24.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 239/7
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vilniaus apygardos administracinis teismas — Litouwen) — UAB „Litdana”/Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
(Zaak C-624/15) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 314 - Winstmargeregeling - Toepassingsvoorwaarden - Weigering door de nationale belastingautoriteiten om een belastingplichtige gebruik van de winstmargeregeling toe te staan - Op de facturen opgenomen vermeldingen inzake de toepassing door de leverancier van de winstmargeregeling en de btw-vrijstelling - Niet-toepassing door de leverancier van de winstmargeregeling op de levering - Aanwijzingen die het bestaan doen vermoeden van fraude bij de levering])
(2017/C 239/09)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Vilniaus apygardos administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: UAB „Litdana”
Verwerende partij: Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
In tegenwoordigheid van: Klaipėdos apskrities valstybinė mokesčių inspekcija
Dictum
Artikel 314 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een belastingplichtige die een factuur heeft ontvangen waarop zowel melding wordt gemaakt van de winstmargeregeling als van de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw), het recht weigeren om de winstmargeregeling toe te passen, ook indien uit een later door die autoriteiten uitgevoerde controle blijkt dat de belastingplichtige wederverkoper die de gebruikte goederen heeft geleverd, deze regeling niet daadwerkelijk op die levering van die goederen heeft toegepast, tenzij door de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet te goeder trouw heeft gehandeld of niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft genomen om te zorgen dat hij door de handeling die hij verrichtte, niet betrokken raakt bij belastingfraude, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
(1) PB C 48 van 8.2.2016.
Full & Egal Universal Law Academy