8.8.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/10
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias — Griekenland) — Kapnoviomichania Karelia AE/Ypourgos Oikonomikon
(Zaak C-81/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Algemene accijnsregeling - Richtlijn 92/12/EEG - Tabaksfabricaten die zich in het verkeer bevinden onder schorsing van accijns - Aansprakelijkheid van de erkende entrepothouder - Mogelijkheid voor de lidstaten om de erkende entrepothouder hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de financiële sancties die aan de smokkelaars zijn opgelegd - Beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid))
(2016/C 287/12)
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Symvoulio tis Epikrateias
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kapnoviomichania Karelia AE
Verwerende partij: Ypourgos Oikonomikon
Dictum
Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/108/EEG van de Raad van 14 december 1992, gelezen in het licht van de algemene beginselen van het Unierecht, met name de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling — als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke met name de eigenaars van goederen die zich onder schorsing van accijns bevinden, hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden verklaard voor de betaling van de financiële sancties op overtredingen die worden begaan tijdens het verkeer van die goederen, indien tussen hen en de overtreders een contractuele band bestaat op grond waarvan deze laatsten voor hen als lasthebbers optreden — uit hoofde waarvan de erkende entrepothouder hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van die bedragen zonder dat hij zich van die aansprakelijkheid kan bevrijden door het bewijs te leveren dat hij op geen enkele wijze op de hoogte was van de handelingen van de overtreders, en ook al was hij naar nationaal recht niet de eigenaar van die goederen op het ogenblik waarop de overtreding werd begaan, en bestond er tussen hem en de overtreders geen contractuele band op grond waarvan zij optraden als zijn lasthebbers.
(1) PB C 138 van 27.4.2015.
Full & Egal Universal Law Academy