BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
24 maart 2015 ( *1 )
„Kort geding — Overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken — Aanbestedingsprocedure — Bouw en onderhoud van een trigeneratiecentrale — Terzijdelegging van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris — Geen spoedeisendheid”
In zaak T‑383/14 R,
Europower SpA, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door G. Cocco en L. Salomoni, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Cappelletti, L. Di Paolo en F. Moro als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
CPL Concordia Soc. coop., gevestigd te Concordia Sulla Secchia (Italië), vertegenwoordigd door A. Penta, advocaat,
interveniënte,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging, in hoofdzaak, van het besluit van 3 april 2014 waarbij de Commissie de offerte van Europower in het kader van aanbesteding JRC/IPR/2013/C04/0031/OC voor de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het onderhoud ervan op het terrein van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) te Ispra (Italië) (PB 2013/S 137‑237146) heeft afgewezen en de opdracht aan CPL Concordia heeft gegund, en dientengevolge van alle daaropvolgende besluiten,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 17 juli 2013 heeft de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een aankondiging van een opdracht volgens de openbare procedure onder de referentie JRC/IPR/2013/C04/0031/OC bekendgemaakt voor de bouw van een trigeneratiecentrale met een gasturbine en het onderhoud ervan op het terrein van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) te Ispra (Italië). De termijn voor ontvangst van de inschrijvingen en de datum van opening van de inschrijvingen zijn, na een in het Publicatieblad bekendgemaakt corrigendum, vastgesteld op respectievelijk 15 en 21 november 2013. Het document „Administratieve bijlage” in de uitnodiging tot inschrijving preciseerde dat de gunning van de opdracht zou plaatsvinden op basis van de economisch meest voordelige inschrijving, vastgesteld gelet op de totale kosten en de technische kwaliteit, en dat maximaal 80 punten voor de totale kosten van de inschrijving en maximaal 20 punten voor de technische kwaliteit van de inschrijving konden worden toegekend.
2
Op 21 november 2013 heeft de openingscommissie de inschrijvingen geopend. Na verificatie dat zij aan de eisen voldeden zijn de inschrijvingen geëvalueerd door de daartoe aangewezen commissie, die op 21 maart 2014 verslag heeft uitgebracht.
3
Bij brief van 3 april 2014 heeft de Commissie verzoekster, Europower SpA, meegedeeld dat haar inschrijving terzijde was gelegd daar de door haar behaalde eindscore lager was dan die voor de inschrijving van interveniënte, CPL Concordia Soc. coop.
4
Bij brief van 7 april 2014 heeft verzoekster verzocht om toegang tot de volgende documenten: het besluit tot gunning van de betrokken opdracht, de processen-verbaal van de evaluatie, de inschrijving van de begunstigde, de nadere gegevens en de voordelen van de inschrijving van de begunstigde en de met de begunstigde gesloten of te sluiten overeenkomst.
5
Bij brief van 11 april 2014 heeft de Commissie in herinnering gebracht dat de opdracht was gegund aan interveniënte en heeft zij de nadere gegevens van de inschrijving van de begunstigde en de voor die inschrijving toegekende punten meegedeeld.
6
Op 15 april 2014 heeft verzoekster een verzoek ingediend dat onder meer strekte tot verkrijging van een afschrift van de documenten waarop het verzoek om toegang van 7 april 2014 betrekking had met de verklaring dat zij een confirmatief verzoek voor haar verzoek om toegang tot de documenten indiende.
7
Op 17 april 2014 heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat haar geen informatie kon worden verstrekt in de loop van de gunningprocedure en dat haar pas toegang tot de documenten van de aanbestedingsprocedure kon worden verleend na afronding van de procedure, nadat met de gekozen inschrijver een overeenkomst was gesloten.
Procesverloop en conclusies van partijen
8
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30 mei 2014 heeft verzoekster beroep ingesteld, in hoofdzaak strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 3 april 2014 waarbij de Commissie haar inschrijving in het kader van de aanbesteding terzijde heeft gelegd [...], van het besluit waarbij de Commissie de opdracht aan interveniënte heeft gegund, [...] en van de overeenkomst zelf [...].
9
Bij op 22 juli 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft interveniënte het onderhavige verzoek in kort geding ingediend, waarin zij, zakelijk weergegeven, de president van het Gerecht verzoekt:
—
de opschorting te gelasten van de tenuitvoerlegging van het besluit om de inschrijving van verzoekster terzijde te leggen, van het besluit om de opdracht aan interveniënte te gunnen en, bijgevolg, van de daaropvolgende besluiten;
—
alle maatregelen te treffen die nuttig zijn om de in kort geding gevraagde bescherming te waarborgen.
10
In haar op 7 augustus 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen over het verzoek in kort geding verzoekt de Commissie de president van het Gerecht in hoofdzaak:
—
het verzoek om voorlopige maatregelen niet-ontvankelijk te verklaren;
—
hoe dan ook het verzoek om voorlopige maatregelen ongegrond te verklaren;
—
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
11
Bij beschikking van 9 september 2014 heeft de president van het Gerecht de interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie toegestaan. Interveniënte heeft op 23 september 2014 haar opmerkingen ingediend, waarna door de overige partijen daarover opmerkingen zijn ingediend, op 1 oktober 2014 door de Commissie en op 3 oktober 2014 door verzoekster.
In rechte
Algemene overwegingen
12
Uit de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU enerzijds en artikel 256, lid 1, VWEU anderzijds, in onderlinge samenhang gelezen, blijkt dat de rechter in kort geding, indien hij van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van een voor het Gerecht bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen kan gelasten.
13
Bovendien bepaalt artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dat de verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving moeten bevatten van het voorwerp van het geschil en van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede van de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de gevorderde voorlopige maatregel aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. Aldus kunnen de opschorting van de tenuitvoerlegging en de andere voorlopige maatregelen door de rechter in kort geding worden toegekend, indien vaststaat dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en spoedeisend zijn in die zin dat het ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker noodzakelijk is dat zij reeds vóór de beslissing op het beroep in de hoofdzaak worden gelast en effect sorteren. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat de verzoeken om voorlopige maatregelen moeten worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan [beschikking van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C‑268/96 P(R), Jurispr., EU:C:1996:381, punt 30].
[omissis]
15
Gelet op de bijzondere rol van kortgedingprocedures in openbareaanbestedingszaken en het rechtskader dat de wetgever van de Unie heeft geschapen voor procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die worden geleid door de aanbestedende diensten van de lidstaten [zie beschikking van 4 december 2014, Vanbreda Risk & Benefits/Commissie, T‑199/14 R, Jurispr. (Gedeeltelijke publicatie), EU:T:2014:1024, punten 16‑20 en 157‑162 en aldaar aangehaalde rechtspraak], moet in casu allereerst worden onderzocht of verzoekster voldoende gegevens aanvoert om een fumus boni juris aan te tonen.
[omissis]
Fumus boni juris
17
Aan de voorwaarde van een fumus boni juris is voldaan wanneer er in de fase van het kort geding een aanzienlijk juridisch geschil bestaat waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat, zodat het beroep niet op het eerste gezicht een redelijke grond mist (zie in die zin beschikkingen van 13 juni 1989, Publishers Association/Commissie, 56/89 R, Jurispr., EU:C:1989:238, punt 31, en van 8 mei 2003, Commissie/Artegodan e.a., C‑39/03 P‑R, Jurispr., EU:C:2003:269, punt 40). De procedure in kort geding heeft immers tot doel de volle werking van de toekomstige definitieve beslissing te waarborgen teneinde een lacune in de door de rechterlijke instanties van de Unie verzekerde rechtsbescherming te voorkomen, zodat de rechter in kort geding zich ertoe moet beperken, te beoordelen of de in het kader van het geding ten gronde aangevoerde middelen „op het eerste gezicht” gegrond voorkomen, om uit te maken of het voldoende waarschijnlijk is dat het beroep slaagt [beschikkingen van 19 december 2013, Commissie/Duitsland, C‑426/13 P(R), Jurispr., EU:C:2013:848, punt 41, en van 8 april 2014, Commissie/ANKO, C‑78/14 P‑R, Jurispr., EU:C:2014:239, punt 15].
18
In casu voert verzoekster vijf middelen aan tot staving van het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging. Met het eerste middel voert zij in hoofdzaak aan dat de begunstigde niet aan de in de documenten van de aankondiging gestelde technische eisen voldoet daar hij niet de geschiktheid van andere entiteiten kon inroepen om aan die eisen te voldoen. Met het tweede middel betoogt zij in hoofdzaak dat het punt dat aan de inschrijving van de begunstigde is toegekend voor het opgegeven gewaarborgde elektrisch rendement onrechtmatig is. Met haar derde middel voert zij in hoofdzaak aan dat de met het oog op de gunning van de opdracht gedane verrichtingen op één zitting hebben plaatsgevonden, in strijd met de beginselen waaraan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten moeten voldoen. Met het vierde middel betoogt zij in hoofdzaak dat de Commissie ten onrechte heeft geweigerd haar bepaalde documenten en informatie te verschaffen. Met het vijfde middel tot slot bestrijdt zij de regelmatigheid van de samenstelling van de commissie die de inschrijvingen opent en de benoeming van de leden van de evaluatiecommissie.
[omissis]
Tweede, derde, vierde en vijfde door verzoekster aangevoerde middel
[omissis]
– Vierde en vijfde middel, ontleend aan een gebrek aan toegang tot de documenten van de aankondiging
[omissis]
46
Bijgevolg toont onderzoek van het tweede, het derde, het vierde en het vijfde door verzoekster aangevoerde middel aan dat daarmee niet het bestaan van een fumus boni juris kan worden aangetoond.
Eerste middel, betreffende de niet-inachtneming door de begunstigde van de in de documenten van de aankondiging van de opdracht opgesomde technische vereisten
47
Verzoekster betoogt dat de begunstigde niet beantwoordde aan de technische minimumvereisten die in de documenten betreffende de betrokken aanbesteding waren opgesomd. Meer in het bijzonder zou interveniënte niet hebben voldaan aan het in punt III.2.3, onder c), van de aankondiging bedoelde selectiecriterium, daar deze onderneming niet zelf twee warmtekrachtkoppelingscentrales met een vermogen van minstens 8 MW zou hebben uitgevoerd, terwijl zij om aan dat criterium te voldoen niet de geschiktheid van andere eenheden kon inroepen. Verzoekster merkt op dat de inschrijver volgens de technische specificaties een lijst moest overleggen van installaties die vergelijkbaar waren met die van de opdracht en die rechtstreeks waren aangelegd door de inschrijvende onderneming.
48
In dit verband moet allereerst worden vastgesteld dat de aankondiging onder de voorwaarden voor deelneming aan de betrokken inschrijving uitdrukkelijk vermeldt dat de inschrijver een beroep kan doen op andere marktdeelnemers. In dat geval moeten volgens de aankondiging om aan de selectiecriteria te voldoen de documenten en informatie die vereist worden in de sectie betreffende de situatie van de ondernemers door elk van die deelnemers worden overgelegd.
[omissis]
52
Op het eerste gezicht moet dan ook worden geconstateerd dat interveniënte volgens de aankondiging voor haar technische geschiktheid gebruik mocht maken van de geschiktheid van een andere entiteit zonder dat zij het bewijs hoefde te leveren van door haar zelf uitgevoerde werken.
