CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 28 januari 2016 ( 1 )
Zaak C‑96/15
Saint Louis Sucre, rechtsopvolger van Saint Louis Sucre SNC
tegen
Directeur général des douanes et droits indirects
[verzoek van het Tribunal de grande instance de Nanterre (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Productieheffingen in de sector suiker — Berekeningswijze — Overboeking van voorraden aan het eind van het verkoopseizoen — Behandeling van de voorraden bij afschaffing van de productieheffingen — Recht op terugbetaling — Ongerechtvaardigde verrijking — Vrijheid van ondernemerschap”
1.
Het Hof heeft reeds bij eerdere gelegenheden – met name in zijn uitspraken in de zaken Jülich I ( 2 ) en Jülich II ( 3 ) – uitlegging gegeven aan de ingewikkelde regels voor de berekening van de productieheffingen die bedoeld zijn om in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker uitvoerrestituties te financieren voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006. Gedurende deze verkoopseizoenen mochten de producenten ( 4 ) een bepaalde hoeveelheid van hun voorraad overdragen naar het volgende jaar. Met ingang van het verkoopseizoen 2006/2007, dat op 1 juli 2006 begon, werd de gemeenschappelijke marktordening hervormd en werd de rechtstreekse samenhang tussen de financiering van uitvoerrestituties en heffingen op de productie verbroken. In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing vraagt het Tribunal de grande instance de Nanterre (arrondissementsrechtbank te Nanterre, Frankrijk) het Hof te bepalen hoe de productieheffingen moeten worden toegepast op de voorraden die op 30 juni 2006 werden aangehouden, een vraagstuk dat noch in de zaak Jülich I noch in de zaak Jülich II aan de orde was.
Toepasselijke bepalingen
Overzicht
2.
De gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt werd in 1967 ( 5 ) ingesteld en sindsdien herhaaldelijk aangepast, gewijzigd en hervormd, vóór het tijdstip van de feiten van de onderhavige zaak laatstelijk bij verordening 1785/81 ( 6 ) en verordening 2038/99 ( 7 ).
3.
De gemeenschappelijke marktordening werd ten tijde van de feiten van deze zaak geregeld bij verordening nr. 1260/2001 ( 8 ), die is vastgesteld om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen en om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeiden uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde. Krachtens de in dat kader gesloten landbouwovereenkomst moest de steun van de Gemeenschap voor de uitvoer van meer bepaald suiker waarvoor garanties in het kader van de productiequota golden, geleidelijk worden verlaagd, en dit zowel in termen van de hoeveelheid waarvoor steun werd verleend als van het niveau van de steun, gedurende een overgangsperiode die zich uitstrekte over de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006. ( 9 )
4.
In grote lijnen voorziet de bij die verordening vastgestelde regeling in de indeling in drie productcategorieën, die bekend staan als A-, B‑ en C‑suiker. Onder A‑suiker was te verstaan suiker die binnen de limiet van een quotum werd geproduceerd dat in beginsel overeenkwam met de vraag op de interne markt. B‑suiker viel onder een aanvullend quotum. De binnen het A‑ en het B‑quotum geproduceerde suiker kon ofwel worden afgezet op de interne markt (tegen kunstmatig hoge prijzen die door een interventiemechanisme werden gegarandeerd) of worden uitgevoerd naar derde landen, waarbij een uitvoerrestitutie werd toegekend ter compensatie van het verschil tussen de prijs op de interne markt en de duidelijk lagere prijzen op de wereldmarkt. Het restitutiestelsel voorzag in zelffinanciering door middel van een basisheffing op de productie van A‑ en B‑suiker ter hoogte van maximaal 2 % van de interventieprijs, indien nodig aangevuld door een verdere heffing (van maximaal 37,5 % van die prijs) op de productie van B‑suiker. De productie buiten die quota werd aangeduid als C‑suiker. Deze suiker mocht in het betreffende verkoopseizoen niet binnen de Gemeenschap op de markt worden gebracht, maar kon wel zonder uitkering van een uitvoerrestitutie (en zonder toepassing van een heffing) worden uitgevoerd of als voorraad worden overgedragen naar het volgende verkoopseizoen en vervolgens worden aangerekend op de aan de producent toegekende A‑ en B‑quota.
5.
Verordening nr. 314/2002 ( 10 ) bevatte gedetailleerde uitvoeringsbepalingen voor verordening nr. 1260/2001.
6.
In 2005 zag de Unie zich door een besluit van de Wereldhandelsorganisatie ( 11 ) (hierna: „WTO”) gedwongen haar uitvoer van gesubsidieerde witte suiker van voorheen gemiddeld 6,5 miljoen ton per jaar te beperken tot 1,37 miljoen ton. Daarom was een radicalere hervorming noodzakelijk. Verordeningen nr. 1260/2001 en nr. 314/2002 werden met ingang van 1 juli 2006 ingetrokken en vervangen door respectievelijk de verordeningen nr. 318/2006 ( 12 ) en nr. 952/2006 ( 13 ). Daarnaast voorzag verordening nr. 320/2006 ( 14 ) in een herstructurering van de suikerindustrie.
7.
Met het oog op de overgang naar het nieuwe stelsel werden bij verordening nr. 493/2006 ( 15 ) overgangsmaatregelen vastgesteld.
Verordening nr. 1260/2001
8.
Verordening nr. 1260/2001 bevatte onder meer de volgende overwegingen:
„(9)
De redenen waarom de Gemeenschap tot nu toe met een productiequotaregeling [...] heeft gewerkt, gelden momenteel nog altijd. In die regeling zijn evenwel wijzigingen aangebracht om [...] de Gemeenschap de nodige instrumenten te verschaffen om [er] op een rechtvaardige maar doelmatige wijze voor te zorgen dat de kosten die verbonden zijn aan de afzet van de overschotten die voortvloeien uit de omvang van de productie in de Gemeenschap in verhouding tot het verbruik, volledig door de producenten zelf worden gefinancierd [...].
[...]
(11)
De gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker stoelt enerzijds op het beginsel van volledige financiële verantwoordelijkheid van de producenten voor elk verkoopseizoen voor de verliezen die voortvloeien uit de afzet van de overschotten die de Gemeenschap in het kader van de quotaregeling ten opzichte van het interne verbruik produceert [...].
(12)
[...] Het is wenselijk de zelffinancieringsregeling met productieheffingen voor de sector en de productiequotaregeling te handhaven.
(13)
Op deze wijze wordt de financiële verantwoordelijkheid gegarandeerd door de bijdragen van de producenten die worden betaald in de vorm van een basisproductieheffing voor de volledige productie van A‑ en B‑suiker, maar die maximaal 2 % van de interventieprijs voor witte suiker bedraagt, en een B‑heffing die geldt voor de productie van B‑suiker en maximaal 37,5 % van laatstgenoemde prijs mag bedragen. [...]
[...]
(15)
De omvang van de aan elke onderneming in de suikersector toegekende productiequota kan in een bepaald verkoopseizoen leiden tot een uitvoervolume dat, verbruik, productie, invoer, voorraden en overdrachten, alsook het verwachte gemiddelde verlies via de zelffinancieringsregeling in aanmerking genomen, groter is dan in de [WTO-overeenkomst inzake de landbouw] is bepaald. Het is dan ook dienstig te bepalen dat de uit de quota resulterende garanties voor elk verkoopseizoen kunnen worden aangepast om de door de Gemeenschap aangegane verbintenissen te kunnen nakomen.”
9.
In artikel 1, lid 2, onder e) tot en met g), van verordening nr. 1260/2001 werden „A‑suiker” en „B‑suiker” gedefinieerd als elke hoeveelheid suiker die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen binnen de limiet van het A‑ respectievelijk het B‑quotum van de betrokken onderneming werd geproduceerd, terwijl onder „C‑suiker” elke hoeveelheid werd verstaan die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen werd geproduceerd en die hetzij de som van de A‑ en B‑quota van de betrokken onderneming overschreed, hetzij werd geproduceerd door een onderneming waarvoor geen quota waren bepaald.
10.
Hoofdstuk 2 van titel I („Quotaregeling”) omvatte de artikelen 10 tot en met 21. Artikel 10 bepaalt in het bijzonder:
„1. Hoofdstuk 2 is van toepassing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 t/m 2005/2006.
2. De basishoeveelheden A‑ en B‑suiker [...] zijn de in artikel 11, lid 2, vastgestelde hoeveelheden.
3. Om de verbintenissen na te komen die de Gemeenschap heeft aangegaan in het kader van de overeenkomstig artikel 300, lid 2, van het Verdrag gesloten [WTO-overeenkomst] inzake de landbouw, kunnen de afzetgaranties voor binnen de quota geproduceerde suiker [...] voor één of meer verkoopseizoenen worden verlaagd.
4. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 3, wordt vóór 1 oktober voor elk verkoopseizoen de in het kader van de quota gegarandeerde hoeveelheid vastgesteld aan de hand van een raming inzake productie, invoer, verbruik, opslag, overdrachten, uit te voeren overschot en inzake het in artikel 15, lid 1, onder d), bedoelde verwachte gemiddelde verlies dat door de zelffinancieringsregeling moet worden gedekt. Wanneer het voor het betrokken verkoopseizoen uit te voeren overschot blijkens de raming groter is dan de in de overeenkomst bepaalde maximumhoeveelheid, wordt de gegarandeerde hoeveelheid met het verschil verlaagd [...].
[...]”
11.
Overeenkomstig artikel 11 waren per lidstaat de basishoeveelheden A‑ en B‑suiker vastgelegd, die als A‑ en B‑quota werden toegekend aan de producenten. Artikel 13 bepaalde dat C‑suiker niet op de interne markt mocht worden afgezet en ofwel vóór 1 januari volgend op het einde van het betrokken verkoopseizoen in ongewijzigde staat moest worden uitgevoerd of in overeenstemming met artikel 14 moest worden overgedragen.
12.
Artikel 14, lid 1, bepaalde:
„Iedere onderneming kan besluiten de productie van suiker boven het A‑quotum geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende verkoopseizoen als de productie van dat verkoopseizoen. Dit besluit is onherroepelijk.
Iedere onderneming kan besluiten de productie van A‑ en B‑suiker die na toepassing van artikel 10, leden 3 tot en met 6, C‑suiker geworden is, geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende verkoopseizoen als productie van dat verkoopseizoen. Dit besluit is eveneens onherroepelijk. [...]” ( 16 )
13.
Met betrekking tot de berekening van de productieheffingen ter dekking van de kosten die voor de Gemeenschap met de afzet van productieoverschotten gemoeid waren, was in artikel 15, leden 1 tot en met 4, inzonderheid bepaald:
„1. Vóór het einde van elk verkoopseizoen worden geconstateerd:
a)
de verwachte hoeveelheden A‑ en B‑suiker [...] die voor het lopende verkoopseizoen worden geproduceerd;
b)
de hoeveelheden suiker [...] waarvan wordt verwacht dat zij in het lopende verkoopseizoen voor verbruik binnen de Gemeenschap zullen worden afgezet;
c)
het uit te voeren overschot, berekend door de onder a) bedoelde hoeveelheden te verminderen met de onder b) bedoelde hoeveelheden;
d)
het verwachte gemiddelde verlies of de verwachte gemiddelde opbrengst per ton suiker voor de voor het lopende verkoopseizoen na te komen uitvoerverbintenissen.
Dit gemiddelde verlies of deze gemiddelde opbrengst is gelijk aan het verschil tussen het totale bedrag van de restituties en het totale bedrag van de heffingen[ ( 17 ) ], gerelateerd aan de totale omvang van de betrokken uitvoerverbintenissen;
e)
het verwachte totale verlies of de verwachte totale opbrengst, berekend door vermenigvuldiging van het onder c) bedoelde overschot met het onder d) bedoelde gemiddelde verlies of de onder d) bedoelde gemiddelde opbrengst.
2. Vóór het einde van het verkoopseizoen 2005/2006 [...] worden cumulatief voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2005/2006 geconstateerd:
a)
het uit te voeren overschot, uitgaande van de uiteindelijke productie van A‑ en B‑suiker [...] enerzijds, en van de uiteindelijke voor verbruik binnen de Gemeenschap afgezette hoeveelheid suiker [...] anderzijds;
b)
het gemiddelde verlies of de gemiddelde opbrengst per ton suiker, resulterend uit het totaal van de betrokken uitvoerverbintenissen en vastgesteld overeenkomstig de in lid 1, onder d), tweede alinea, aangegeven berekeningsmethode;
c)
het totale verlies of de totale opbrengst, berekend door vermenigvuldiging van het onder a) bedoelde overschot met het onder b) bedoelde gemiddelde verlies of de onder b) bedoelde gemiddelde opbrengst;
d)
de totale som van de geïnde basisproductieheffingen en B‑heffingen.
Het verwachte totale verlies of de verwachte totale opbrengst als bedoeld in lid 1, onder e), wordt aangepast aan de hand van het verschil tussen de cijfers die zijn geconstateerd als bedoeld onder c) en d).
3. Wanneer de overeenkomstig lid 1 geconstateerde cijfers na aanpassing overeenkomstig lid 2 [...] wijzen op een te verwachten totaal verlies, wordt dit verlies gedeeld door de verwachte hoeveelheid A‑ en B‑suiker [...] die voor het lopende verkoopseizoen is geproduceerd. Het hieruit resulterende bedrag moet bij de fabrikanten worden geïnd als basisproductieheffing op hun productie van A‑ en B‑suiker [...].
[...]
4. Wanneer als gevolg van de limitering van de basisproductieheffing het in lid 3, eerste alinea, bedoelde totale verlies niet volledig kan worden gedekt, wordt het saldo gedeeld door de verwachte hoeveelheid B‑suiker [...] die voor het betrokken verkoopseizoen wordt geproduceerd. Het hieruit resulterende bedrag moet bij de fabrikanten worden geïnd als B‑heffing op hun productie van B‑suiker [...].
[...]”
14.
Artikel 15, lid 8, voorzag in de vaststelling van nadere voorschriften voor de berekening van de bedragen van de te innen heffingen. ( 18 )
Verordening nr. 314/2002
15.
Op basis van onder meer artikel 15, lid 8, van verordening nr. 1260/2001 heeft de Commissie verordening nr. 314/2002 vastgesteld, waarvan artikel 6, lid 4, oorspronkelijk het volgende bepaalde:
„De op grond van artikel 15, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 1260/2001 te constateren hoeveelheid wordt bepaald op basis van de som van de volgende hoeveelheden:
a)
in de Gemeenschap afgezette, voor rechtstreekse consumptie en voor consumptie na verwerking door de verwerkende industrie bestemde hoeveelheden suiker [...];
b)
gedenatureerde hoeveelheden suiker;
c)
in de vorm van verwerkte producten uit derde landen ingevoerde hoeveelheden suiker [...].
Op de in de eerste alinea bedoelde som wordt in mindering gebracht de som van de in de vorm van verwerkte producten naar derde landen uitgevoerde hoeveelheden suiker [...] en de hoeveelheden basisproducten, uitgedrukt in witte suiker, waarvoor bewijzen voor productierestituties zoals bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening [nr. 1260/2001] zijn afgegeven.” ( 19 )
16.
Die tekst werd met ingang van 1 juli 2003 vervangen bij verordening nr. 1140/2003. De gewijzigde bepaling luidde als volgt:
„De voor verbruik binnen de Gemeenschap afgezette hoeveelheid die overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder b), en lid 2, onder a), van verordening [nr. 1260/2001] moet worden geconstateerd, wordt vastgesteld op basis van de som van de hoeveelheden [...]:
a)
die aan het begin van het verkoopseizoen zijn opgeslagen,
b)
die in het kader van de A‑ en de B‑quota zijn geproduceerd,
c)
die in ongewijzigde staat zijn ingevoerd,
d)
die in ingevoerde producten zijn verwerkt.
Van de in de eerste alinea bedoelde som worden de hoeveelheden [...][ ( 20 ) ] afgetrokken,
a)
die in ongewijzigde staat zijn uitgevoerd,
b)
die in uitgevoerde producten zijn verwerkt,
c)
die aan het eind van het verkoopseizoen waren opgeslagen,
d)
waarvoor een restitutie bij de productie is verleend als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening [nr. 1260/2001].
[...]”
17.
Ter terechtzitting heeft de Commissie, onweersproken door Saint Louis Sucre, aangevoerd dat de wijziging van de bewoordingen geen wijziging van de berekeningsmethode inhield, maar slechts een verduidelijking en precisering van die methode vormde.
Verordening nr. 493/2006
18.
De Commissie heeft verordening nr. 493/2006 vastgesteld op basis van onder meer artikel 44 van verordening nr. 318/2006, dat in de mogelijkheid voorzag overgangsmaatregelen vast te stellen om de overgang van de marktsituatie in verkoopseizoen 2005/2006 naar die in 2006/2007 te vergemakkelijken, in het bijzonder door een verlaging van de hoeveelheid die binnen de quota kan worden geproduceerd.
19.
Volgens overweging 8 van verordening nr. 493/2006 moest ten behoeve van de berekening, de vaststelling en de inning van de productieheffingen voor het verkoopseizoen 2005/2006 een aantal bepalingen van met name verordening (EG) nr. 314/2002 van toepassing blijven na 30 juni 2006. Die overweging luidde voorts: „De heffingen worden berekend op basis van regelmatig bijgewerkte statistische gegevens. Aangezien het de laatste vaststelling van heffingen betreft voor de hele periode vanaf het verkoopseizoen 2001/2002 tot en met het verkoopseizoen 2005/2006, en de berekeningen, anders dan in de voorafgaande jaren, niet langer kunnen worden aangepast op basis van bijgewerkte gegevens, dienen de berekening en de vaststelling van de heffingen te worden verschoven naar 15 februari 2007 om de betrouwbaarheid van de berekeningen en de relevantie van de gebruikte statistische gegevens te kunnen garanderen.”
20.
Volgens artikel 6 van verordening nr. 493/2006 was verordening nr. 314/2002, zoals gewijzigd, derhalve van toepassing op de vaststelling en inning van productieheffingen voor het verkoopseizoen 2005/2006, alsook op de correcties van de berekening van de heffingen voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004 en 2004/2005 overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1260/2001. Volgens artikel 12, lid 3, onder a), van verordening nr. 493/2006 dienden de hoogte van de heffingen voor het verkoopseizoen 2005/2006 vóór 15 februari 2007 te worden vastgesteld.
Hervormd stelsel
21.
De hervorming van 2006 had hoofdzakelijk ten doel het concurrentievermogen te behouden door de onrendabele productiecapaciteit in te krimpen, de markten te stabiliseren, de suikervoorziening veilig te stellen en de sociaaleconomische gevolgen voor de landbouwgemeenschap in de betrokken regio’s te beperken. De belangrijkste kenmerken van de hervorming waren: beperking van de productiequota, geleidelijke prijsverlagingen, de (uiteindelijke) opheffing van de regeling inzake uitvoerrestituties en door middel van een tijdelijk herstructureringsfonds te financieren herstructurerings‑ en diversificatiemaatregelen. ( 21 )
22.
Wat de quota betreft, voorzag artikel 7 van verordening nr. 318/2006 voortaan in een niet-gedifferentieerd quotum dat gelijk was aan de som van de A‑ en B‑quota die voor het verkoopseizoen 2005/2006 aan de ondernemingen waren toegekend. Volgens artikel 8 konden ondernemingen echter ook om de toekenning van een extra quotum verzoeken (met inachtneming van een totaal maximum per lidstaat) tegen een eenmalige heffing van 730 EUR per ton.
23.
De uitvoerrestituties werden niet afgeschaft. De artikelen 32 en 33 van verordening nr. 318/2006 hadden betrekking op het toepassingsgebied en de vaststelling van de uitvoerrestituties, die voor de verkoopseizoenen 2006/2007 en 2007/2008 werden toegewezen. ( 22 ) In het jaar daarop werden zij echter geschorst ( 23 ) en sindsdien zijn er geen uitvoerrestituties meer toegekend. Net als bij artikel 14 van de in casu geldende verordening nr. 1260/2001 was het de ondernemingen volgens artikel 14 van verordening nr. 318/2006 daarnaast toegestaan hun productie boven hun suikerquotum geheel of gedeeltelijk over te boeken voor behandeling als een deel van de productie van het volgende verkoopseizoen.
24.
De nadere voorschriften voor de financiering van de uitvoerrestituties (en de gemeenschappelijke ordening van de markt als geheel) werden evenwel gewijzigd. Overweging 19 van verordening nr. 318/2006 luidde als volgt: „Er dient een productieheffing te worden ingevoerd als bijdrage in de financiering van de met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker gemoeide uitgaven.” De nieuwe heffing diende er dus toe de algemene uitgaven en niet alleen de uitvoerrestituties te bekostigen. Bijgevolg was de berekening van die heffing niet gekoppeld aan de hoogte van die restituties. De productieheffing werd bij artikel 16, lid 1, van verordening nr. 318/2006 met ingang van het verkoopseizoen 2007/2008 ingevoerd (voor 2006/2007 werd geen heffing geïnd) en bij artikel 16, lid 2, vastgesteld op 12 EUR per ton suikerquotum. Het bij verordening nr. 320/2006 ingestelde tijdelijke herstructureringsfonds werd echter onafhankelijk daarvan gefinancierd door een duidelijk hogere „tijdelijke herstructureringsheffing” waarin die verordening voorzag. ( 24 )
Verordeningen tot vaststelling van de bedragen van de heffingen voor de verkoopseizoenen 2002/2003 tot en met 2005/2006; arresten van het Hof
25.
Bij verordening nr. 164/2007 ( 25 ) werden de productieheffingen voor het verkoopseizoen 2005/2006 vastgesteld. De berekeningsmethode was dezelfde als die welke voor de voorgaande vier verkoopseizoenen was toegepast en resulteerde in een basisproductieheffing van 6,333 EUR per ton witte suiker voor A‑ en B‑suiker, hoewel (in tegenstelling tot de voorgaande jaren) geen heffing op B‑suiker nodig bleek.
26.
Vervolgens werden de verordeningen tot vaststelling van de heffingen voor de verkoopseizoenen 2002/2003 en 2003/2004 ( 26 ) op 8 mei 2008 door het Hof ongeldig verklaard in zijn arrest Jülich I, hoofdzakelijk op grond dat in die verordeningen in de noemer van de verhouding op basis waarvan voor de toepassing van artikel 15, lid 1, onder d), van verordening nr. 1260/2001 het „gemiddelde verlies per ton” kon worden berekend, alleen rekening werd gehouden met de uitvoer in het kader van de A‑ en B‑quota waarvoor daadwerkelijk restituties waren betaald, zonder dat de hoeveelheden in aanmerking werden genomen die in uitgevoerde producten waren verwerkt en waarvoor geen uitvoerrestituties waren betaald. ( 27 )
27.
Daarom heeft de Commissie verordening nr. 1193/2009 ( 28 ) vastgesteld, waarbij naast de ongeldig verklaarde verordeningen ook verordening nr. 164/2007 werd gewijzigd op basis van een herziene berekeningsmethode waardoor sommige van de betrokken productieheffingen licht werden aangepast (met als gevolg dat de in verordening nr. 164/2007 bepaalde basisheffing werd verlaagd van 6,333 EUR tot 6,133 EUR per ton witte suiker voor A‑ en B‑suiker).
28.
Op 11 december 2010 publiceerde de Commissie een mededeling „waarbij formeel wordt erkend dat een aantal wetteksten van de Unie op landbouwgebied achterhaald is” ( 29 ) en onder meer verordening nr. 164/2007 achterhaald werd verklaard op grond dat „de heffingen opnieuw werden vastgesteld bij verordening [nr.] 1193/2009”. Volgens de mededeling had deze tot gevolg dat de daarin opgesomde wetsteksten „uit het actieve acquis worden geschrapt”, terwijl het Publicatiebureau werd verzocht deze teksten uit het Repertorium van de geldende EU-wetgeving te verwijderen, hoewel er geen sprake was van een officiële intrekking ervan.
29.
Verordening nr. 1193/2009 werd echter op haar beurt bij arrest van het Hof van 27 september 2012 in de zaak Jülich II eveneens ongeldig verklaard, hoofdzakelijk op grond dat volgens de herziene berekeningsmethode van de Commissie in het „totale bedrag van de restituties” in de zin van artikel 15, lid 1, onder d), van verordening nr. 1260/2001 (de teller van de verhouding op grond waarvan het gemiddelde verlies kon worden bepaald) alle beschikbare restituties werden meegerekend, in plaats van alleen de daadwerkelijk betaalde restituties.
30.
Daarop stelde de Raad verordening nr. 1360/2013 ( 30 ) vast. In de overwegingen van die verordening werd verwezen naar de arresten van het Hof in de zaken Jülich I en Jülich II en werd in het bijzonder het volgende verklaard:
„(11)
De heffingen in de sector suiker dienen dus op het gepaste niveau te worden vastgesteld. Voor uitvoer [...] dient het ‚gemiddelde verlies’ in de zin van artikel 15, lid 1, onder d), van verordening [nr. 1260/2001] te worden berekend door de effectief betaalde restituties te delen door de uitgevoerde hoeveelheden, ongeacht of een restitutie is betaald of niet. Ook bij de berekening van het ‚uit te voeren overschot’ in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), van verordening [nr. 1260/2001] dienen alle uitgevoerde hoeveelheden in aanmerking te worden genomen, ongeacht of een restitutie is betaald of niet.
[...]
(21)
Voor het verkoopseizoen 2005/2006 levert de toepassing van de in de elfde overweging beschreven methode een basisproductieheffing van 1,2335 % op en is er geen B‑heffing nodig. Voor dat verkoopseizoen wordt het herberekende totale verlies volledig gedekt door de ontvangsten uit de basisproductieheffing en is het niet nodig de in artikel 16, lid 2, van verordening [nr. 1260/2001] bedoelde aanvullende coëfficiënt vast te stellen.
[...]”
31.
Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1360/2013 zijn de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 vastgesteld in punt 1 van de bijlage daarbij. De aldus voor het verkoopseizoen 2005/2006 vastgestelde basisheffing bedroeg 7,794 EUR per ton witte suiker; voor alle overige verkoopseizoenen bedroeg zij ongewijzigd 12,638 EUR per ton. De B‑heffing bleef ongewijzigd voor 2001/2002, 2004/2005 en 2005/2006 (in dit jaar bedroeg zij 0), terwijl de heffing voor 2002/2003 van 126,139 EUR tot 103,447 EUR per ton en voor 2003/2004 van 170,929 EUR tot 109,061 EUR per ton werd verlaagd.
Feiten, procedure en prejudiciële vragen
32.
Saint Louis Sucre is een in Frankrijk gevestigde suikerproducent, die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker viel en bijgevolg overeenkomstig verordening nr. 1260/2001 productieheffingen verschuldigd was.
33.
Krachtens het algemeen belastingwetboek van Frankrijk worden die heffingen door de Direction des douanes et droits indirects (directoraat-generaal Douane en Indirecte Belastingen; hierna: „belastingautoriteit”) in overeenstemming met de nadere voorschriften betreffende indirecte belastingen geïnd.
34.
Saint Louis Sucre stelde zich op het standpunt dat zij voor het verkoopseizoen 2005/2006 geen heffingen ter financiering van uitvoerrestituties verschuldigd was voor voorraden die bij het vervallen van de gemeenschappelijke marktordening waarop die heffingen en restituties berustten, niet waren uitgevoerd, en diende op 28 december 2008 een klacht in om terugbetaling van in totaal EUR 158982544 te verkrijgen. ( 31 ) De klacht werd door de belastingautoriteit op 30 september 2009 afgewezen.
35.
Op 19 november 2009 stelde Saint Louis Sucre tegen het afwijzende besluit beroep in bij de verwijzende rechter, waarbij zij de rechter vroeg het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de uitlegging en de geldigheid van de destijds toepasselijke wetgeving. De zaak werd op verzoek van de partijen op 6 september 2010 geschorst in afwachting van het arrest van het Hof in de zaak Jülich I. Na de uitspraken in de zaken Jülich I en Jülich II en de vaststelling van verordening nr. 1360/2013 diende Saint Louis Sucre op 5 maart 2014 conclusies in bij de verwijzende rechter.
36.
Zij stelde dat het bedrag van de gevraagde terugbetaling weliswaar op basis van verordening nr. 1360/2013 kon worden berekend, maar dat de kwestie van de terugbetaling van de heffingen op de ten tijde van het vervallen van de gemeenschappelijke marktordening niet-uitgevoerde voorraden suiker blijft bestaan, aangezien de regeling inzake productieheffingen bij verordening nr. 318/2006 is opgeheven. Zij herinnert aan de algemene doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker zoals vastgesteld bij onder meer verordening nr. 1260/2001, en met name aan het vereiste van zelffinanciering, dat niet meer van toepassing is, zodat een deel van de voldane heffingen niet is gebruikt voor de financiering van de uitvoer, maar de Unie heeft verrijkt. Op 30 juni 2006 bestond er een voorraad van 5669000 ton quotumsuiker die was geboekt als nog niet-uitgevoerd uit te voeren overschot, en voor die hoeveelheden was geen restitutie betaald.
37.
Saint-Louis Sucre wees erop dat het Hof in zijn arrest Jülich I had bevestigd dat „de hoeveelheden producten die eventueel aan het eind van het verkoopseizoen zijn opgeslagen, voor de vaststelling van het uit te voeren overschot [moeten] worden gerekend tot de niet-verbruikte hoeveelheden, hoewel daarvoor in dit stadium per hypothese geen afzetsteun werd verleend” ( 32 ), maar zich nog niet heeft uitgesproken over de gevolgen die in het onderhavige geval aan de opheffing van het stelsel moeten worden verbonden.
38.
Saint Louis Sucre is van mening dat artikel 15, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 8, van verordening nr. 1260/2001, in geval van niet-verlenging van de regeling in de terugbetaling van productieheffingen voorzag. Volgens haar was de Commissie dan ook gehouden om de in artikel 44 van verordening nr. 314/2002 bedoelde overgangsmaatregelen aldus toe te passen dat nuttige werking zou worden verleend aan artikel 15 van verordening nr. 1260/2001. Saint Louis Sucre beroept zich op het verbod op ongerechtvaardigde verrijking als algemeen beginsel van het Unierecht en betoogt dat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste opvatting door te oordelen dat zij de heffingen op de niet-uitgevoerde voorraden suiker niet hoeft terug te betalen, terwijl de daadwerkelijk uitgevoerde hoeveelheden aan het einde van het tijdvak voor de herberekening van de heffingen na het vervallen van de gemeenschappelijke marktordening bekend waren. Saint Louis Sucre stelt voorts dat de financiële beperkingen aan haar werkzaamheden als gevolg van de niet-terugbetaling van de teveel betaalde heffingen buitensporig en ontoelaatbaar zijn en haar vrijheid van ondernemen schenden.
39.
Het Tribunal de grande instance de Nanterre verzoekt het Hof derhalve om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moeten artikel 15, leden 2 en 8, van [verordening nr. 1260/2001], toegepast in het licht van de overwegingen 9 en 11 ervan en van de arresten Zuckerfabrik Jülich I en II, en de algemene [Unierechtelijke] beginselen van verbod van ongerechtvaardigde verrijking, evenredigheid en vrijheid van ondernemen, aldus worden uitgelegd dat een suikerproducent aanspraak kan maken op terugbetaling van de productieheffingen die zijn betaald voor de hoeveelheden quotumsuiker die op 30 juni 2006 nog waren opgeslagen, aangezien de regeling inzake productieheffingen niet na die datum is verlengd bij [verordening nr. 318/2006]?
2a)
Indien de vorige prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet het bedrag van de aan de producenten terug te betalen heffingen enkel worden gebaseerd op de suikerhoeveelheden die op 30 juni 2006 waren opgeslagen?
2b)
Indien de vorige prejudiciële vraag[ ( 33 ) ] ontkennend wordt beantwoord: Moet de suikerhoeveelheid die als berekeningsbasis dient voor de terugbetaling van de heffingen, worden gebaseerd op de veranderingen in de communautaire suikervoorraad tussen 1 juli 2001 en 30 juni 2006?
3)
Kan de terug te betalen heffing rechtmatig worden berekend door de in antwoord op de tweede prejudiciële vraag als uitgangspunt genomen suikervoorraad te vermenigvuldigen met het gewogen gemiddelde van de tijdens de gemeenschappelijke marktordening 2001/2006 vastgestelde ‚gemiddelde verliezen’, of moet die heffing anders worden berekend, en zo ja, op welke wijze?
4)
Indien de vorige vragen bevestigend worden beantwoord: Is [verordening nr. 164/2007] ongeldig?”
40.
Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door Saint Louis Sucre, de Belgische en de Franse regering en de Europese Commissie.
41.
In antwoord op schriftelijke vragen van het Hof hebben de genoemde partijen zich uitgelaten over de status van verordening nr. 164/2007 en over de vraag of het Hof op grond van de vierde vraag van de verwijzende rechter moet worden geacht te zijn geadieerd met een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening nr. 1360/2013. De Commissie heeft het Hof cijfermateriaal ter beschikking gesteld dat is gebruikt om de heffingen te berekenen die bij laatstgenoemde verordening zijn vastgesteld.
42.
Ter terechtzitting van 11 november 2015 zijn door Saint Louis Sucre, de Franse regering en de Commissie opmerkingen gemaakt.
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
43.
De Franse regering betoogt in de eerste plaats dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk is.
44.
Ten eerste heeft de verwijzende rechter geen redenen voor zijn verzoek om een prejudiciële beslissing aangevoerd, maar slechts opgemerkt dat hem een geschil is voorgelegd betreffende de uitlegging van een rechtshandeling van de Unie. De verwijzende rechter heeft niet getracht dat geschil te beslechten, maar heeft het Hof simpelweg om een prejudiciële beslissing over de door Saint Louis Sucre voorgestelde vragen verzocht.
45.
Ten tweede wordt in de verwijzingsbeslissing geen toereikende informatie verstrekt over de feitelijke achtergrond van het hoofdgeding en wordt deze op ontoereikende wijze onderzocht. Op grond van de arresten Jülich I en Jülich II was de Commissie verplicht de nodige maatregelen te treffen om de geconstateerde tekortkomingen van de ongeldig verklaarde verordeningen te verhelpen. De suikerproducenten zijn uiteindelijk in april 2015 terugbetaald op basis van verordening nr. 1360/2013, maar het verzoek om een prejudiciële beslissing werd in januari 2015 ingediend zonder dat was nagegaan of de vragen nog wel relevant waren na de terugbetaling.
46.
Ik ben het oneens met het betoog van de Franse regering.
47.
Volgens vaste rechtspraak rust er immers een vermoeden van relevantie op de door de nationale rechter voorgelegde vragen. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een dergelijk verzoek wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. ( 34 )
48.
Daarbij zij aangetekend dat het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, vereist dat de nationale rechter een omschrijving geeft van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Bovendien moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. ( 35 )
49.
In casu moet worden erkend dat de verwijzingsbeslissing zeer beknopt is en het Hof geen volledig beeld geeft van de in het hoofdgeding aangevoerde juridische argumenten. Wel wordt mijns inziens de juridische en feitelijke context voldoende uitvoerig uit de doeken gedaan en is de strekking van de prejudiciële vragen duidelijk. De nationale rechter moet uitspraak doen over de geldigheid van de eindberekening van de heffingen bij het vervallen van het productieheffingsstelsel op 30 juni 2006, en met name over de vraag of daarbij de op die datum aangehouden voorraden in aanmerking moesten worden genomen. Overigens hebben blijkbaar noch de Commissie noch de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, moeite gehad om op basis van de verwijzingsbeslissing een standpunt in te nemen. ( 36 )
50.
Mijns inziens is het verzoek om een prejudiciële beslissing als zodanig dan ook ontvankelijk.
Ontvankelijkheid en strekking van de vierde prejudiciële vraag
51.
De Franse regering tekent tevens specifiek bezwaar aan tegen de ontvankelijkheid van de vierde prejudiciële vraag (over de geldigheid van verordening nr. 164/2007), voor zover de verwijzende rechter niet aangeeft op welke wijze die verordening, die eerst door verordening nr. 1193/2009 en vervolgens door verordening nr. 1360/2013 is vervangen, relevant zou kunnen zijn voor het hoofdgeding.
52.
In haar aanvankelijke schriftelijke opmerkingen voerde Saint Louis Sucre aan dat verordening nr. 164/2007 ongeldig was; de Belgische regering betoogde dat zij geldig was; en de Commissie stelde dat het niet nodig was om de vierde vraag te beantwoorden omdat verordening nr. 164/2007 door het Hof in zijn arrest Jülich II ongeldig was verklaard.
53.
Vervolgens betoogden de Belgische regering en de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof dat de vierde vraag door het Hof diende te worden opgevat als een vraag betreffende de geldigheid van verordening nr. 1360/2013. Niettegenstaande haar meer algemene voorbehouden met betrekking tot de ontvankelijkheid stelde de Franse regering zich eveneens op dit standpunt; ook Saint Louis Sucre was deze mening toegedaan, met dien verstande dat de eventuele vaststelling dat verordening nr. 164/2007 ongeldig was, geen gevolgen mocht voor de restituties die reeds op grond van die verordening aan producenten waren verleend.
54.
Ik acht het derhalve noodzakelijk te onderzoeken welke status verordening nr. 164/2007 ten tijde van de feiten van het hoofdgeding had.
55.
Toen het hoofdgeding op 19 november 2009 door Saint Louis Sucre werd aangespannen, was verordening nr. 164/2007 weliswaar nog in werking, maar was zij reeds „gecorrigeerd” bij verordening nr. 1193/2009, die werd vastgesteld om uitvoering te geven aan het arrest Jülich I en die wat verordening nr. 164/2007 betreft van toepassing was vanaf 23 februari 2007. Daar verordening nr. 1193/2009 echter pas op 9 december 2009 in werking trad ( 37 ), kan worden verondersteld dat de ten tijde van de inleiding van het hoofdgeding van Saint Louis Sucre geïnde productieheffingen waren berekend op basis van de oorspronkelijke tekst van verordening nr. 164/2007. In tegenstelling tot wat de Commissie beweert, is verordening nr. 164/2007 bij arrest Jülich I niet ongeldig verklaard (die verordening was nog niet eens vastgesteld toen de verwijzingsbeslissingen in die procedure werden gegeven), maar de rechtsoverwegingen van het arrest hebben de Commissie er niettemin toe genoopt de verordening te wijzigen op basis van een correcte berekeningsmethode.
56.
De vereiste correctie werd ingevoerd bij verordening nr. 1193/2009 op basis van een gewijzigde berekeningsmethode, die vervolgens op haar beurt in het arrest Jülich II onjuist werd bevonden door het Hof, dat deze laatste verordening dientengevolge nietig heeft verklaard.
57.
Het lijkt er dus op dat de originele tekst van verordening nr. 164/2007 gedurende de gehele voor het hoofdgeding relevante periode wettelijk van kracht was, maar dat zij, zij het in de oorspronkelijke versie of zoals „gecorrigeerd” bij verordening nr. 1193/2009, als gevolg van de arresten van het Hof in de zaken Jülich I en Jülich II in elk geval ongeldig had moeten worden verklaard, aangezien zij op een berekeningsmethode was gebaseerd die inmiddels onrechtmatig is verklaard. Ik ben echter niet van mening dat de mededeling van de Commissie van 11 december 2010 ( 38 ) in dit verband van enig belang kan zijn, aangezien zij geen rechtshandeling is in de zin van artikel 288 VWEU.
58.
Indien verordening nr. 164/2007 niet kan worden toegepast, welke basis bestaat er dan wel voor een rechtmatige inning van de definitieve productieheffingen van Saint Louis Sucre voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006?
59.
Hiervoor komt alleen verordening nr. 1360/2013 in aanmerking, die op 20 december 2013 in werking trad (voordat het verzoek om een prejudiciële beslissing werd ingediend) en vanaf dezelfde data van toepassing was als de oorspronkelijke verordeningen. Hoewel verordening nr. 164/2007 noch bij die maatregel noch bij enige andere handeling is ingetrokken, kon zij niet als grondslag dienen voor de toepassing van productieheffingen, aangezien zij zowel in de oorspronkelijke versie als in de bij verordening nr. 1193/2009 gecorrigeerde versie was gebaseerd op een berekeningsmethode die door het Hof ongeldig was verklaard.
60.
Ik ben derhalve van opvatting dat elke betwisting van het bedrag van de betrokken productieheffingen uitsluitend moet worden beoordeeld op basis van de berekeningsmethoden die ten grondslag liggen aan verordening nr. 1360/2013.
61.
Ik wens niettemin van deze gelegenheid gebruik te maken om mijn bezorgdheid te uiten over de wetgevingsaanpak die de Commissie in dezen aan de dag heeft gelegd. Het is weliswaar een lovenswaardig streven om het acquis van de Unie op te ruimen, maar hierbij moet wel de nodige behoedzaamheid worden betracht. Wanneer een maatregel zijn mogelijke werking echt geheel en al heeft verloren, is intrekking ervan de beste oplossing. Indien een dergelijke maatregel in stand wordt gelaten, maar een onduidelijke status heeft door de formele erkenning dat hij achterhaald is ( 39 ), wordt twijfel gezaaid en verwarring gesticht. Dat geldt des te meer voor een maatregel als verordening nr. 164/2007, die bij de publicatie van de mededeling van de Commissie op 11 december 2010 bij lange na niet zijn gehele werking had verloren, maar de facto van kracht bleef in de bij verordening nr. 1193/2009 gecorrigeerde vorm. Ik ben van mening dat de Commissie in het belang van het Hof, maar bovenal in het belang van allen die aan het Unierecht zijn onderworpen, haar praktijk in dit opzicht dient te herzien.
Inhoudelijke beoordeling van de eerste en de vierde vraag
62.
In wezen wenst de nationale rechter met zijn eerste vraag te vernemen of verordening nr. 1260/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de producenten bij het vervallen van de bij die verordening geregelde gemeenschappelijke marktordening en met de vervanging van het „rechtvaardige maar doelmatige” zelffinancieringsstelsel (met een basisheffing en een B‑heffing ter financiering van uitvoerrestituties) door een systeem van (niet meer specifiek aan uitvoerrestituties gekoppelde) forfaitaire productieheffingen, aanspraak kunnen maken op terugbetaling van de productieheffingen die zij hebben betaald voor de hoeveelheden quotumsuiker die bij het vervallen van de gemeenschappelijke marktordening nog waren opgeslagen.
63.
De vierde vraag houdt nauw verband met de eerste voor zover daarin rechtstreeks vraagtekens worden geplaatst bij de geldigheid van verordening nr. 1360/2013, die tot vervanging strekt van verordening nr. 164/2007, waarbij de betrokken productieheffingen werden vastgesteld op basis van berekeningen waarbij de voorraden in aanmerking werden genomen die bij het vervallen van de bij verordening nr. 1260/2001 geregelde gemeenschappelijke marktordening werden aangehouden.
64.
Deze twee vragen zal ik hieronder samen behandelen. Saint Louis Sucre voert aan dat op deze vragen moet worden geantwoord dat verordening nr. 1360/2013 ongeldig is voor zover de eindvoorraden bij de berekeningen in aanmerking werden genomen, en dat de producenten derhalve recht hebben op terugbetaling. De Belgische en de Franse regering en de Commissie stellen zich op het tegenovergestelde standpunt.
65.
Om deze kwesties te kunnen beoordelen is het zinvol om zich een goed beeld te vormen van de opzet en de werking van het bij verordening nr. 1260/2001 vastgestelde zelffinancieringsstelsel en het verband ervan met respectievelijk het vroegere en het latere stelsel.
66.
Wat de algemene opzet van het stelsel betreft, komt uit de overwegingen van verordening nr. 1260/2001 naar voren dat de productieheffingen specifiek ten doel hadden de kosten van de uitvoerrestituties te dekken en dat het de bedoeling was de hoogte van die heffingen zodanig te bepalen dat dit het geval was. Uit onder meer artikel 15, leden 1 en 2, van verordening nr. 1260/2001 en artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002 blijkt echter ook dat bij de berekening ervan niet simpelweg de kosten werden opgeteld en omgeslagen over de binnen de A‑ en B‑quota geproduceerde hoeveelheden. ( 40 )
67.
In het bijzonder werden de basisheffing en de B‑heffing overeenkomstig artikel 15, leden 3 en 4, van verordening nr. 1260/2001 vastgesteld door het totale verlies voor elk seizoen te delen door de in de loop van het betrokken seizoen geproduceerde hoeveelheid A‑ en B‑suiker. Volgens artikel 15, leden 1 en 2, was het totale verlies gelijk aan het uit te voeren overschot, vermenigvuldigd met het gemiddelde verlies per ton. De onderhavige zaak heeft alleen betrekking op de berekening van het uit te voeren overschot; de berekening van het gemiddelde verlies per ton en de productiecijfers worden door Saint Louis Sucre niet betwist.
68.
Overeenkomstig artikel 15, leden 1 en 2, van verordening nr. 1260/2001 omvatte het uit te voeren overschot voor elk seizoen in wezen de binnen de A‑ en de B‑quota geproduceerde hoeveelheden, verminderd met de hoeveelheden die voor verbruik binnen de Unie werden afgezet. ( 41 )
69.
Laatstgenoemde hoeveelheden werden overeenkomstig artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002 berekend door i) de aan het begin van het betrokken seizoen aangehouden voorraden (aanvankelijke voorraden); ii) de geproduceerde hoeveelheden, en iii) de gedurende dat seizoen ingevoerde hoeveelheden bij elkaar op te tellen en door vervolgens op deze som in mindering te brengen: i) de gedurende dat seizoen uitgevoerde hoeveelheden; ii) de aan het eind van het seizoen aangehouden voorraden (eindvoorraden), en iii) de in de chemische industrie gebruikte hoeveelheden waarvoor productierestituties werden verleend.
70.
Indien de eindvoorraden bij de berekening buiten beschouwing worden gelaten, neemt de hoeveelheid die voor verbruik binnen de Unie is afgezet derhalve toe (de eindvoorraden zouden anders immers van die hoeveelheid zijn afgetrokken), terwijl het uit te voeren overschot daalt (aangezien het wordt bepaald door de voor verbruik binnen de Unie afgezette hoeveelheden af te trekken van de geproduceerde hoeveelheden). Hieruit volgt een vermindering van het totale verlies (dat wordt bepaald door vermenigvuldiging van het gemiddelde verlies met het uit te voeren overschot) en daarmee ook een verlaging van de productieheffingen (die worden bepaald door het totale verlies te delen door de geproduceerde hoeveelheden A‑ en B‑suiker).
71.
Wat het verband met het vroegere stelsel betreft, valt op te merken dat het beginsel van volledige zelffinanciering van de uitvoerrestituties door de producenten sedert de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker in 1981 van toepassing was. De bewoordingen van artikel 28 van verordening nr. 1785/81 waren vrijwel identiek aan die van artikel 15 van verordening nr. 1260/2001. ( 42 ) In dat opzicht vormde de situatie die in casu aan de orde is louter een voortzetting van de situatie die op grond van de vroegere regeling bestond. De formule voor de berekening van de hoeveelheid die voor verbruik op de interne markt wordt afgezet bleef onveranderd, maar de definitie ervan werd verduidelijkt en gepreciseerd toen artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002 bij verordening nr. 1140/2003 werd gewijzigd. ( 43 )
72.
Wat het verband met het latere stelsel betreft, zij opgemerkt dat het ten minste tot aan het einde van het verkoopseizoen 2007/2008 nodig was om de uitvoerrestituties te financieren, maar dat de vroegere methode voor de berekening van de specifiek ter dekking van de uitvoerrestituties te innen productieheffingen werd vervangen door een eenvoudige forfaitaire productieheffing die moest bijdragen aan de financiering van het stelsel als geheel (met inbegrip van eventueel toegekende uitvoerrestituties). ( 44 ) Er zij echter op gewezen dat in artikel 6 van verordening nr. 493/2006 om de in overweging 8 ervan genoemde redenen uitdrukkelijk wordt bevestigd dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1260/2001 van toepassing was op de vaststelling en inning van productieheffingen voor de gehele periode van 2001/2002 tot 2005/2006, na vaststelling van de definitieve statistische gegevens.
73.
Aangaande de in de casu aangevoerde argumenten valt te constateren dat Saint Louis Sucre niet betwist dat de eindberekeningen zijn uitgevoerd in volledige overeenstemming met de letterlijke bewoordingen van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1260/2001 en artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002 – waarin in de formule voor de berekening van het uit te voeren overschot uitdrukkelijk rekening is gehouden met de aan het eind van die periode aangehouden voorraden – en met de arresten in de zaken Jülich I en Jülich II.
74.
Saint Louis Sucre betoogt veeleer dat het met de overgang van het stelsel van uitvoerrestituties dat werd gefinancierd door de specifiek ter dekking van de uitvoerrestituties te innen productieheffingen, naar een stelsel waarbij geen sprake meer was van een dergelijk verband tussen heffingen en restituties, niet langer gerechtvaardigd was om hoeveelheden die ten tijde van de overgang waren opgeslagen, te behandelen alsof zij deel uitmaakten van het „uit te voeren overschot” dat in aanmerking kwam voor de volgens het oude stelsel te financieren restituties. De voor die hoeveelheden te betalen restituties zouden namelijk in het kader van het nieuwe stelsel worden gefinancierd. Bij de eindberekening van de heffingen in het kader van het oude stelsel moeten die hoeveelheden daarom buiten beschouwing worden gelaten. Met het oog daarop moesten artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1260/2001 en artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002 aldus worden uitgelegd dat bij de eindberekening het „uitgevoerd overschot” ten grondslag wordt gelegd in plaats van het „uit te voeren overschot”. De Commissie had overgangsmaatregelen moeten vaststellen om daarin te voorzien of had eerder gebruik moeten maken van de haar bij artikel 10 van verordening nr. 1260/2001 verleende bevoegdheid om de A‑ en de B‑quota te verlagen opdat bij het vervallen van het oude stelsel slechts minimale voorraden zouden worden aangehouden. Maar ook bij ontstentenis van dergelijke overgangsmaatregelen is het op grond van een systematische uitlegging van de wetgeving in het licht van de context en de doeleinden ervan vereist om de eindvoorraden buiten beschouwing te laten bij de berekening.
75.
In wezen houden die argumenten in dat artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002 in weerwil van de duidelijke bewoordingen ervan aldus moet worden uitgelegd dat de hoeveelheden die „aan het eind van het verkoopseizoen waren opgeslagen” aan het einde van de periode 2001/2002 tot en met 2005/2006 niet behoren te worden gerekend tot de hoeveelheden die krachtens lid 2 van dat artikel moeten worden afgetrokken, zodat voor een definitieve en scherpe afbakening wordt gezorgd tussen de financiering van het oude stelsel en die van het nieuwe.
76.
Om die bepaling te kunnen uitleggen op een wijze die in strijd is met de bewoordingen ervan, moet echter worden aangetoond dat een letterlijke uitlegging niet strookt met verordening nr. 1260/2001 of met de regeling van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker als geheel.
77.
Wat betreft de overeenstemming met verordening nr. 1260/2001, zij erop gewezen dat in artikel 15, leden 1 en 2, van die verordening uitdrukkelijk sprake is van het „uit te voeren” en niet van het „uitgevoerde” overschot. Voorraden suiker kunnen kennelijk worden uitgevoerd maar zijn nog niet uitgevoerd. Het is daarom volstrekt verenigbaar met artikel 15 van verordening nr. 1260/2001 wanneer die voorraden bij de berekening van het uit te voeren overschot in aanmerking worden genomen. Het zou zelfs in strijd zijn met dat artikel om dat niet te doen. Bovendien impliceert het feit dat in artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1260/2001, zelfs na de aanpassing aan het eind van de periode 2001/2002 tot en met 2005/2006, als bedoeld in artikel 15, lid 2, nog steeds sprake is van een „te verwachten verlies”, dat het verlies op dat tijdstip wellicht nog niet volledig is ontstaan. ( 45 ) Zoals het Hof in het arrest Jülich I heeft verklaard, heeft „de berekeningswijze van het verwachte totale verlies in ieder geval tot doel [...] op een vooruitziende en conventionele wijze de verliezen vast te stellen die voortvloeien uit de afzet van de productieoverschotten van de Gemeenschap”. ( 46 )
78.
Zou het desondanks kunnen zijn dat zowel verordening nr. 1260/2001 als verordening nr. 314/2002 in dat opzicht onverenigbaar zijn met wat Saint Louis Sucre „de context, het doel en de gevolgen” van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker noemt?
79.
Ik meen van niet.
80.
Ten eerste zij eraan herinnerd dat de Uniewetgever in overeenstemming met de hem krachtens de artikelen 40 tot en met 43 VWEU toegekende politieke verantwoordelijkheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid in landbouwaangelegenheden beschikt. Bijgevolg dient het rechterlijk toezicht zich te beperken tot het onderzoek of bij de vaststelling van de betrokken maatregel geen kennelijke vergissing of misbruik van bevoegdheid is gemaakt, dan wel of het betrokken orgaan de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk heeft overschreden. ( 47 )
81.
Vervolgens zij erop gewezen dat de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt al tal van jaren bestaat en herhaaldelijke, deels kleinere, deels ingrijpendere hervormingen heeft ondergaan. Maar ook de markt zelf heeft zich sinds jaar en dag, jaar in jaar uit ontwikkeld met wisselende productieniveaus en voorraden en een schommelende in‑ en uitvoer. Hetzelfde geldt voor de gemeenschappelijke marktordening. Vanzelfsprekend begon het een en ander in 1 juli 1967 en mogelijkerwijs komt er ooit een dag waarop de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt ophoudt te bestaan. Indien er ooit een eind aan die marktordening komt, zullen de rekeningen op de desbetreffende datum definitief moeten worden vereffend en zullen betalingen, voorraden of berekeningen niet naar of in latere boekjaren kunnen worden overgedragen. Tot die tijd zou het echter kunstmatig en contraproductief zijn om telkens wanneer er hervormingen worden ingevoerd te trachten een streep te zetten onder de bestaande situatie en alle balansen weer op nul te zetten. Natuurlijk kan het voor bepaalde parameters wel onvermijdelijk zijn een dergelijke streep te zetten en opnieuw te beginnen, wat des te meer geldt naarmate de hervorming ingrijpender is.
82.
De hervorming van 2006 was weliswaar verstrekkend van aard, maar voorzag noch in een opheffing van het stelsel van uitvoerrestituties noch in een afschaffing van het recht van de producenten om voorraden naar het volgende verkoopseizoen over te boeken en deze vervolgens aan te rekenen op de productie van het volgende jaar. In het bijzonder konden de producenten in het seizoen 2005/2006 een beroep doen op artikel 14 van verordening nr. 1260/2001 en voorraden naar het volgende boekjaar overdragen, zodat zij in aanmerking zouden komen voor uitvoerrestituties gedurende het seizoen 2006/2007. ( 48 ) Er was dus duidelijk sprake van een overlapping tussen de gemeenschappelijke marktordening voor de periode 2001/2002 tot en met 2005/2006 en het vanaf 2006/2007 geldende hervormde stelsel.
83.
Ik heb daarom niet de indruk dat het niet met die situatie zou stroken wanneer bij de berekening van het te verwachten totale, door de producenten te financieren verlies verder van het uit te voeren overschot wordt uitgegaan, in plaats van het uitgevoerde overschot. In elk geval duidt niets erop dat er sprake is van een kennelijke vergissing of misbruik van bevoegdheid of van een kennelijke overschrijding van de aan de Commissie dan wel de Raad toegekende beoordelingsbevoegdheid.
84.
Met name het door Saint Louis Sucre aangevoerde argument dat de aan het eind van het verkoopseizoen 2005/2006 opgeslagen hoeveelheden geen kosten inhielden voor de Unie, zodat de Unie zich ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt, lijkt onhoudbaar. In het daaropvolgende jaar werden uitvoerrestituties toegekend voor hoeveelheden die de vraag op de interne markt overstegen, en die hoeveelheden waren noodzakelijkerwijs toegevoegd aan de opgeslagen en overgedragen hoeveelheden.
85.
Met betrekking tot de financiering van die restituties voert Saint Louis Sucre in hoofdzaak aan dat deze niet waren gedekt door de „zelffinancieringsheffingen” die voor de periode 2001/2002 tot en met 2005/2006 verschuldigd waren en specifiek waren bestemd voor de financiering van de gedurende die periode toegekende uitvoerrestituties.
86.
Ik ben het met deze redenering niet eens. De eindvoorraden worden bij de berekening van het uitvoerbare overschot meegeteld om rekening te houden met het feit dat het daarbij om uit te voeren hoeveelheden gaat die in aanmerking komen voor uitvoerrestituties. Om er „op een rechtvaardige maar doelmatige wijze voor te zorgen dat de kosten die verbonden zijn aan de afzet van de overschotten die voortvloeien uit de omvang van de productie [...] in verhouding tot het verbruik, volledig door de producenten zelf worden gefinancierd” ( 49 ) – dat wil zeggen overschotten die gedurende de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 zijn ontstaan of geaccumuleerd – moet bij de berekening van de voor die periode verschuldigde productieheffingen rekening worden gehouden met alle elementen waaruit die overschotten samengesteld.
87.
Voorts betoogde Saint Louis Sucre ter terechtzitting dat de in 2006/2007 toegekende uitvoerrestituties werden gefinancierd door de opbrengsten van de verkoop in datzelfde verkoopseizoen van extra quota als bedoeld in artikel 8 van verordening nr. 318/2006. De opbrengsten waren meer dan toereikend voor dat doel zodat het niet noodzakelijk was om voor 2005/2006 productieheffingen toe te passen op overgedragen voorraden.
88.
Mijns inziens is het echter erg duidelijk dat de opbrengsten van de verkoop van extra quota bestemd waren voor de financiering van zowel de algemene kosten in verband met de gemeenschappelijke marktordening als de specifieke kosten om te verzekeren dat de extra quota (bovenop de quota die waren overgedragen uit vroegere quota A en B) in aanmerking zouden komen voor interventieprijzen en uitvoerrestituties. Aan de ene kant bracht de verkoop van extra quota een eenmalig bedrag op, terwijl de toegekende extra quota gedurende meerdere jaren kosten konden veroorzaken; aan de andere kant werd de productieheffing pas vanaf het verkoopseizoen 2007/2008 toegepast, zodat een aanvullende financieringsbron vereist was om de algemene kosten voor 2006/2007 te dekken.
89.
Saint Louis Sucre voert voorts (met enige nadruk) aan dat de Commissie de productiequota overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 1260/2001 ( 50 ) geleidelijk had moeten verlagen om ervoor te zorgen dat aan het eind van het verkoopseizoen 2005/2006 hooguit een minimale voorraad A‑ en B‑suiker zou worden aangehouden, in plaats van de aanzienlijke voorraad van 5669000 ton die tot gevolg had dat de productieheffingen bijzonder hoog uitvielen.
90.
De Commissie heeft er ter terechtzitting echter terecht op gewezen dat artikel 10 van verordening nr. 1260/2001 geen marktbeheersinstrument voor interne EU-doeleinden vormt, maar er uitsluitend toe dient de quota zodanig aan te passen dat aan de internationale verbintenissen in het kader van de WTO-overeenkomst inzake de landbouw wordt voldaan. Bovendien hebben voor een aantal verkoopseizoenen in de periode 2001/2002 tot en met 2005/2006 dergelijke aanpassingen van de quota plaatsgevonden. Tot slot lijkt het me niet mogelijk dat producenten op grond van de verplichting van de Commissie tot aanpassing van de quota met het oog op de nakoming van internationale verbintenissen kunnen verlangen dat voorraden voor interne doeleinden buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het uit te voeren overschot. Het stond de producenten vrij naar goeddunken grotere of kleinere hoeveelheden over te boeken. Indien zij meenden dat die voorraden vervolgens voor uitvoerrestituties in aanmerking kwamen, hadden zij bereid moeten zijn om die hoeveelheden mee te tellen bij de bepaling van het uit te voeren overschot; zo niet, hadden zij er goed aan gedaan om niet zulke grote voorraden aan te houden.
91.
Ten aanzien van de onderhavige vragen kom ik tot de conclusie dat niets in de wetgeving of in de doeleinden of de context ervan erop duidt dat artikel 15, leden 1 en 2, van verordening nr. 1260/2001, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 4, van verordening nr. 314/2002, aldus moet worden uitgelegd dat de aan het eind van het verkoopseizoen 2005/2006 aangehouden voorraden bij de berekening van het uitvoerbare overschot aan het eind van de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006 buiten beschouwing hadden moeten blijven. Bijgevolg is er geen reden om de geldigheid van verordening nr. 1360/2013 in twijfel te trekken.
Tweede en de derde prejudiciële vraag
92.
Gezien mijn hierboven uiteengezette standpunt ten aanzien van de geldigheid van de berekeningsmethode waarop de bedragen van de bij verordening nr. 1360/2013 vastgestelde productieheffingen waren gebaseerd, acht ik het onnodig – en zelfs onmogelijk – om in te gaan op de tweede en de derde prejudiciële vraag, die allebei betrekking hebben op de berekeningsmethode ter bepaling van de te restitueren bedragen in het geval dat de bedragen onjuist zijn berekend. Dergelijke vragen kunnen alleen worden beantwoord als bekend is in welk opzicht de berekening onjuist was.
Conclusie
93.
In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Tribunal de grande instance de Nanterre als volgt te beantwoorden:
„–
een suikerproducent kan op grond van verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker geen aanspraak maken op terugbetaling van de productieheffingen die zijn betaald voor de hoeveelheden quotumsuiker die op 30 juni 2006 nog waren opgeslagen;
–
uit het onderzoek van verordening (EU) nr. 1360/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2004/2005 en de bedragen die de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers moeten betalen vanwege het verschil tussen de maximumheffing en de te innen heffing voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2005/2006, is niets gebleken dat afdoet aan de geldigheid ervan.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Zuckerfabrik Jülich, C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260.
( 3 ) Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591.
( 4 ) In de wetgeving wordt deze term soms ter aanduiding van telers in plaats van suikerfabrikanten gebruikt, maar soms ook als synoniem voor „fabrikanten”. Ik gebruik „producenten” als algemene term, behalve waar in de geciteerde wetgeving sprake is van „fabrikanten”.
( 5 ) Verordening nr. 44/67/EEG van de Raad van 21 februari 1967 houdende maatregelen tot gemeenschappelijke ordening der markten in de suikersector voor het verkoopseizoen 1967/1968 (PB 1967, P 40, blz. 597).
( 6 ) Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4).
( 7 ) Verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad van 13 september 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 252, blz. 1). Deze verordening, waarbij verordening nr. 1785/81 is ingetrokken en vervangen, is op haar beurt ingetrokken en vervangen door verordening nr. 1260/2001.
( 8 ) Verordening (EG) nr. 1260/2001 van 19 juni 2001 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 178, blz. 1). De productie in de sector suiker omvat suiker, isoglucose en inulinestroop. Aangezien de laatste twee producten slechts een zeer klein deel van de markt uitmaken en niet van belang zijn in de onderhavige zaak, zal ik in het vervolg uitsluitend gewag maken van suiker.
( 9 ) Zie overwegingen 9 en 10 van verordening nr. 1260/2001.
( 10 ) Verordening (EG) nr. 314/2002 van de Commissie van 20 februari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 50, blz. 40), zoals met name gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1140/2003 van de Commissie van 27 juni 2003 houdende wijziging, in de sector suiker, van de verordeningen (EG) nr. 779/96 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de mededelingen, en (EG) nr. 314/2002 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 160, blz. 33).
