17.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 409/63
Beroep ingesteld op 7 oktober 2014 — Arcofin e.a./Commissie
(Zaak T-711/14)
2014/C 409/85
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Arcofin CVBA (Schaarbeek, België), Arcopar CVBA (Schaarbeek) en Arcoplus (Schaarbeek) (vertegenwoordigers: R. B. Martens, A. Verlinden, en C. Maczkovics, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
—
primair, het bestreden besluit volledig nietig te verklaren;
—
subsidiair, het bestreden besluit volledig nietig te verklaren, voor zover bij dat besluit de steunmaatregel onverenigbaar met de interne markt is verklaard, de Belgische staat is gelast de steun terug te vorderen en zich te onthouden van uitbetaling van de garantie aan de natuurlijke personen die vennoten van de verzoeksters zijn;
—
meer subsidiair, de artikelen 2, 3 et 4 van het bestreden besluit nietig te verklaren, voor zover bij die artikelen de Belgische Staat wordt gelast de steun terug te vorderen en zich te onthouden van uitbetaling van de garantie aan de natuurlijke personen die vennoten van de verzoeksters zijn;
—
in elk geval, de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De verzoekende partijen vorderen nietigverklaring van besluit 2014/686/EU van de Commissie van 3 juli 2014 [kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 1021 final) betreffende de steunmaatregel die door België ten uitvoer is gelegd in de vorm van een garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties [steunmaatregel SA.33927 (2012/C) (ex 2011/NN)] (PB L 284, blz. 53).
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vijf middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 107, lid 1, 108 en 296, tweede alinea, VWEU en artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 (1), schending van het beginsel van motivering van de rechtshandelingen en schending van de procedurele regels inzake de bewijslast en de bewijslevering, voor zover de Commissie ten onrechte en zonder motivering heeft vastgesteld dat de verzoekende partijen de enige ware begunstigden van de steun waren.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van de artikelen 107, lid 1, en 296, tweede alinea, VWEU en van het beginsel van motivering van de rechtshandelingen en aan een onjuiste beoordeling van de feiten, voor zover de Commissie ten onrechte en zonder motivering heeft vastgesteld dat de garantieregeling de mededinging door andere coöperaties en aanbieders van beleggingsproducten kon vervalsen en daardoor het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kon beïnvloeden.
3.
Derde, subsidiair aangevoerd middel, ontleend aan schending van de artikelen 107, lid 3, sub b, en 108, lid 2, VWEU en aan een kennelijke beoordelingsfout, voor zover de Commissie ten onrechte heeft beslist dat de garantieregeling onverenigbaar was met de interne markt.
De verzoekende partijen voeren aan dat, indien er sprake is van staatssteun, deze als steun om een ernstige verstoring in de Belgische economie op te heffen in de zin van artikel 107, lid 3, sub b, VWEU verenigbaar met de interne markt had moeten worden verklaard.
4.
Vierde, meer subsidiair aangevoerd middel, ontleend aan schending van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 en van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, voor zover het vertrouwen dat de verzoekende partijen legitiem in de rechtmatigheid van de maatregel mochten hebben, eraan in de weg staat dat de Commissie terugvordering van de steun eist.
5.
Vijfde, nog meer subsidiair aangevoerd middel, ontleend aan schending van de artikelen 107 en 108 VWEU en van verordening (EG) nr. 659/1999 en aan bevoegdheidsoverschrijding of althans aan schending van het evenredigheidsbeginsel, voor zover het besluit waarbij de Commissie een lidstaat gelast een bepaalde maatregel te treffen om de steun op te heffen, zoals in het onderhavige geval zich onthouden van elke betaling aan de natuurlijke personen die vennoten van de verzoeksters zijn, de bevoegdheid van de Commissie kennelijk overschrijdt of althans kennelijk onevenredig is.
(1) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 83, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy