17.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 409/56
Beroep ingesteld op 22 september 2014 — EREF/Commissie
(Zaak T-694/14)
2014/C 409/77
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: European Renewable Energies Federation (EREF) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: U. Prall, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
de op 28 juni 2014 gepubliceerde mededeling van de Commissie — Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (PB C 200, blz. 1) nietig verklaren voor zover het gaat om de beoordeling van de verenigbaarheid op grond van artikel 107, lid 3, sub c, van het Verdrag in onderdeel 3.3.2, „Exploitatiesteun voor energie uit hernieuwbare energiebronnen”, dat betrekking heeft op het uitwerken van steunregelingen voor hernieuwbare energie;
—
de Europese Commissie verwijzen in de kosten, waaronder die van de verzoekende partij.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
1.
Eerste middel: ontbreken van bevoegdheid
—
De Commissie is niet bevoegd om richtsnoeren te geven, aangezien de Europese wetgever slechts beperkte bevoegdheden heeft op het terrein van energie. Op grond van artikel 194 VWEU kunnen van de lidstaten geen technologieneutrale steunregelingen voor hernieuwbare energie worden verlangd omdat er dan sprake zou zijn van aantasting van hun soevereine rechten op energiegebied. De Europese Commissie is niet de Uniewetgever en kan geen gebruik maken van richtsnoeren om „zachte” wetgeving vast te stellen die ingaat tegen het secundaire Unierecht en in het bijzonder richtlijn 2009/28/EG, de richtlijn hernieuwbare energie.
2.
Tweede middel: schending van de motiveringsplicht
—
De Commissie heeft bij het geven van de richtsnoeren haar motiveringsplicht en daarmee een wezenlijk procedureel vereiste geschonden. Noch in de richtsnoeren noch in de effectbeoordeling wordt een voldoende onderbouwing gegeven van de beleidskeuze dat alle lidstaten in beginsel een technologieneutrale concurrerende inschrijvingsprocedure moeten vaststellen om hernieuwbare energie te stimuleren.
3.
Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
—
De Commissie heeft met de richtsnoeren voorts ook het evenredigheidsbeginsel geschonden doordat in de richtsnoeren sprake is van middelen die niet geschikt zijn voor het aangegeven doel, namelijk het bevorderen van de doelstellingen van de Unie op het gebied van hernieuwbare energie en het beperken van verstorende effecten die zich in dit verband voordoen. Bovendien zijn die middelen ook niet evenredig, aangezien zij tot een buitensporige last leiden voor zowel de lidstaten, die bijna allemaal hun steunregeling voor hernieuwbare energie moeten herzien, als particulieren, voor wie een extra administratieve last ontstaat door de deelname aan de concurrerende inschrijvingsprocedure.
4.
Vierde middel: misbruik van bevoegdheid
—
Bij het geven van de richtsnoeren heeft de Commissie blijk gegeven van misbruik van haar bevoegdheid. Met de richtsnoeren tracht de Commissie wetgeving vast te stellen op terreinen waarvoor de Uniewetgever niet bevoegd is, en suggereert zij dat maatregelen die eigenlijk gericht zijn om het stimuleren van hernieuwbare energie in de Unie te harmoniseren, bedoeld zijn om te waarborgen dat bepaalde staatssteun verenigbaar is met de interne markt.
Full & Egal Universal Law Academy