22.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/3
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 29 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Darmstadt — Duitsland) — Furkan Tekdemir, wettelijk vertegenwoordigd door Derya Tekdemir en Nedim Tekdemir/Kreis Bergstraße
(Zaak C-652/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Turkije - Besluit nr. 1/80 - Artikel 13 - Standstillbepaling - Verblijfsrecht van gezinsleden van een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort - Mogelijk bestaan van een dwingende reden van algemeen belang die nieuwe beperkingen rechtvaardigt - Efficiënt beheer van de migratiestromen - Verplichting voor staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om een verblijfsvergunning te bezitten - Evenredigheid))
(2017/C 161/03)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Darmstadt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Furkan Tekdemir, wettelijk vertegenwoordigd door Derya Tekdemir en Nedim Tekdemir
Verwerende partij: Kreis Bergstraße
Dictum
Artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat gevoegd is bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, moet aldus worden uitgelegd dat het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die als rechtvaardiging kan dienen voor een na de inwerkingtreding van dat besluit in de betrokken lidstaat ingevoerde nationale maatregel waarbij aan staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om die lidstaat te mogen binnenkomen en er te verblijven, de verplichting wordt opgelegd een verblijfsvergunning te bezitten.
Een dergelijke maatregel is evenwel niet evenredig aan het nagestreefde doel, wanneer de regels voor de uitvoering ervan met betrekking tot kinderen die staatsburger van een derde land zijn, in de betrokken lidstaat zijn geboren en van wie één van de ouders een Turkse werknemer is die in die lidstaat rechtmatig verblijft, zoals verzoeker in het hoofdgeding, verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
(1) PB C 118 van 4.4.2016.
Full & Egal Universal Law Academy