1.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/20
Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 25 september 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Amsterdam — Nederland) — Openbaar Ministerie/A.
(Zaak C-463/15 PPU) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel - Artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1 - Voorwaarden voor tenuitvoerlegging - Nationaal strafrecht dat voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, naast de dubbele strafbaarheid, als voorwaarde stelt dat het strafbare feit volgens het recht van de uitvoerende lidstaat wordt bestraft met een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of straf met een maximum van ten minste twaalf maanden))
(2016/C 038/29)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Openbaar Ministerie
Verwerende partij: A.
Dictum
De artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat voor de overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat niet alleen de voorwaarde wordt gesteld dat het feit waarvoor dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd strafbaar is naar het recht van die lidstaat, maar ook dat dit feit volgens het recht van deze uitvoerende lidstaat kan worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.
(1) PB C 363 van 3.11.2015.
Full & Egal Universal Law Academy