22.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 305/7
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Universal Music International Holding BV/Michael Tétreault Schilling, Irwin Schwartz, Josef Brož
(Zaak C-12/15) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Bijzondere bevoegdheden - Artikel 5, punt 3 - Verbintenissen uit onrechtmatige daad - Schadebrengend feit - Nalatigheid van de advocaat bij het opstellen van een overeenkomst - Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan])
(2016/C 305/10)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Universal Music International Holding BV
Verwerende partijen: Michael Tétreault Schilling, Irwin Schwartz, Josef Brož
Dictum
1)
Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, als „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet kan worden aangemerkt, bij gebreke van andere aanknopingspunten, de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden wanneer die schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de verzoeker en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat.
2)
Het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, moet in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid krachtens verordening nr. 44/2001 alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder.
(1) PB C 89 van 16.3.2015.
Full & Egal Universal Law Academy