16.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 89/31
Beroep ingesteld op 16 december 2014 — Mezhdunaroden tsentar za izsledvane na maltsinstvata i kulturnite vzaimodeystvia/Commissie
(Zaak T-819/14)
(2015/C 089/37)
Procestaal: Bulgaars
Partijen
Verzoekende partij: Stichting „Mezhdunaroden tsentar za izsledvane na maltsinstvata i kulturnite vzaimodeystvia” (Sofia, Bulgarije) (vertegenwoordiger: Hristo Hristev, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van de rechtshandeling van de Europese Commissie die is vervat in het schrijven met referentienummer ARES (2014) 2848632-01/09/2014 van de Europese Commissie en de daaraan als bijlage gehechte debetnota nr. 3241409948;
—
vergoeding van de kosten die verzoekster in de loop van de procedure heeft moeten maken;
—
subsidiair, voor het geval dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen: verwijzing van verweerster in de door haar toedoen aan verzoekster opgekomen kosten die vexatoir zijn veroorzaakt, overeenkomstig artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.
Met haar eerste middel voert zij aan dat haar beroep ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de bestreden rechtshandeling dient te worden beschouwd als uitoefening van overheidsbevoegdheden ten aanzien van een derde, waardoor een juridisch belang ontstaat bij het aanvechten van de vaststelling van de door haar begane overtreding, die een voorwaarde is voor het nemen van de haar betreffende nadelige maatregelen.
Met het tweede middel wordt betoogd dat de Europese Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, omdat zij enerzijds de feiten niet volledig, objectief en consequent heeft onderzocht en geen rekening heeft gehouden met de juridische argumenten van de betrokkene, en anderzijds haar rechtshandeling niet heeft gemotiveerd.
Het derde middel betreft schending van het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het dispositief van de bestreden rechtshandeling ook ten aanzien van de aard ervan niet volkomen duidelijk is.
Met het vierde middel wordt schending van het vertrouwensbeginsel gesteld, omdat de Commissie zowel over de uitvoering als over de financiële boekhouding van eerdere projecten geen opmerkingen had gemaakt en daardoor bij verzoekster het gewettigde vertrouwen was ontstaan dat haar boekhouding in overeenstemming was met de voorschriften en het niet nodig was voor lopende of toekomstige projecten aanpassingen aan te brengen; het vertrouwen ontstond bijgevolg door toedoen van de bevoegde instantie, namelijk de Europese Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy