2.5.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 156/17
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 maart 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — K. Ruijssenaars, A. Jansen (C-145/15), J. H. Dees-Erf (C-146/15)/Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
(Gevoegde zaken C-145/15 en C-146/15) (1)
((Luchtvervoer - Verordening (EG) nr. 261/2004 - Artikel 7 - Compensatie voor passagiers in geval van annulering of van meer dan drie uur vertraging van een vlucht - Artikel 16 - Nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de verordening - Bevoegdheid - Handhavend optreden tegen de luchtvaartmaatschappij opdat deze de aan een passagier verschuldigde compensatie betaalt))
(2016/C 156/24)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: K. Ruijssenaars, A. Jansen (C-145/15), J. H. Dees-Erf (C-146/15)
Verwerende partij: Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
in tegenwoordigheid van: Royal Air Maroc SA (C-145/15), Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV (C-146/15)
Dictum
Artikel 16 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, moet in die zin worden uitgelegd dat de door elke lidstaat overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen instantie, waarbij door een passagier een individuele klacht is ingediend na de weigering van een luchtvaartmaatschappij om hem de in artikel 7, lid 1, van die verordening bedoelde compensatie te betalen, niet verplicht is handhavend op te treden tegen die luchtvaartmaatschappij om haar ertoe te bewegen die compensatie te betalen.
(1) PB C 198 van 15.6.2015.
Full & Egal Universal Law Academy