2.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 73/37
Beroep ingesteld op 13 november 2014 — Philips en Philips France/Commissie
(Zaak T-762/14)
(2015/C 073/48)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Koninklijke Philips NV (Eindhoven, Nederland); en Philips France (Suresnes, Frankrijk) (vertegenwoordigers: J. de Pree, S. Molin en A. ter Haar, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het besluit nietig verklaren voor zover dit betrekking heeft op Philips
—
subsidiair, het bedrag van de bij het besluit aan Philips opgelegde boete nietig verklaren of verlagen, en
—
in elk geval de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Met hun beroep vorderen verzoeksters de gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2014) 6250 final van de Commissie van 3 september 2014 in de zaak AT.39574 — Smart Card Chips.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters negen middelen aan.
1.
Eerste middel, schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst doordat de Commissie rechtens niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de contacten die Philips heeft gehad een mededingingsbeperkende strekking hadden.
2.
Tweede middel, schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst doordat de Commissie heeft vastgesteld dat de inbreuk zich uitstrekte tot smartcardchips voor alle toepassingen en zich niet beperkte tot SIM.
3.
Derde middel, schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst doordat de Commissie rechtens niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Philips samen met Infineon, Renesas en Samsung deel uitmaakte van een multilateraal kartel en deelnam aan één enkele en voortdurende inbreuk.
4.
Vierde middel, schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het beginsel van behoorlijk bestuur en de zorgvuldigheidsplicht doordat de Commissie de zaak niet billijk en onpartijdig heeft behandeld.
5.
Vijfde middel, schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst doordat de Commissie als gevolg van de wijze waarop zij de procedure heeft gevoerd de beweerde inbreuk rechtens niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
6.
Zesde middel, schending van artikel 27 van verordening 1/2003 (1), artikel 11 van verordening 773/2004 (2) en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en schending van de rechten van de verdediging van Philips, doordat de Commissie geen inzage heeft gegeven in belangrijk ontlastend bewijsmateriaal.
7.
Zevende middel, schending van artikel 25 van verordening 1/2003 doordat het de Commissie niet langer was toegestaan voor de beweerde gedraging een sanctie op te leggen, aangezien deze plaatsvond vóór 3 september 2004.
8.
Achtste middel, schending van de boeterichtsnoeren doordat de Commissie de relevante waarde van de verkopen op onjuiste wijze heeft bepaald.
9.
Negende middel, schending van de boeterichtsnoeren, artikel 23 van verordening 1/2003 en het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie een onevenredige factor voor de ernst heeft gehanteerd.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy