22.12.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 462/25
Beroep ingesteld op 21 september 2014 — Servier e.a./Commissie
(Zaak T-691/14)
(2014/C 462/39)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Servier SAS (Suresnes, Frankrijk); Servier Laboratories Ltd (Wexham, Verenigd Koninkrijk); en Les Laboratoires Servier SAS (Suresnes) (vertegenwoordigers: I. S. Forrester, QC, J. Killick, Barrister, O. de Juvigny, advocaat, en M.-I. F. Utges Manley, Solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 van beschikking C (2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [AT.39.612 — Périndopril (Servier)], voor zover zij Servier S.A.S, Les Laboratoires Servier et Servier Laboratories Limited betreffen;
—
subsidiair, uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht teneinde de hoogte van de bij artikel 7 van genoemde beschikking aan Servier S.A.S, Les Laboratoires Servier en Servier Laboratories Limited opgelegde boetes zeer substantieel te verlagen;
—
de gevolgen van de — gehele of gedeeltelijke — nietigverklaring van de beschikking in het kader van het door Biogaran ingestelde beroep uitbreiden tot Servier S.A.S, Les Laboratoires Servier en Servier Laboratories Limited;
—
elke andere beschikking geven die het Gerecht passend voorkomt;
—
verwijzing van de Commissie in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen zeventien middelen aan.
1.
Eerste middel, procedurefout, aangezien het onderzoek was gericht op bevestiging van een aanname. De verzoekende partijen voeren aan dat de Commissie, na in vervolg op een sectoraal onderzoek in het openbaar tot uitgangspunt te hebben genomen dat de betrokken sector „rot” was, koste wat kost deze aanname met een beschikking heeft willen bevestigen, ook indien daarvoor de in geding zijnde feiten moesten worden verdraaid en herschreven.
2.
Tweede middel, schending van wezenlijke vormvoorschriften, aangezien het adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities, dat overeenkomstig artikel 14 van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) voorafgaand aan elke beschikking advies dient uit te brengen, niet tijdig bijeen is geroepen, en aangezien de vertegenwoordigers van slechts drie lidstaten bij de vergadering van genoemd comité aanwezig waren.
3.
Derde middel, schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien de Commissie aan de verzoekende partijen een beschikking van 919 pagina’s heeft toegezonden, zonder rekening te houden met de bij het instellen van een rechtsmiddel in acht te nemen tijdsbeperkingen en formaliteiten.
4.
Vierde tot en met twaalfde middel, beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvattingen, aangezien de Commissie de minnelijke schikkingsovereenkomsten tussen enerzijds de verzoekende partijen en anderzijds Niche, Matrix, Teva, Krka et Lupin, ten onrechte als inbreuk op artikel 101 VWEU heeft aangemerkt.
—
De verzoekende partijen voeren in het bijzonder aan dat de Commissie de kwalificatie van de overeenkomsten als mededingingsbeperkend „naar hun strekking” baseert op drie zodanig ruim gedefinieerde factoren, dat zij ongeschikt zijn om legitieme minnelijke schikkingen te onderscheiden van mededingingsbeperkende regelingen (bestaan van een waardeoverdracht die de fabrikant van generieke producten aanzet tot het treffen van een beschikking, hetgeen elk willekeurig commercieel voordeel betreft, beperking van de mededinging, hetgeen ziet op elke begrenzing van de commerciële vrijheid van de fabrikant van generieke producten en op elke begrenzing van de potentiële mededinging tussen partijen, en neerkomt op het ontbreken van hindernissen die het de genoemde fabrikant absoluut onmogelijk maken om in de toekomst de markt te betreden.
—
Bovendien heeft de Commissie bij haar conclusie dat de schikkingsovereenkomsten een mededingingsbeperkende strekking hadden talrijke beoordelingsfouten gemaakt alsmede de legitieme doelstelling en de context van de overeenkomsten verdraaid (in het bijzonder door in strijd met de waarheid het bestaan van serieuze technische en wettelijke moeilijkheden buiten beschouwing te laten die de fabrikanten van generieke producten verhinderen om de markt te betreden, alsmede het bestaan van parallelle procedures).
—
Ten slotte is de analyse van de „(mededingingsbeperkende) gevolgen” ondeugdelijk vanwege een tegenstrijdige motivering en vanwege de omstandigheid dat de Commissie geen realistisch nulscenario heeft gebruikt. Immers, de bestreden beschikking berust volledig op een ex-ante-analyse van hypothetische gevolgen en herhaalt daarmee nagenoeg de analyse van de strekking van de overeenkomsten, hetgeen in strijd is met de rechtspraak en tot gevolg heeft dat wordt geconcludeerd dat er sprake is van mededingingsbeperkende gevolgen ondanks het ontbreken van enige reële invloed op de markt.
5.
Dertiende middel, beoordelingsfout en onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Commissie op kunstmatige wijze de overeenkomsten tussen enerzijds de verzoekende partijen en anderzijds Niche, Matrix, Teva, Krka en Lupin, als vijf afzonderlijke overtredingen heeft aangemerkt.
6.
Veertiende middel, kennelijke beoordelingsfout en kennelijk onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Commissie de betrokken markt ten onrechte en op kunstmatige wijze heeft beperkt tot eindproducten met uitsluitend het molecuul perindopril en daarbij de vijftien andere op de markt beschikbare omzettingsenzymremmers uitsluit.
7.
Vijftiende middel, kennelijke beoordelingsfout, aangezien de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat de verzoekende partijen op de betrokken markt een machtspositie innemen. De verzoekende partijen voeren aan dat deze conclusie van de Commissie voortvloeit uit de kunstmatige beperking van de relevante markt tot uitsluitend perindopril.
8.
Zestiende middel, kennelijke beoordelingsfout en kennelijk onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Commissie de verzoekende partijen ten onrechte als ondernemingen met een machtspositie op de „technologiemarkt” heeft aangemerkt.
De verzoekende partijen voeren aan dat de Commissie op onvoldoende duidelijke — en in ieder geval onjuiste — wijze een „technologiemarkt” in een eerdere handelsfase heeft gedefinieerd, die enkel de eindproductmarkt reproduceert. Ook heeft de Commissie ten onrechte aangenomen dat Servier op deze hypothetische markt een machtspositie inneemt.
9.
Zeventiende middel, beoordelingsfout en onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat de verzoekende partijen misbruik hebben gemaakt van hun machtspositie door minnelijke regelingen te treffen (dusdoende heeft de Commissie tegelijkertijd de artikelen 101 en 102 VWEU op dezelfde feiten toegepast) en door bij een Europees mkb-bedrijf zich in een embryonaal stadium bevindende technologie te verwerven.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy