BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
15 september 2016 (*)
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne – Bevriezing van tegoeden – Niet vertegenwoordigd door een advocaat – Verzoeker die niet meer antwoordt op de verzoeken van het Gerecht – Afdoening zonder beslissing”
In zaak T‑339/14,
Serhiy Vitaliyovych Kurchenko, wonende te Chuhuiv (Oekraïne), vertegenwoordigd door B. Kennelly, QC, J. Pobjoy, barrister, M. Drury, A. Swan, en J. Binns, solicitors,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Á. de Elera-San Miguel Hurtado en J.‑P. Hix als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Bartelt en D. Gauci als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende, primair, een verzoek op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van ten eerste besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26), verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1), en ten tweede besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25), uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1), voor zover deze handelingen verzoeker betreffen, en, subsidiair, een verzoek op grond van artikel 277 VWEU tot verklaring van niet-toepasselijkheid ten aanzien van verzoeker van artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 24, blz. 16) en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 208/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 24, blz. 1),
geeft
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, O. Czúcz, I. Pelikánová, A. Popescu en E. Buttigieg, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne.
2 Verzoeker, Serhiy Vitaliyovych Kurchenko, is een Oekraïense zakenman.
3 Op 5 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) vastgesteld. Ook op 5 maart 2014 heeft de Raad op grond van artikel 215, lid 2, VWEU verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1) vastgesteld.
4 Bij besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 is verzoekers naam aan de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn, toegevoegd, met als nadere gegevens „zakenman” en als motivering:
„Persoon tegen wie in Oekraïne een onderzoek loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.”
5 Besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 zijn met name gewijzigd bij respectievelijk besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 24, blz. 16) en bij verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 24, blz. 1). Bij deze handelingen heeft de Raad met ingang van 1 februari 2015 de criteria verduidelijkt voor de aanwijzing van personen tegen wie de bevriezing van tegoeden is gericht.
6 Besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 zijn ook gewijzigd bij respectievelijk besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25) en bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1). Bij deze handelingen is verzoeker gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van toepassing zijn, waarbij die te zijnen aanzien werden verlengd tot en met 6 maart 2016, met als nieuwe motivering:
„Persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva.”
Procedure en conclusies van partijen
7 Bij op 15 mei 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld. Op 12 augustus 2014 heeft de Raad het verweerschrift ingediend.
8 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 september 2014, heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 17 november 2014 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Bij op 18 december 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie ervan afgezien een memorie in interventie in te dienen.
9 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 2014, heeft Oekraïne verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 17 november 2014 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht de interventie van Oekraïne toegestaan. Bij op 24 december 2014 ter griffie van het Gerecht ingediende brief heeft Oekraïne echter het Gerecht ervan in kennis gesteld dat het afstand deed van zijn interventie. Bijgevolg heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht bij beschikking van 11 maart 2015 de doorhaling van Oekraïne als interveniënt uitgesproken.
10 De repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 25 september en 11 november 2014 ter griffie van het Gerecht ingediend.
11 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 mei 2015, heeft verzoeker een memorie tot aanpassing van de conclusies ingediend opdat die tevens strekken tot nietigverklaring van besluit 2015/364 en verordening 2015/357, voor zover zij verzoeker betreffen, en subsidiair tot verklaring van niet-toepasselijkheid ten aanzien van verzoeker van artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit 2015/143, en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 208/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2015/138.
12 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 oktober 2015, heeft de Raad opmerkingen over de memorie tot aanpassing ingediend.
13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 mei 2015, heeft verzoeker tevens een beroep ingediend, dat dezelfde conclusies bevatte als die welke zijn vermeld in de in deze zaak neergelegde memorie tot aanpassing van de conclusies, zoals vermeld in punt 11 hierboven. Dit beroep, dat is ingeschreven onder nummer T‑248/15, is bij door de Negende kamer van het Gerecht gegeven beschikking van 11 september 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens litispendentie met de onderhavige zaak.
14 Op voorstel van de Negende kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering de zaak naar een uitgebreide kamer verwezen.
15 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Negende kamer – uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
16 Bij brief van 25 april 2016 hebben de vertegenwoordigers van verzoeker het Gerecht ervan op de hoogte gesteld dat zij ermee ophielden hun cliënt te vertegenwoordigen, omdat zij van verzoeker niet de middelen hadden ontvangen om hun vertegenwoordiging te kunnen voortzetten en zij overigens van hem geen enkele instructie meer hadden ontvangen.
17 Bij aan de vertegenwoordigers van verzoeker gerichte brief van 10 mei 2016 heeft het Gerecht hen erover geïnformeerd dat zij het contactpunt van het Gerecht bleven totdat verzoeker een nieuwe vertegenwoordiger aanwijst. Het heeft hun tevens verzocht verzoeker ervan op de hoogte te stellen dat hij vóór 27 mei 2016 een nieuwe vertegenwoordiger moest aanwijzen, bij gebreke waarvan het Gerecht voornemens zou zijn ambtshalve vast te stellen dat op het beroep niet meer hoeft te worden beslist, overeenkomstig artikel 131, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
18 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 mei 2016, hebben de vertegenwoordigers van verzoeker bevestigd dat zij hem hadden geïnformeerd over de noodzaak nieuwe vertegenwoordigers aan te wijzen. Zij hebben echter aangegeven van verzoeker geen enkel antwoord te hebben ontvangen. Bovendien heeft deze niet op een andere wijze binnen de gestelde termijn met het Gerecht contact opgenomen.
19 In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, zoals voorzien in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht aan partijen een vraag gesteld, waarop zij schriftelijk moesten antwoorden, opdat zij zich konden uitspreken over de mogelijkheid voor het Gerecht om overeenkomstig artikel 131, lid 2, van dat Reglement ambtshalve bij met redenen omklede beschikking vast te stellen dat op het beroep niet meer hoeft te worden beslist.
20 Partijen hebben daaraan binnen de gestelde termijn voldaan. Bij brieven van respectievelijk 9 en 22 juni 2016 hebben de Commissie en de Raad zich niet ertegen verzet dat het Gerecht ambtshalve vaststelt dat op het beroep niet meer hoeft te worden beslist. Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 juni 2016, hebben de vertegenwoordigers van verzoeker herhaald dat zij van hem geen instructies meer ontvingen en dat, in die omstandigheden, zij geen opmerkingen konden indienen in antwoord op de vraag van het Gerecht.
Afdoening zonder beslissing
21 Krachtens artikel 131, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien de verzoeker geen gehoor meer geeft aan zijn uitnodigingen, de partijen gehoord, ambtshalve bij met redenen omklede beschikking vaststellen dat op het beroep niet meer hoeft te worden beslist.
22 In casu, zoals blijkt uit de punten 16 tot en met 20 hierboven, moet worden vastgesteld dat verzoeker zijn vertegenwoordigers niet langer instructies geeft, dat deze dus hebben besloten ermee op te houden hem te vertegenwoordigen en dat verzoeker ook niet heeft voldaan aan het door het Gerecht in de brief van 10 mei 2016 geformuleerde verzoek om een nieuwe advocaat aan te wijzen. Bovendien heeft hij niet geantwoord op de vraag die het Gerecht heeft gesteld in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang, zoals uiteengezet in punt 19 hierboven.
23 Bijgevolg moet in het licht van verzoekers stilzitten overeenkomstig artikel 131, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering ambtshalve worden vastgesteld, dat op het beroep niet meer hoeft te worden beslist.
Kosten
24 Artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Gerecht in geval van afdoening zonder beslissing vrijelijk over de kosten beslist.
25 In de onderhavige zaak moet, in het licht van de omstandigheden van de zaak, worden besloten dat verzoeker zijn eigen kosten zal dragen, alsmede die van de Raad.
26 Ten slotte dragen volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering de lidstaten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. De Commissie zal derhalve haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
beschikt:
1) Op het onderhavige beroep hoeft niet te worden beslist.
2) Serhiy Vitaliyovych Kurchenko wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad van de Europese Unie.
3) De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 15 september 2016.
De griffier
De president
E. Coulon
G. Berardis
** Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy