26.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 350/7
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 28 juli 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Prešov — Slowakije) — Milena Tomášová/Slovenská republika — Ministerstvo spravodlivosti SR, Pohotovosť s.r.o.
(Zaak C-168/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Bescherming van de consument - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Kredietovereenkomst waarin een oneerlijk beding is opgenomen - Gedwongen tenuitvoerlegging van een op grond van dat beding gewezen arbitraal vonnis - Aansprakelijkheid van een lidstaat voor schade die particulieren lijden ten gevolge van aan een nationale rechterlijke instantie toerekenbare schendingen van het Unierecht - Voorwaarden voor die aansprakelijkheid - Voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht))
(2016/C 350/09)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Okresný súd Prešov
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Milena Tomášová
Verwerende partijen: Slovenská republika — Ministerstvo spravodlivosti SR, Pohotovosť s.r.o.
In tegenwoordigheid van: Združenie na ochranu občana spotrebiteľa HOOS
Dictum
1)
Een lidstaat kan slechts aansprakelijk worden gesteld voor schade die particulieren lijden ten gevolge van het feit dat een beslissing van een nationale rechterlijke instantie het Unierecht schendt, wanneer die beslissing is gewezen door een rechterlijke instantie van die lidstaat die uitspraak doet in laatste aanleg. Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of dat in het hoofdgeding het geval is. Zo ja, dan kan een beslissing van die in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie slechts een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht opleveren, die tot die aansprakelijkheid kan leiden, wanneer de rechterlijke instantie in kwestie met die beslissing kennelijk is voorbijgegaan aan het toepasselijke recht of wanneer zij die schending begaat hoewel dienaangaande vaste rechtspraak van het Hof bestaat.
Een nationale rechterlijke instantie die, vóór het arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM (C-243/08, EU:C:2009:350), in het kader van een procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis houdende toewijzing van een verzoek om veroordeling tot betaling van schuldvorderingen uit hoofde van een contractueel beding dat als oneerlijk moet worden aangemerkt in de zin van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, heeft nagelaten ambtshalve te beoordelen of dat beding oneerlijk was, hoewel zij beschikte over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, kan niet worden geacht kennelijk te zijn voorbijgegaan aan de desbetreffende rechtspraak van het Hof en zich bijgevolg schuldig te hebben gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht.
2)
De regels voor de vergoeding van schade die het gevolg is van een schending van het Unierecht, zoals de regels betreffende de raming van een dergelijke schade of de verhouding tussen een vordering tot vergoeding van die schade en andere rechtsmiddelen waarin eventueel is voorzien, worden bepaald door het nationale recht van de lidstaten met eerbiediging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
(1) PB C 245 van 27.7.2015.
Full & Egal Universal Law Academy