27.2.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 63/2
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 januari 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove — Slowakije) — Strafzaak tegen Jozef Grundza
(Zaak C-289/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2008/909/JBZ - Artikel 7 - Voorwaarde van dubbele strafbaarheid - Artikel 9 - Aan het ontbreken van dubbele strafbaarheid ontleende grond tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging - Onderdaan van de tenuitvoerleggingsstaat die in de beslissingsstaat is veroordeeld wegens het niet naleven van een beslissing van een overheidsinstantie))
(2017/C 063/03)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Krajský súd v Prešove
Partij in de strafzaak
Jozef Grundza
in tegenwoordigheid van: Krajská prokuratúra Prešov
Dictum
Artikel 7, lid 3, en artikel 9, lid 1, onder d), van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 dienen aldus worden uitgelegd dat, in een situatie als in het hoofdgeding, moet worden aangenomen dat aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid is voldaan wanneer de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat uitgesproken vonnis, als zodanig ook op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft, indien zij op dat grondgebied zouden hebben plaatsgevonden.
(1) PB C 294 van 7.9.2015.
Full & Egal Universal Law Academy