53
Dat neemt niet weg dat, zoals verzoekster opmerkt, in punt 12, vijfde alinea, van de technische specificaties wordt gepreciseerd dat de technische offerte bovendien vergezeld moet gaan van de in de uitnodiging tot inschrijving uitdrukkelijk vereiste algemene en technische gegevens, waaronder ten minste: een lijst van de rechtstreeks door de inschrijvende onderneming uitgevoerde werken [...] met vermelding van de voornaamste kenmerken van ieder werk.
54
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het bepaalde in punt 12, vijfde alinea, van de technische specificaties, waarin de door verzoekster ingeroepen indicatie is opgenomen, kennelijk niet tot doel heeft de voorwaarden voor deelneming aan de inschrijving te beperken door de toevoeging van selectiecriteria. Veeleer lijkt deze bepaling bedoeld om er de aandacht op te vestigen dat bij de technische offerte bepaalde, in de aankondiging reeds uitdrukkelijk verlangde informatie moest worden gevoegd voor de beoordeling van de technische geschiktheid van de inschrijver.
[omissis]
57
Met deze overwegingen voor ogen moet de betekenis van de indicatie waarop het eerste middel van verzoekster berust worden onderzocht. De eerste informatie bedoeld in punt 12, vijfde alinea, van de technische specificaties, te weten de lijst van door de inschrijvende onderneming uitgevoerde vergelijkbare installaties, met inbegrip van de bijbehorende technologische, mechanische en elektro-instrumentele uitrustingen, met vermelding van de voornaamste kenmerken van elke installatie, verwijst kennelijk naar punt III.2.3, onder c), van de aankondiging, die doelt op „een lijst van de belangrijkste installaties van turbines van hetzelfde type en dezelfde producent als deze die zijn voorgesteld in de inschrijving en die tijdens de laatste 10 jaar in Europa zijn uitgevoerd, met vermelding van de bedragen, het elektrisch vermogen, de datums of perioden van installatie, en de naam van de publiek- en privaatrechtelijke begunstigden”. Gepreciseerd wordt dat „[v]oor elke opdracht voor werken [...] een definitief testcertificaat of een ander document dat de correcte installatie aantoont (bijv. eindfactuur) [moet] worden toegevoegd” en dat „minstens 2 van genoemde werkzaamheden betrekking [moeten] hebben op de bouw van warmtekrachtkoppelingscentrales met een vermogen van minstens 8 MW”. Bij vergelijking van de twee formuleringen kan op het eerste gezicht de door verzoekster voorgestane uitlegging, die een verband ziet tussen de lex generalis en de lex specialis, worden uitgesloten daar de formulering in de technische specificaties weliswaar de term „rechtstreeks” bevat, die zou kunnen worden gezien als een nadere precisering, maar deze formulering in andere opzichten veel vager is dan de formulering in de aankondiging van de opdracht. In de eerste formulering wordt immers geen enkele temporele indicatie gegeven. Bovendien lijkt bij deze laatste formulering een andere uitlegging dan de door verzoekster voorgestane uitlegging mogelijk. Zo is het denkbaar dat een dergelijke lijst moet worden verstrekt indien, en alleen indien, de inschrijver rechtstreeks dergelijke werken heeft uitgevoerd. In het tegenovergestelde geval hoeft die lijst niet te worden overgelegd omdat zij niet kan bestaan, zonder dat dit de inschrijver echter belet aan de inschrijving deel te nemen, aangezien hij aan de in de aankondiging opgenomen voorwaarden kan voldoen door een beroep te doen op derden.
58
Uit deze analyse volgt dat de in punt 12, vijfde alinea, van de technische specificaties bedoelde informatie in de eerste plaats kan worden uitgelegd als een herhaling van het in punt III.2.3, onder c), d) en e), van de aankondiging opgenomen selectiecriterium, en in de tweede plaats als een nadere precisering aangaande de presentatie van de vereiste informatie (indicatie van de nabijheid, precisering of de inschrijver rechtstreeks installaties heeft gebouwd).
