BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
11 maart 2016 ( *1 )
„Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Sky BONUS — Ouder nationaal woordmerk SKY — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Beperking van de aangeduide waren in de merkaanvraag — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑840/14,
International Gaming Projects Ltd, gevestigd te Valletta (Malta), vertegenwoordigd door M. Garayalde Niño, advocaat,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door D. Walicka als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënte voor het Gerecht, voorheen British Sky Broadcasting Group plc:
Sky plc, gevestigd te Isleworth (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door J. Barry, solicitor,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 23 oktober 2014 (zaak R 2040/2013‑4) inzake een oppositieprocedure tussen British Sky Broadcasting Group plc en International Gaming Projects Ltd,
geeft
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Prek, president, I. Labucka en V. Kreuschitz (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
gezien het op 23 december 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 20 mei 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het BHIM,
gezien de op 1 mei 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,
gezien de op 9 en 11 december 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van respectievelijk interveniënte en verzoekster op een schriftelijke vraag van het Gerecht,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 16 maart 2012 heeft verzoekster, International Gaming Projects Ltd, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
2
Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd betreft het volgende beeldteken:
3
De waren waarvoor de merkaanvraag is ingediend, behoren tot de klassen 9 en 28 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt:
—
klasse 9: „Computerprogramma’s, elektronische componenten”;
—
klasse 28: „Speelautomaten met muntinworp; speelautomaten en spelmachines; elektrische en/of elektronische speelautomaten en spelmachines, -apparaten en -installaties; videospelmachines en ‑toestellen; delen en onderdelen voor voornoemde goederen voor zover niet begrepen in andere klassen”.
4
De gemeenschapsmerkaanvraag is in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 2012/086 van 8 mei 2012 gepubliceerd.
5
Op 8 augustus 2012 heeft British Sky Broadcasting Group plc, rechtsvoorgangster van interveniënte, Sky plc, op grond van artikel 41, lid 1, van verordening nr. 207/2009 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor alle in punt 3 hierboven bedoelde waren.
6
De oppositie was met name gebaseerd op het oudere woordmerk van het Verenigd Koninkrijk SKY, dat op 7 september 2012 onder nummer 2500604 is ingeschreven ter aanduiding van waren en diensten van de klassen 3, 4, 7, 9, 11, 12, 16 tot en met 18, 25, 28 en 35 tot en met 45. De betrokken waren van klasse 9 omvatten onder meer „computerprogramma’s”, „elektronische interactieve computerspellen” en „delen en onderdelen voor alle voornoemde goederen”. De betrokken producten van klasse 28 omvatten „spellen, speelgoed; elektronische spellen; draagbare inrichtingen voor elektronische spellen, computer- of videospellen; videospelapparatuur; delen en onderdelen voor alle voornoemde goederen; speelkaarten; kaartspellen, sportuitrusting; spellen die gokspellen inhouden; speelmachines; speelapparatuur en ‑instrumenten; educatieve of recreatieve interactieve spellen”.
7
De oppositie was gebaseerd op artikel 8, leden 1, onder b), 4 en 5 van verordening nr. 207/2009.
8
Bij beslissing van 19 augustus 2013 heeft de oppositieafdeling de oppositie toegewezen voor alle betrokken waren en diensten op grond van uitsluitend artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 en de merkaanvraag in zijn geheel afgewezen.
9
Op 18 oktober 2013 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het BHIM beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.
10
Bij beslissing van 23 oktober 2014 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vierde kamer van beroep van het BHIM de beslissing van de oppositieafdeling bevestigd en het beroep verworpen. Daartoe heeft zij enkel het aangevraagde merk vergeleken met het oudere merk en het verwarringsgevaar tussen de merken in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 beoordeeld. Ter ondersteuning van die beslissing heeft zij overwogen dat de betrokken waren in wezen identiek waren (punten 15‑17 van de bestreden beslissing). Bij de vergelijking van de conflicterende merken heeft de kamer van beroep om te beginnen vastgesteld dat het woord „sky”„het meest dominerende en onderscheidende” element van het aangevraagde merk was, terwijl het woord „bonus” slechts een zwak onderscheidend vermogen had (punt 20 van de bestreden beslissing). Vervolgens is zij tot de slotsom gekomen dat de conflicterende merken ten eerste meer dan gemiddeld visueel overeenstemmen, ten tweede fonetisch in sterke mate overeenstemmen, en ten derde begripsmatig in sterke mate overeenstemmen (punten 21‑23 van de bestreden beslissing). Tot slot heeft de kamer van beroep bij de globale beoordeling van het gevaar voor verwarring gemeend dat er gevaar voor verwarring bestond tussen de conflicterende merken omdat de merken betrekking hebben op dezelfde of in hoge mate soortgelijke waren, de conflicterende merken meer dan gemiddeld visueel overeenstemmen en zij in sterke mate fonetisch en begripsmatig overeenstemmen, en het oudere merk een normaal intrinsiek onderscheidend vermogen had (punt 29 van de bestreden beslissing).
Conclusies van partijen
11
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
de bestreden beslissing gedeeltelijk te vernietigen en de inschrijving van het aangevraagde merk toe te kennen voor de „computerprogramma’s; elektronische componenten” van klasse 9 en voor de „speelautomaten met muntinworp; speelautomaten en spelmachines; elektrische en/of elektronische speelautomaten en spelmachines, -apparaten en -installaties; videospelmachines en ‑toestellen; delen en onderdelen voor voornoemde goederen voor zover niet begrepen in andere klassen, het geheel van de voornoemde waren” van klasse 28, voor zover deze waren uitsluitend zien op videobingospellen voor spelautomaten in casino’s en speelhallen;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten.
12
Het BHIM en interveniënte verzoeken het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
13
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster in wezen drie middelen aan, te weten schending van artikel 8, leden 1, onder b), 4 en 5 van verordening nr. 207/2009.
14
Daartoe brengt verzoekster om te beginnen de omvang van haar aanvraag voor een gemeenschapsmerk uit hoofde van artikel 43, lid 1, van verordening nr. 207/2009 terug door de opgave van waren waarvoor de inschrijving is aangevraagd te „beperken” tot de „computerprogramma’s; elektronische componenten” van klasse 9 en de „speelautomaten met muntinworp; speelautomaten en spelmachines; elektrische en/of elektronische speelautomaten en spelmachines, -apparaten en ‑installaties; videospelmachines en -toestellen; delen en onderdelen voor voornoemde goederen voor zover niet begrepen in andere klassen” van klasse 28, voor zover deze waren uitsluitend zien op „videobingospellen voor spelautomaten in casino’s en speelhallen”. Verzoekster is in wezen van mening dat deze beperking van de betrokken waren overeenkomt met haar betoog voor de instanties van het BHIM dat een gevaar voor verwarring tussen de conflicterende merken vrijwel uitgesloten was omdat haar bedrijvigheid enkel zag op het gebruik van spel- of speelautomaten in casino’s of speelhallen.
15
Het BHIM en interveniënte stellen daar tegenover dat het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep overeenkomstig artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet mag worden gewijzigd. In casu heeft verzoekster de opgave van aangevraagde waren gewijzigd door hun bestemming aan te geven en derhalve in strijd met deze bepaling het voorwerp van het geschil gewijzigd. Deze wijziging kan door het Gerecht dus niet in aanmerking worden genomen, aangezien de rechtmatigheid van de bestreden beslissing moet worden getoetst in het licht van louter het feitelijke en juridische kader van het geschil op het moment dat zij werd vastgesteld. Bovendien is de enige vordering met deze wijziging van het voorwerp van het geschil niet-ontvankelijk. Verzoekster verklaart namelijk uitdrukkelijk dat zij niet de vernietiging van de gehele bestreden beslissing vordert, maar enkel gedeeltelijke vernietiging ten aanzien van de waren na deze beperking. Zij verklaart daarnaast niet meer te verzoeken om bescherming van de aanvankelijk aangevraagde waren „in algemene zin als ruimere categorie, daar deze soorten waren beperkt zijn tot de waren die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de videobingospellen voor spelautomaten in casino’s en speelhallen”. Daarom moeten deze enige vordering en derhalve het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
16
Voor het overige betwisten het BHIM en interveniënte dat de kamer van beroep artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden.
17
Volgens artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur ambtshalve, de hoofdpartijen gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn.
18
In casu acht het Gerecht zich, mede dankzij de antwoorden van verzoekster en interveniënte op een schriftelijke vraag van het Gerecht over de ontvankelijkheid van het beroep, voldoende geïnformeerd door de processtukken en besluit het om uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
19
Met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen door het BHIM moet eraan worden herinnerd dat artikel 65, lid 2, van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat het Gerecht een beslissing van een kamer van beroep van het BHIM alleen kan vernietigen of herzien „wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag, van deze verordening of een uitvoeringsregeling daarvan, of wegens misbruik van bevoegdheid”. Gelet op artikel 76 van deze verordening moet deze toetsing van de rechtmatigheid gebeuren met inachtneming van het feitelijke en het juridische kader van het geschil zoals dat voor de kamer van beroep is gebracht. Daaruit volgt dat het Gerecht de beslissing die het voorwerp van het beroep vormt, slechts kan vernietigen of herzien indien de beslissing op het moment dat zij werd genomen, gebrekkig was wegens één van deze vernietigings‑ of herzieningsgronden. Daarentegen kan het Gerecht deze beslissing niet vernietigen of herzien op gronden die na de vaststelling ervan aan het licht komen [zie in die zin arrest van T‑458/0520 november 2007, Tegometall International/BHIM – Wuppermann (TEK), , Jurispr., EU:T:2007:349, punten 19 en 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
20
Bovendien vereist artikel 26, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 dat „[d]e aanvrage om een gemeenschapsmerk moet bevatten [...] een opgave van de waren [...] waarvoor de aanvrage wordt ingediend”, maar bepaalt artikel 43, lid 1, van die verordening dat „[d]e aanvrager [...] te allen tijde zijn aanvrage om een gemeenschapsmerk [kan] intrekken of de daarin opgenomen opgave van de waren [...] beperken”.
21
In het verzoekschrift voor het Gerecht – dus na de vaststelling van de bestreden beslissing – heeft verzoekster de opgave gewijzigd van de waren waarvoor zij een gemeenschapsmerk had aangevraagd en hun kenmerken nader bepaald, met name hun bestemming in de zin dat zij „uitsluitend [zouden] zien op videobingospellen voor spelautomaten in casino’s en speelhallen”.
22
Het Gerecht heeft, in het kader van een gemeenschapsmerkaanvraag voor meerdere waren, een verklaring van de merkaanvrager voor het Gerecht, en dus na de beslissing van de kamer van beroep, waarbij de aanvrager zijn aanvraag enkel introk voor bepaalde waren waarop de oorspronkelijke aanvraag betrekking had, in het verleden reeds geïnterpreteerd als een verklaring dat de bestreden beslissing enkel werd aangevochten voor zover zij de overige aangevraagde waren betrof, of als een gedeeltelijke afstand wanneer een dergelijke verklaring in een vergevorderd stadium van de procedure voor het Gerecht was afgegeven. Indien de merkaanvrager met zijn beperking van de opgave van de waren waarop de gemeenschapsmerkaanvraag betrekking heeft, echter niet beoogt een of meerdere waren uit deze opgave terug te trekken, doch een kenmerk van deze waren te wijzigen, zoals hun bestemming of beschrijving, valt evenwel niet uit te sluiten dat deze wijziging invloed kan hebben op het onderzoek van het gemeenschapsmerk dat de instanties van het BHIM tijdens de administratieve procedure verrichten. In deze omstandigheden zou het aanvaarden van deze wijziging in het stadium van het beroep voor het Gerecht betekenen dat het voorwerp van het geschil in de loop van de procedure wordt gewijzigd, in strijd met artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering. Een dergelijke wijziging kan dus geen weerslag hebben op de rechtmatigheid van de bestreden beslissing noch door het Gerecht in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de gegrondheid van het beroep [zie in die zin arresten TEK, punt 19 supra, EU:T:2007:349, punten 23‑25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 20 februari 2013, Caventa/BHIM – Anson’s Herrenhaus (B BERG), T‑631/11, EU:T:2013:85, punten 22‑25].
23
In casu blijkt duidelijk uit zowel de enige vordering tot vernietiging als uit de middelen ter ondersteuning daarvan in het verzoekschrift dat verzoekster geen van de waren die het voorwerp waren van haar gemeenschapsmerkaanvraag terugtrekt, maar enkel hun bestemming nader bepaalt, in die zin dat zij „uitsluitend zien op videobingospellen voor spelautomaten in casino’s en speelhallen”. Zoals het BHIM terecht stelt, bevestigt verzoekster zelf in punt 16 van het verzoekschrift dat zij niet meer voornemens is bescherming aan te vragen voor de aangeduide waren „in het algemeen als ruimere categorie”, maar enkel voor zover zij deze bijzondere bestemming hebben. Bovendien verzoekt verzoekster het Gerecht uitdrukkelijk rekening te houden met deze nadere bepaling die in de loop van de procedure is geformuleerd en ziet op de bestemming van de betrokken waren met het oog op hun vergelijking uit hoofde van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 om daaruit te concluderen dat zij niet overeenstemmen.
24
Vastgesteld dient te worden, in de eerste plaats, dat een dergelijke in de loop van de procedure geformuleerde nadere bepaling van de kenmerken en met name de bestemming van de betrokken waren in het licht van de in punt 22 supra aangehaalde rechtspraak een wijziging is van het feitelijke kader van het geschil zoals aangebracht bij de kamer van beroep dat het voorwerp was van de bestreden beslissing, voor zover daardoor alle andere bestemmingen van deze waren die bij de vergelijking van de waren een rol konden hebben gespeeld, buiten beschouwing worden gelaten. Zoals verzoekster zelf stelt, met name in de punten 50 tot en met 60 van het verzoekschrift, volgt daaruit dat deze wijziging gevolgen kan hebben voor het onderzoek dat de kamer van beroep had kunnen doen naar, met name, de overeenstemming van de betrokken waren, en dus wijzigt zij noodzakelijkerwijs het voorwerp van het geschil zoals dat voor het Gerecht is gebracht. In de tweede plaats, nu deze vordering tot gedeeltelijke vernietiging en het betoog ter onderbouwing ervan slechts de rechtmatigheid van de bestreden beslissing betwisten onder de enkele voorwaarde dat het Gerecht rekening houdt met deze wijziging van het voorwerp van het geschil, die door artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering wordt verboden, kan zij niet worden toegewezen.
25
Verzoekster kan met haar beroep namelijk geen gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing verkrijgen op grond dat deze stoelt op een beoordeling – door de kamer van beroep niet verricht – van gevaar van verwarring tussen de conflicterende merken met inbegrip van waren met een specifieke bestemming waarover de kamer van beroep niet om een uitspraak was verzocht. Integendeel, zoals het BHIM terecht stelt, was de kamer van beroep in het kader van de vergelijking van de betrokken waren gehouden na te gaan of het geheel van de potentiële bestemmingen van deze waren leidde tot de slotsom dat zij soortgelijk of zelfs gelijk waren. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat bij de beoordeling van de soortgelijkheid van de betrokken waren rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren die de verhouding tussen deze waren kenmerken. Dat zijn onder meer de aard, de bestemming en het gebruik ervan, maar ook het concurrerend dan wel complementair karakter ervan (zie in die zin en naar analogie arrest van 29 september 1998, Canon,C‑39/97, Jurispr., EU:C:1998:442, punt 23). Bovendien is voor de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 slechts sprake van verwarringsgevaar indien de conflicterende merken gelijk zijn of overeenstemmen en de waren of diensten waarop zij betrekking hebben, dezelfde of soortgelijk zijn. Dit zijn cumulatieve voorwaarden [arresten van 13 september 2007, Il Ponte Finanziaria/BHIM,C‑234/06 P, Jurispr., EU:C:2007:514, punt 48, en van 22 januari 2009, Commercy/BHIM – easyGroup IP Licensing (easyHotel), T‑316/07, Jurispr., EU:T:2009:14, punt 42]. In casu is het juist de vergelijking van de waren met hun algemene en uiteenlopende kenmerken zoals aanvankelijk aangevraagd – en niet zoals a posteriori gespecificeerd – die de kamer van beroep ertoe heeft gebracht te concluderen dat er een gevaar voor verwarring tussen de conflicterende merken is. Anders dan in een geval waarin een verzoeker uit zijn gemeenschapsmerkaanvraag bepaalde waren in geschil terugtrekt waarvoor hij aanvankelijk inschrijving van een gemeenschapsmerk had aangevraagd, was de aanvraag van verzoekster in casu onderworpen aan een volledige beoordeling als één geheel door de kamer van beroep in de bestreden beslissing, die niet gedeeltelijk kan worden vernietigd. In dat verband kan het enkele feit dat verzoekster voor de instanties van het BHIM heeft aangevoerd – zoals zij in haar antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht heeft onderstreept – dat haar bedrijvigheid enkel zag op het gebruik van spel- of speelautomaten in casino’s of speelhallen, niet afdoen aan deze beoordeling, aangezien de waren die het voorwerp waren van haar aanvankelijke gemeenschapsmerkaanvraag, door deze aanvraag bestreken werden op basis van hun ruime betekenis en bestemming.
26
Tot slot moet worden onderstreept dat verzoekster niet verzoekt, zelfs niet subsidiair, om vernietiging van de bestreden beslissing in haar geheel, voor zover daarin is vastgesteld dat er een gevaar voor verwarring bestaat tussen de conflicterende merken met betrekking tot de in punt 3 supra genoemde waren. Gelet op de beperking van de bestemming van deze waren in het verzoekschrift verzoekt zij integendeel uitdrukkelijk om gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing voor zover daarbij de inschrijving van het aangevraagde merk voor dezelfde waren wordt geweigerd in zoverre zij „uitsluitend zien op videobingospellen voor spelautomaten in casino’s en speelhallen”. Onder deze omstandigheden kan het Gerecht, anders dan in de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het arrest TEK, punt 19 supra (EU:T:2007:349, punten 27 en 28), rekening houdend met de eenduidige strekking van de vordering tot vernietiging, zoals herhaald in het antwoord van verzoekster op de schriftelijke vraag van het Gerecht, en de duidelijke en nauwkeurige middelen die in het verzoekschrift en dit antwoord ter onderbouwing daarvan zijn aangevoerd, in casu geen rekening houden met de opgave van de waren in de aanvankelijke gemeenschapsmerkaanvraag van verzoekster om zich op het onderhavige beroep uit te spreken.
27
Hieruit volgt dat de enige vordering tot vernietiging en derhalve het verzoek om hervorming strekkende tot toewijzing van de aanvraag tot inschrijving van het merk voor de betrokken waren, zoals gewijzigd, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
28
Dientengevolge moet het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
29
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
30
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het BHIM en interveniënte te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Vierde kamer)
beschikt:
1)
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2)
International Gaming Projects Ltd wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 11 maart 2016.
De griffier
E. Coulon
De president
M. Prek
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy