2.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 73/43
Beroep ingesteld op 30 december 2014 — Spanje/Commissie
(Zaak T-841/14)
(2015/C 073/55)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Gavela Llopis, Abogado del Estado)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
de toepassing van rente door de diensten van de Commissie bij brief van 21 oktober 2014 nietig verklaren;
—
subsidiair, vaststellen dat er geen grond is tot toepassing van de in artikel 11, leden 2 en 3, bedoelde verhoging;
—
in ieder geval, subsidiair aan de eerste vordering, als begindatum voor de berekening van de achterstandsrente 20 januari 2004 nemen, dat wil zeggen de eerste werkdag van de tweede maand na 27 november 2003, de dag van de eventuele vaststelling van de schuld met betrekking tot alle in de onderhavige procedure aan de orde zijnde gevallen van doorvoer, of op zijn minst voor de rente op de douaneschuld met betrekking tot de drie laatste gevallen van doorvoer, en
—
de verwerende instelling verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen het besluit dat is vervat in de brief van de Commissie nr. Ares (2014) 3486706 (BUDG/B/02/MTC/IB) van 21 oktober 2014 tot toepassing van artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
Aan het onderhavige beroep ligt een onderzoek van de Nederlandse autoriteiten ten grondslag met betrekking tot 26 door de Nederlandse douane tussen april en november 1994 behandelde gevallen van doorvoer met de Spaanse douane te Algeciras als douanekantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap. Volgens die autoriteiten waren de betrokken goederen aan het douanetoezicht onttrokken omdat zij het grondgebied van de Unie niet hadden verlaten. Nadien hebben de Nederlandse autoriteiten een nieuw verslag opgesteld over acht aangiften voor douanevervoer, aangezien zij twijfelden aan de echtheid van de zegels en de handtekeningen op de documenten die waren aangevoerd ten bewijze van de voltooiing van dat vervoer.
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan.
1.
Schending van artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 junctis de artikelen 9, lid 1, 10, lid 1, tweede alinea, 6, lid 3, en 2, doordat het door de Commissie is toegepast op een geval waarop die bepaling geen betrekking heeft
—
In dit verband stelt verzoeker dat het niet gaat om een in artikel 6, lid 3, onder a), bedoelde douaneschuld maar om een in artikel 6, lid 3, onder b), bedoelde douaneschuld.
2.
Schending van het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel bij de toepassing van artikel 11, leden 2 en 3, van verordening nr. 1150/2000
—
In dit verband voert verzoeker aan dat die leden in een verhoging van de achterstandsrente voorzien, waarmee niet wordt beoogd schade ten gevolge van betalingsachterstand te vergoeden, maar die een dwingend karakter hebben dat in de weg staat aan de toepassing van die verhoging indien de lidstaat zich er niet van bewust is dat de verplichting te laat is nagekomen.
3.
Schending van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1150/2000 met betrekking tot de bepaling van de datum waarop de douaneschuld moest worden vastgesteld en derhalve onjuiste vaststelling van de begindatum voor de berekening van de achterstandsrente, aangezien het ging om kwesties waarover een rechtszaak liep, hetgeen betekent dat de vaststelling in ieder geval alleen bij rechterlijke beslissing had kunnen gebeuren.
Full & Egal Universal Law Academy