59
In dit stadium kan de door verzoekster voorgestane uitlegging echter niet volledig worden uitgesloten, zeker daar de Commissie in haar opmerkingen geen uitleg verschaft over de betekenis van de term „rechtstreeks” en de redenen waarom deze wordt gebruikt.
60
Gelet op de onzekerheid over de aan het gebruik van deze term te geven uitlegging en de betekenis ervan voor de regelmatigheid van de betrokken procedure komt de kortgedingrechter tot de constatering dat er sprake is van een aanzienlijk juridisch geschil waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat, en dat het beroep dus niet op het eerste gezicht redelijke grond mist [zie in die zin beschikking van 10 september 2013, Commissie/Pilkington Group, C‑278/13 P(R), Jurispr., EU:C:2013:558, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61
In dit verband moet echter in herinnering worden gebracht dat in het zeer bijzondere kader van geschillen inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, van de niet-gekozen inschrijver die erin slaagt een bijzonder ernstige fumus boni juris aan te tonen niet kan worden verlangd dat hij aantoont dat afwijzing van zijn verzoek in kort geding dreigt hem onherstelbare schade te berokkenen, daar anders op buitensporige en ongerechtvaardigde wijze afbreuk zou worden gedaan aan de daadwerkelijke bescherming in rechte die hij geniet krachtens artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Van een dergelijke fumus boni juris is sprake wanneer hij het bestaan aantoont van een voldoende kennelijke en ernstige onrechtmatigheid, waarvan het ontstaan of het voortbestaan zo spoedig mogelijk moet worden verhinderd tenzij de afweging van de belangen zich uiteindelijk daartegen verzet. In die uitzonderlijke omstandigheden volstaat het loutere bewijs van de ernst van de schade die zou worden veroorzaakt wanneer de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet werd opgeschort om te voldoen aan de voorwaarde inzake spoedeisendheid, gelet op de noodzaak om de gevolgen van een dergelijke onrechtmatigheid ongedaan te maken (beschikking Vanbreda Risk & Benefits/Commissie, punt 15 supra, EU:T:2014:1024, punt 162).
62
In casu kan op grond van het onderzoek van het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel echter niet worden geconstateerd dat er sprake is van een fumus boni juris [...]. Evenzo is bij onderzoek van het eerste middel niet gebleken van een onzekerheid op grond waarvan de kortgedingrechter tot het oordeel komt dat dit middel niet volledig irrelevant was.
63
Hieruit volgt dat de gedragingen en besluiten van de Commissie in casu in het kader van de onderhavige procedure niet kunnen worden aangemerkt als dermate kennelijke en ernstige schendingen van het recht van de Unie dat moet worden vermeden dat zij gevolgen hebben voor de toekomst, en dat van verzoekster niet hoeft te worden verlangd dat zij aantoont dat de schade die zij zou ondervinden indien de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet werd geschorst onherstelbaar zou zijn.
64
Nu bij onderzoek van de middelen die tot staving van het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging zijn aangevoerd niet is komen vast te staan dat er sprake is van een bijzonder ernstige fumus boni juris, moet de voorwaarde inzake de spoedeisendheid worden onderzocht om te bepalen of verzoekster heeft aangetoond dat de schade waarvan zij beweert dat zij haar kan worden berokkend zowel ernstig als onherstelbaar is.
