30.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 107/28
Beroep ingesteld op 13 november 2014 — Infineon Technologies/Commissie
(Zaak T-758/14)
(2015/C 107/38)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Infineon Technologies AG (Neubiberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: I. Brinker, U. Soltész, P. Linsmeier, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 3 september 2014 in de zaak AT.39574 — Smart Card Chips (waarvan verzoekster kennis is gegeven op 5 september 2014), met name artikel 1, onder a), artikel 2, onder a), en artikel 4, tweede alinea;
—
subsidiair, te bepalen dat de aan Infineon Technologies AG in artikel 2, onder a), van het besluit opgelegde geldboete aanzienlijk wordt verlaagd;
—
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten van verzoekster in deze procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep vordert verzoekster nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie C(2014) 6250 final van 3 september 2014 in de zaak AT.39574 — Smart Card Chips.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.
1.
Eerste middel, inhoudend dat de Commissie het recht van verzoekster om te worden gehoord heeft geschonden, in het bijzonder door geen nieuwe mededeling van punten van bezwaar vast te stellen. Verzoekster brengt het volgende naar voren:
—
de Commissie heeft het bewijsmateriaal niet op zodanige wijze uiteengezet dat verzoekster in staat werd gesteld om kennis te nemen van de haar verweten gedragingen en om zich zinvol te verdedigen;
—
de Commissie heeft de procedurele rechten van Infineon geschonden door wezenlijke bewijsmiddelen in een zeer laat stadium in te brengen, waardoor Infineon zich niet in een integrale reactie op de mededeling van punten van bezwaar heeft kunnen verdedigen en niet de mogelijkheid heeft gehad om het tegen haar gebruikte bewijsmateriaal op een hoorzitting te weerleggen; en
—
in sommige documenten van de Commissie is Infineon is geen inzage verleend en deze kunnen niet tegen haar worden gebruikt.
2.
Tweede middel, inhoudend dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging van Infineon heeft geschonden door een „versnelde procedure” toe te passen.
3.
Derde middel, inhoudend dat de in het besluit bedoelde contacten van Infineon met haar concurrenten niet in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU. Verzoekster brengt het volgende naar voren:
—
het bewijsmateriaal waarop de Commissie zich heeft gebaseerd is niet geloofwaardig en is daarom ontoereikend om de in het besluit beschreven feiten buiten redelijke twijfel aan te tonen (in dubio pro reo); en
—
de door de Commissie beschreven feiten vormen niet een „restrictie met een mededingingsbeperkende strekking”.
4.
Vierde middel, inhoudend dat de Commissie een kennelijke fout heeft gemaakt bij de toepassing van het concept van een „enkele en voortdurende inbreuk” (EVI) aangezien Infineon in de eerste plaats slechts aansprakelijk was voor zeven bilaterale contacten (van in totaal 41 contacten), zij zich in de tweede plaats van deze contacten niet bewust was en zij ten slotte de bilaterale contacten tussen de overige deelnemers redelijkerwijs niet had kunnen voorzien.
5.
Vijfde middel, inhoudend dat de Commissie kennelijke fouten heeft gemaakt bij de berekening van de geldboete door omzet die duidelijk niet door de inbreuk is beïnvloed niet uit te sluiten van de „waarde van de verkopen” (de basis voor de berekening van de boete).
6.
Zesde middel, inhoudend dat de Commissie haar eigen boeterichtsnoeren en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, met name door het „percentage voor de ernst” voor alle partijen op hetzelfde niveau vast te stellen.
Full & Egal Universal Law Academy