13.2.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 46/4
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 15 december 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije — Slovenië) — Drago Nemec/Republika Slovenija
(Zaak C-256/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2000/35/EG - Bestrijding van betalingsachterstand - Bevoegdheid van het Hof - Transactie gesloten vóór de toetreding van de Republiek Slovenië tot de Europese Unie - Toepassingsgebied - Begrip „handelstransactie” - Begrip „onderneming” - Maximumbedrag van de vertragingsrente))
(2017/C 046/05)
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Vrhovno sodišče Republike Slovenije
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Drago Nemec
Verwerende partij: Republika Slovenija
Dictum
1)
Artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, moet aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een vergunning bezit voor de uitoefening van een activiteit als zelfstandig ambachtsman, moet worden beschouwd als „onderneming” in de zin van die bepaling, en de door hem gesloten transactie als een „handelstransactie” in de zin van diezelfde bepaling, indien die transactie weliswaar niet valt onder de activiteit waarvoor die vergunning is afgegeven, maar — het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit gelet op alle betrokken omstandigheden te beoordelen — wordt verricht in de uitoefening van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit.
2)
Richtlijn 2000/35 moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als artikel 376 van de Obligacijski zakonik (verbintenissenwetboek), op grond waarvan vervallen maar niet betaalde vertragingsrente niet langer doorloopt wanneer het bedrag ervan het bedrag van de hoofdsom heeft bereikt.
(1) PB C 302 van 14.9.2015.
Full & Egal Universal Law Academy