bewijs van een mededingingsbeperking wordt geleverd in vergelijking met de relevante contrafeitelijke situatie.
3.
Derde middel: zelfs indien het Hof oordeelt dat de Overeenkomst valt binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU, moet het Hof vaststellen dat de Commissie geen voldoende onderzoek heeft verricht van de door verzoeksters aangevoerde argumenten en bewijzen ter ondersteuning van het feit dat nuttige effecten bestaan en dat de Overeenkomst voldoet aan alle voorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU.
4.
Vierde middel: de aan verzoeksters opgelegde geldboete moet worden ingetrokken of, ten minste, aanzienlijk verlaagd. Ten eerste heeft het besluit de beginselen van rechtszekerheid, niet-terugwerkende kracht en gewettigd vertrouwen geschonden door Teva een aanzienlijke geldboete op te leggen. Ten tweede heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste opvatting door af te wijken van haar richtsnoeren voor de methodologie van het vaststellen van geldboetes en heeft zij de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen, evenredigheid en gelijke behandeling geschonden door Teva een buitensporige geldboete op te leggen.
5.
Vijfde middel: de Commissie heeft wezenlijke procedurefouten gemaakt.
Full & Egal Universal Law Academy