BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
19 juli 2017 ( *1 )
„Procedure – Uitlegging van beschikking”
In zaak T‑347/14 INTP,
Olga Stanislavivna Yanukovych, als erfgename van Viktor Viktorovych Yanukovych, wonende te Kiev (Oekraïne), vertegenwoordigd door T. Beazley, QC,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix en P. Mahnič Bruni als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, eerst vertegenwoordigd door S. Bartelt en D. Gauci als gemachtigden, daarna door E. Paasivirta en J. Norris-Usher als gemachtigden
interveniënte,
houdende een verzoek tot uitlegging van de beschikking van 12 juli 2016, Yanukovych/Raad (T‑347/14, EU:T:2016:433),
geeft
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, D. Spielmann en Z. Csehi, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
1
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 februari 2017 heeft verzoekster Olga Stanislavivna Yanukovych, erfgename van Viktor Viktorovych Yanukovych, krachtens artikel 168 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek ingediend tot uitlegging van punt 3 van het dictum van de beschikking van 12 juli 2016, Yanukovych/Raad (T‑347/14, hierna: „beschikking in het hoofdgeding”, EU:T:2016:433).
2
Het dictum van de beschikking in het hoofdgeding luidt als volgt:
„1)
Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne worden nietig verklaard, in hun oorspronkelijke versie, voor zover zij Viktor Viktorovych Yanukovych betreffen.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Olga Stanislavivna Yanukovych, als erfgename van Viktorovych Yanukovych, wat het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.
4)
Stanislavivna Yanukovych wordt, als erfgename van Viktorovych Yanukovych, verwezen in haar eigen kosten en in die van de Raad, wat het in de memorie houdende aanpassing geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.
[...]”
3
Met haar verzoek tot uitlegging voert verzoekster aan dat punt 3 van het dictum van de beschikking in het hoofdgeding onduidelijk is met betrekking tot de reikwijdte ervan, en met name met betrekking tot de vraag of de kosten die Viktorovych Yanukovych maakte toen hij nog in leven was konden worden uitgesloten. Uit een louter letterlijke uitlegging van dat punt van het dictum van de beschikking in het hoofdgeding blijkt namelijk dat, wat het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift betreft, de Raad van de Europese Unie wordt verwezen in het betalen van uitsluitend de kosten van verzoekster als erfgename van Viktorovych Yanukovych, en niet van diens, voor zijn overlijden gemaakte, kosten. In dit verband voert verzoekster aan dat, gelet op de context en de inhoud van de beschikking in het hoofdgeding, punt 3 van het dictum van die beschikking aldus moet worden uitgelegd dat, wat het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift betreft, het beoogt alle invorderbare kosten te omvatten die Viktorovych Yanukovych voor zijn overlijden heeft gemaakt, alsmede alle invorderbare kosten van verzoekster na diens overlijden.
4
Bijgevolg verzoekt verzoekster het Gerecht:
–
te verklaren dat punt 3 van het dictum van de beschikking in het hoofdgeding aldus moet worden uitgelegd dat de Raad zijn eigen kosten draagt, alsmede haar kosten en die van Viktorovych Yanukovych, wat betreft het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift;
–
ingeval van betwisting van onderhavig verzoek tot uitlegging de Raad te verwijzen in de kosten van de met dit verzoek ingeleide procedure of, indien van betwisting geen sprake is, iedere partij te verwijzen in haar eigen kosten.
5
Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 maart 2017, heeft de Europese Commissie aangegeven dat zij geen opmerkingen had bij onderhavig verzoek tot uitlegging.
6
In zijn op 27 maart 2017 neergelegde opmerkingen bij het verzoek tot uitlegging zet de Raad allereerst uiteen dat hij de door verzoekster aangevoerde letterlijke uitlegging niet onderschrijft. Volgens de Raad moet punt 3 van het dictum van de beschikking in het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat, wat het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift betreft, alle invorderbare kosten de kosten van Viktorovych Yanukovych tot aan diens overlijden omvatten. Deze uitlegging blijkt duidelijk uit niet alleen de tekst van dat punt van het dictum zelf, maar ook uit de punten 96 en 97 van de beschikking in het hoofdgeding. In dit verband verduidelijkt de Raad dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster lijkt te beweren, de invorderbare kosten dienen te worden vastgesteld ten aanzien van het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift met betrekking waartoe de in het gelijk gestelde partij recht op betaling van de invorderbare kosten heeft, en niet ten aanzien van de persoon die de in het gelijk gestelde partij vormt. Ten slotte verzoekt de Raad het Gerecht, wat de kosten van onderhavige procedure betreft, elke partij te verwijzen in haar eigen kosten.
7
In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 43 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat ingeval van moeilijkheden aangaande de betekenis en de strekking van een arrest de Unierechter tot taak heeft dit uit te leggen, op verzoek van een der partijen of van een instelling van de Unie die haar belang ter zake aannemelijk maakt.
8
Een verzoek tot uitlegging van een arrest of een beschikking moet worden onderzocht ten aanzien van niet alleen het dictum van de betrokken rechterlijke beslissing, maar ook van de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden in die zin dat zij onontbeerlijk zijn om de juiste betekenis van het dictum te bepalen (zie naar analogie arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad,T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 60).
9
In casu betreft het verzoek tot uitlegging van de beschikking in het hoofdgeding punt 3 van het dictum ervan, dat uitdrukkelijk de kosten betreft die betrekking hebben op het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift, terwijl punt 4 van het dictum van de beschikking in het hoofdgeding uitdrukkelijk de kosten betreft die betrekking hebben op het verzoek tot nietigverklaring in de memorie houdende aanpassing. Uit punt 96 van de beschikking in het hoofdgeding blijkt dat het Gerecht over de kosten van de zaak heeft beslist op grond van artikel 134, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk het Gerecht, indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten bepaalt. Dientengevolge heeft het Gerecht in punt 97 van de beschikking in het hoofdgeding, nadat het heeft opgemerkt dat de Raad met betrekking tot het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring in het ongelijk was gesteld, bepaald dat de Raad overeenkomstig de vordering van verzoekster wordt verwezen in de kosten betreffende dat verzoek, terwijl het heeft bepaald dat verzoekster overeenkomstig de vorderingen van de Raad wordt verwezen in de kosten betreffende het verzoek tot nietigverklaring in de memorie houdende aanpassing.
10
Uit al het voorgaande volgt dat punt 3 van het dictum van de beschikking in het hoofdgeding aldus moet worden uitgelegd dat het, met betrekking tot het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift, zowel de kosten betreft die Viktorovych Yanukovych vóór zijn overlijden heeft gemaakt als de kosten van verzoekster zelf, daar – zoals is verduidelijkt in punt 67 van de beschikking in het hoofdgeding – het oorspronkelijk door Viktorovych Yanukovych ingestelde beroep tot nietigverklaring na diens overlijdens door verzoekster is voortgezet als rechtsopvolger onder algemene titel en zij uiteindelijk wat dat beroep betreft in het gelijk is gesteld.
Kosten
11
Volgens artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding. In de omstandigheden van de onderhavige zaak dient te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten draagt.
12
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten.
HET GERECHT (Zesde kamer),
beschikt:
1)
Punt 3 van het dictum van de beschikking van 12 juli 2016, Yanukovych/Raad (T‑347/14), dient aldus te worden uitgelegd dat het, met betrekking tot het verzoek tot nietigverklaring in het verzoekschrift, zowel de kosten van Viktor Viktorovych Yanukovych betreft als die van Olga Stanislavivna Yanukovych, als erfgename van Viktorovych Yanukovych.
2)
Stanislavivna Yanukovych, als erfgename van Viktorovych Yanukovych, enerzijds, en de Raad van de Europese Unie, anderzijds, dragen elk hun eigen kosten van de uitleggingsprocedure.
3)
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.
4)
De minuut van de onderhavige beschikking wordt gehecht aan de minuut van de uitgelegde beschikking, in margine waarvan aantekening van de onderhavige beschikking wordt gedaan.
Luxemburg, 19 juli 2017.
De griffier
E. Coulon
De president
G. Berardis
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy