19.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 343/7
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 20 juli 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Wien — Oostenrijk) — Hans Maschek/Magistratsdirektion der Stadt Wien — Personalstelle Wiener Stadtwerke
(Zaak C-341/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2003/88/EG - Artikel 7 - Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon - Pensionering op verzoek van de betrokkene - Werknemer die vóór het einde van zijn dienstverband nog recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon - Nationale regeling tot uitsluiting van een financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon - Ziekteverlof - Ambtenaren))
(2016/C 343/10)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Wien
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Hans Maschek
Verwerende partij: Magistratsdirektion der Stadt Wien — Personalstelle Wiener Stadtwerke
Dictum
Artikel 7, lid2, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, dient aldus te worden uitgelegd dat:
—
het in de weg staat aan een nationale regeling als die in het hoofgeding, die een werknemer het recht op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon ontneemt, als zijn dienstverband is beëindigd na zijn verzoek om pensionering en hij zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet heeft kunnen uitputten vóór het einde van het dienstverband;
—
een werknemer, bij zijn pensionering, recht heeft op een financiële vergoeding voor de wegens ziekteverlof niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon;
—
een werknemer waarvan het dienstverband is beëindigd, en die krachtens een overeenkomst met zijn werkgever zijn salaris behoudt terwijl hij zich niet naar zijn arbeidsplaats mag begeven tijdens een welbepaalde periode die aan zijn pensionering voorafgaat, geen recht heeft op een financiële vergoeding voor het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon die hij tijdens die periode niet heeft opgenomen, tenzij hij wegens ziekte zijn recht niet heeft kunnen uitputten;
—
het enerzijds aan de lidstaten staat om te beslissen of zij bijkomende jaarlijkse vakantie met behoud van loon aan de werknemers toekennen, bovenop de in artikel 7 van richtlijn 2003/88 voorziene minimumduur van vier weken. Zij kunnen in die hypothese voor de werknemer voorzien in een aanspraak op een financiële vergoeding voor die aanvullende periode, indien hij deze aanvullende jaarlijkse vakantie met behoud van loon vóór het einde van zijn dienstverband wegens ziekte niet volledig heeft kunnen opnemen. Anderzijds dienen de lidstaten de voorwaarden van een dergelijke toekenning vast te leggen.
(1) PB C 346 van 19.10.2015.
Full & Egal Universal Law Academy