Spoedeisendheid
65
Het is vaste rechtspraak dat de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Het is aan die partij gedegen bewijs te leveren dat zij niet kan wachten tot de procedure in de hoofdzaak is afgerond zonder persoonlijk dergelijke schade te zullen ondervinden (zie beschikking van 19 september 2012, Griekenland/Commissie, T‑52/12 R, Jurispr., EU:T:2012:447, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
In casu zet verzoekster op net iets meer dan een bladzijde van haar verzoekschrift in kort geding uiteen om welke redenen zij meent dat de bestreden maatregelen haar ernstige en onherstelbare schade zullen berokkenen. Volgens haar is in de eerste plaats de betrokken opdracht van essentieel belang voor de continuïteit van haar werkzaamheden en is in de tweede plaats een sociaalplanprocedure op een vergelijkbaar bouwterrein in gang gezet binnen de onderneming en heeft die situatie haar gedwongen vier personen op non-actief te stellen (met het vooruitzicht dit met nog twee andere personen te moeten doen), aangezien die personen niet op andere projecten kunnen worden ingezet. Dienaangaande betoogt zij dat een beroep op de mobiliteit een indicatie is van de moeilijke situatie waarin zij zich bevindt indien de betrokken opdracht niet aan haar wordt gegund.
67
In dit verband moet worden vastgesteld dat de bewering van verzoekster betreffende het belang van de betrokken opdracht voor de continuïteit van haar activiteit met geen enkel concreet en nauwkeurig gegeven wordt gestaafd en vergezeld gaat van geen enkel gedetailleerd en gewaarmerkt document. [...] Geconcludeerd moet dus worden dat verzoekster heeft verzuimd de minste concrete indicatie over haar financiële situatie te verstrekken aan de hand waarvan de kortgedingrechter kan beoordelen of de beweerde schade ernstig en onherstelbaar is, ofschoon die informatie onmisbaar is voor de beoordeling van de spoedeisendheid en in het verzoekschrift in kort geding zelf had moeten worden verstrekt.
68
Wat betreft het inroepen van de mobiliteit, moet worden geconstateerd dat de sociaalplanprocedure op een vergelijkbaar bouwterrein door verzoekster in gang is gezet op 17 maart 2014, dus voordat haar offerte voor de betrokken aanbesteding terzijde is gelegd. Het is echter vaste rechtspraak dat beweerde spoedeisendheid als gevolg van het risico ernstige en onherstelbare schade te lijden, moet voortvloeien uit de gevolgen van de bestreden handeling. Dit laatste is in casu dus niet het geval, daar tot het inroepen van de mobiliteit niet is besloten op grond van de tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen. In dit verband zij erop gewezen dat verzoekster in haar opmerkingen over de opmerkingen van interveniënte preciseert dat die procedure pas door daadwerkelijke besluiten in gang is gezet nadat zij er kennis van had gekregen dat haar offerte voor de betrokken opdracht terzijde was gelegd. Uit het dossier blijkt evenwel dat de brieven die op 18 juni 2014 aan de betrokken werknemers zijn gestuurd – waarop verzoekster zich beroept om haar argumenten te staven – slechts het gevolg zijn van bedoelde procedure, die is ingeleid voordat de betrokken opdracht werd gegund en dus zonder enig verband te houden met die opdracht.
[omissis]
70
Gesteld al dat op basis van het onderzoek van het eerste middel dat verzoekster tot staving van haar verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging heeft opgeworpen kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ernstige fumus boni juris, moet hoe dan ook worden geconstateerd dat verzoekster in het kader van de onderhavige procedure geen gegeven heeft aangevoerd waarmee de ernst van de door haar gestelde schade kan worden aangetoond.
71
Gelet op het voorgaande moet worden geconstateerd dat verzoeksters argumenten ten betoge dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan kennelijk ongegrond zijn.
72
Op grond van bovenstaande overwegingen moet het onderhavige verzoek in kort geding bijgevolg worden afgewezen zonder dat de betrokken belangen tegen elkaar hoeven te worden afgewogen en zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vragen die de Commissie heeft opgeworpen met betrekking tot de ontvankelijkheid van de conclusies strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de door verzoekster bedoelde latere besluiten.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 24 maart 2015.
De griffier
E. Coulon
De president
M. Jaeger
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
( 1 ) Enkel de punten van deze beschikking waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy