18.4.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 121/6
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 2 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal administratif de Melun — Frankrijk) — Glencore Céréales France/Etablissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer)
(Zaak C-584/15) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie - Artikel 3 - Verordening (EEG) nr. 3665/87 - Artikel 11 - Terugvordering van een ten onrechte toegekende uitvoerrestitutie - Verordening (EEG) nr. 3002/92 - Artikel 5 bis - Ten onrechte vrijgegeven zekerheid - Verschuldigde rente - Verjaringstermijn - Aanvang van de termijn - Stuiting van de termijn - Uiterste termijn - Langere termijn - Toepasselijkheid])
(2017/C 121/07)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal administratif de Melun
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Glencore Céréales France
Verwerende partij: Etablissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer)
Dictum
1)
Artikel 3, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling voorziene verjaringstermijn van toepassing is op de invordering van renteschulden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, die verschuldigd zijn op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 495/97 van de Commissie van 18 maart 1997, en op grond van artikel 5 bis van verordening (EEG) nr. 3002/92 van de Commissie van 16 oktober 1992 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van producten uit interventie, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 770/96 van de Commissie van 26 april 1996.
2)
Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een marktdeelnemer debiteur is van renteschulden als aan de orde in het hoofdgeding, geen „voortdurende of voortgezette onregelmatigheid” vormt in de zin van die bepaling. Dergelijke schuldvorderingen moeten worden geacht voort te vloeien uit dezelfde onregelmatigheid, in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2988/95, als die welke aanleiding gaf tot de terugvordering van de wederrechtelijk ontvangen steunbedragen die de hoofdvordering vormen.
3)
Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van renteschulden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de in dit artikel 3, lid 1, eerste alinea, voorziene verjaringstermijn aanvangt op de datum waarop de onregelmatigheid is begaan die aanleiding geeft tot terugvordering van de onverschuldigde steunbedragen waarover deze rente wordt berekend, dat wil zeggen op de datum van het constitutieve element van die onregelmatigheid — te weten ofwel de datum van het handelen of nalaten, ofwel die van de benadeling — dat het laatst voorvalt.
4)
Artikel 3, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat, wat een vervolging betreft waarbij administratieve maatregelen worden getroffen die strekken tot de invordering van rente als aan de orde in het hoofdgeding, de verjaring intreedt bij de afloop van de in dit artikel 3, lid 1, vierde alinea, voorziene termijn, wanneer de bevoegde autoriteit, hoewel zij binnen die termijn wel om terugbetaling heeft verzocht van de door de betrokken marktdeelnemer wederrechtelijk ontvangen steunbedragen, geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot deze rente.
5)
Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat een in het nationale recht voorziene verjaringstermijn die langer is dan die welke is voorzien in artikel 3, lid 1, van deze verordening, in een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding kan worden toegepast met betrekking tot de invordering van schuldvorderingen die zijn ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding van die termijn en die nog niet met toepassing van laatstgenoemde bepaling zijn verjaard.
(1) PB C 38 van 1.2.2016.
Full & Egal Universal Law Academy