( 11 ) Rapport van de WTO-beroepsinstantie („Appellate Body”) getiteld European Communities – Export Subsidies on Sugar, WT/DS265/AB/R, WT/DS266/AB/R, WT/DS283/AB/R, aangenomen op 19 mei 2005, DSR 2005:XIII, 6365.
( 12 ) Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 58, blz. 1). Deze verordening werd met ingang van 1 oktober 2008 op haar beurt ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (PB L 299, blz. 1).
( 13 ) Verordening (EG) nr. 952/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft het beheer van de interne suikermarkt en het quotastelsel (PB L 178, blz. 39).
( 14 ) Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 58, blz. 42).
( 15 ) Verordening (EG) nr. 493/2006 van de Commissie van 27 maart 2006 inzake overgangsmaatregelen in het kader van de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, en tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1265/2001 en (EG) nr. 314/2002 (PB L 89, blz. 11).
( 16 ) De formulering van dat artikel was vrijwel identiek aan die van de voorgangers ervan: artikel 27 van verordening nr. 1785/81 en artikel 32 van verordening nr. 2038/99.
( 17 ) Omdat er nooit uitvoerheffingen werden geïnd, kwam het „verschil tussen het totale bedrag van de restituties en het totale bedrag van de heffingen” eenvoudigweg neer op het totale bedrag van de restituties.
( 18 ) De formulering van artikel 15 van verordening nr. 1260/2001 was vrijwel identiek aan die van de voorgangers ervan: artikel 28 van verordening nr. 1785/81 en artikel 33 van verordening nr. 2038/99 (zie ook arrest Eridania zuccherifici nazionali e.a., 250/84, EU:C:1986:22, punten 9 en 10).
( 19 ) Artikel 7, lid 3, had betrekking op in de industrie verwerkte suiker. De oorspronkelijke tekst van artikel 6, lid 4, kwam qua strekking sterk overeen met artikel 5, lid 5, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1443/82 van 8 juni 1982 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 158, blz. 17), die uitvoeringsbepalingen voor verordening nr. 1785/81 bevatte en werd ingetrokken en vervangen door verordening nr. 314/2002.
( 20 ) [Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse versie.]
( 21 ) Zie voorts de inleiding van speciaal verslag nr. 6/2010 van de Europese Rekenkamer, getiteld „Heeft de hervorming van de suikermarkt haar voornaamste doelstellingen bereikt?” .
( 22 ) Zie respectievelijk verordening (EG) nr. 958/2006 van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende een permanente inschrijving voor het verkoopseizoen 2006/2007 voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker (PB L 175, blz. 49) en verordening (EG) nr. 900/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 betreffende een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker tot het einde van het verkoopseizoen 2007/2008 (PB L 196, blz. 26).
( 23 ) Zie in het bijzonder verordening (EG) nr. 947/2008 van de Commissie van 25 september 2008 tot schorsing van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm (PB L 258, blz. 60).
( 24 ) Deze heffing was vastgesteld op 126,40 EUR per ton quotum voor het verkoopseizoen 2006/2007, 173,80 EUR per ton voor 2007/2008 en EUR 113,30 per ton voor 2008/2009 (artikel 11 van verordening nr. 320/2006; zie ook artikel 1).
( 25 ) Verordening (EG) nr. 164/2007 van de Commissie van 19 februari 2007 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2005/2006 (PB L 51, blz. 17).
( 26 ) Het gaat hierbij respectievelijk om verordening (EG) nr. 1762/2003 van de Commissie van 7 oktober 2003 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2002/2003 (PB L 254, blz. 4) en verordening (EG) nr. 1775/2004 van de Commissie van 14 oktober 2004 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2003/2004 (PB L 316, blz. 64).
( 27 ) Bij beschikking in de zaak SAFBA, C‑175/07–C‑184/07, EU:C:2008:543, heeft het Hof verordening (EG) nr. 1686/2005 van de Commissie van 14 oktober 2005 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen en de coëfficiënt voor de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2004/2005 (PB L 271, blz. 12) eveneens ongeldig verklaard.
( 28 ) Verordening (EG) nr. 1193/2009 van de Commissie van 3 november 2009 houdende rectificatie van de verordeningen (EG) nr. 1762/2003, nr. 1775/2004, nr. 1686/2005 en nr. 164/2007 en houdende vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006 (PB L 321, blz. 1).
( 29 ) PB C 336, blz. 1.
( 30 ) Verordening (EU) nr. 1360/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2001/2002, 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006, de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2004/2005 en de bedragen die de suikerfabrikanten aan de suikerbietenverkopers moeten betalen vanwege het verschil tussen de maximumheffing en de te innen heffing voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004 en 2005/2006 (PB L 343, blz. 2). Verordening nr. 1360/2013 werd op grond van artikel 43, lid 3, VWEU door de Raad vastgesteld, in plaats van door de Commissie, omdat verordening nr. 1260/2001 was ingetrokken, zodat de Commissie daaraan niet langer de bevoegdheid kon ontlenen om dergelijke verordeningen vast te stellen [zie punt 3 van de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor verordening nr. 1360/2013; zie ook mijn conclusie in de gevoegde zaken Zuckerfabrik Jülich, C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2011:701 (Jülich II), punten 60‑72].
( 31 ) Te oordelen naar de opmerkingen die door Saint Louis Sucre ter terechtzitting zijn gemaakt, lijkt het bij deze (in vergelijking met de door de Commissie gepresenteerde cijfers) aanzienlijke som te gaan om het door Saint Louis Sucre op basis van haar marktaandeel van iets meer dan 6 % geraamde eigen aandeel in alle basisheffingen en B‑heffingen op suiker die in alle lidstaten over alle verkoopseizoenen van 2001/2002 tot en met 2005/2006 zijn geïnd. Mocht dit het geval zijn, zou deze vordering veel verder gaan dan het bedrag dat zou resulteren uit een aanpassing die alleen bestaat in het buiten beschouwing laten van de op 30 juni 2006 aangehouden voorraden bij de berekeningen.
( 32 ) Punt 39 van het arrest.
( 33 ) Mijns inziens is hiermee vraag 2a bedoeld, en niet vraag 1.
( 34 ) Zie bijvoorbeeld arrest Melki en Abdeli, C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 27en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 35 ) Zie bijvoorbeeld arrest Mulders, C‑548/11, EU:C:2013:249, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 36 ) Zie bijvoorbeeld arrest Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a., C‑480/00, C‑482/00, C‑484/00, C‑489/00–C‑491/00 en C‑497/00–C‑499/00, EU:C:2004:179, punt 74.
( 37 ) De verordening werd op 3 november 2009 aangenomen en op 8 december 2009 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Volgens artikel 6 diende zij in werking te treden op de dag volgende op die van haar bekendmaking. terwijl artikel 4, waardoor artikel 1 van verordening nr. 164/2007 werd vervangen, van toepassing was met ingang van 23 februari 2007.
( 38 ) Zie hierboven, punt 28 en voetnoot 29.
( 39 ) Ik neem aan dat de Commissie althans in de Engelse en de Franse versie van de mededeling, waarin sprake is van „obsolescence” (het proces van het in onbruik raken), eigenlijk „desuetude” op het oog had (de toestand waarin iets in onbruik is geraakt).
( 40 ) Zie tevens arrest Jülich I, met name punten 41 en 43.
( 41 ) Artikel 15, lid 1, onder a)-c), en artikel 15, lid 2, onder a), van verordening nr. 1260/2001.
( 42 ) Zie voetnoot 16 hierboven; zie tevens arrest Jülich I, punten 30 en 31.
( 43 ) Zie hierboven, punten 15‑17; de verduidelijking had slechts betrekking op de vorm en Saint Louis Sucre stelt geenszins dat zij een wijziging inhield die van belang is voor haar beroep.
( 44 ) Zie hierboven, punten 21‑24.
( 45 ) Weliswaar heb ik in de punten 94‑98 van mijn conclusie in de gevoegde zaken Zuckerfabrik Jülich, C‑13/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2011:701 (Jülich II), betoogd dat de wetgever niet de bedoeling had „in de berekening slechts de te verwachten uitvoerrestituties [te betrekken], ongeacht of zij daadwerkelijk waren uitgekeerd en zelfs nadat de definitieve cijfers beschikbaar waren”. Dat is echter een heel andere kwestie. Hier gaat het erom dat uit de definitieve cijfers, toen zij beschikbaar waren, naar voren kwam dat er aan het eind van het tijdvak voorraden waren waarvan kon worden verwacht dat zij waarschijnlijk zouden kunnen worden uitgevoerd, zodat zij deel uitmaakten van het uit te voeren overschot; zij hebben geen betrekking op reeds uitgevoerde hoeveelheden.
( 46 ) Punt 43 van het arrest (cursivering van mij).
( 47 ) Zie bijvoorbeeld arrest Agrargenossenschaft Neuzelle, C‑545/11, EU:C:2013:169, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 48 ) Artikel 14, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1260/2001.
( 49 ) Overweging 9 van verordening nr. 493/2006; zie hierboven, punt 8.
( 50 ) Zie hierboven, punt 10.
Full & Egal Universal Law Academy