31.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 249/5
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 1 juni 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hessische Finanzgericht — Duitsland) — Wallenborn Transports SA/Hauptzollamt Gießen
(Zaak C-571/15) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Regeling extern douanevervoer - Vervoer van goederen via een vrijhaven in een lidstaat - Wetgeving van de betrokken lidstaat die vrijhavens uitsluit van het nationaal fiscaal grondgebied - Onttrekking aan het douanetoezicht - Ontstaan van een douaneschuld en verschuldigd worden van de btw])
(2017/C 249/07)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Hessisches Finanzgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Wallenborn Transports SA
Verwerende partij: Hauptzollamt Gießen
Dictum
1)
Artikel 61, eerste alinea, en artikel 71, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/75/EG van de Raad van 20 december 2007, moeten aldus worden uitgelegd dat de verwijzing naar „een van de in [artikel 156 daarvan] bedoelde regelingen of situaties” de vrije zones omvat.
2)
Artikel 71, lid 1, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/75, moet aldus worden uitgelegd dat de onttrekking van een goed aan het douanetoezicht binnen een vrije zone niet leidt tot het plaatsvinden van het belastbare feit en het verschuldigd worden van de belasting over de toegevoegde waarde bij invoer indien dit goed niet in het economische circuit van de Europese Unie is gebracht, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld.
3)
Artikel 71, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/75, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een douaneschuld ontstaat krachtens artikel 203 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006, en, op grond van de omstandigheden van het hoofdgeding, is uitgesloten dat deze schuld het ontstaan van een schuld inzake belasting over de toegevoegde waarde tot gevolg heeft, artikel 204 van deze verordening niet hoeft te worden toegepast met het enkele doel de intreding van het belastbare feit van deze belasting te rechtvaardigen.
(1) PB C 90 van 7.3.2016.
Full & Egal Universal Law Academy