CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 14 juni 2016 ( 1 )
Zaak C‑268/15
Fernand Ullens de Schooten
tegen
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
minister van Justitie
[verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van beroep Brussel (België)]
„Prejudiciële verwijzing — Aansprakelijkheid van de staat voor schending van het Unierecht — Zuiver interne situatie — Artikel 43 EG (nu artikel 49 VWEU) — Nationale regeling op grond waarvan laboratoria voor klinische biologie slechts kunnen worden geëxploiteerd door personen die gemachtigd zijn om verstrekkingen van klinische biologie te verrichten — Verenigbaarheid”
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van de artike
len 43, 49 en
1.
56 EG (thans, respectievelijk, de artikelen 49, 56 en 63 VWEU), artikel 4, lid 3, VEU en de beginselen van doeltreffendheid en voorrang van het Unierecht alsmede op de strekking van de plicht van de rechterlijke instanties die in laatste instantie uitspraak doen, om overeenkomstig artikel 267, derde alinea, VWEU over te gaan tot een prejudiciële verwijzing.
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een aansprakelijkheidsstelling door Ullens de Schooten van de Belgische Staat wegens schending van het Unierecht door de Belgische wetgevende en rechterlijke macht.
3.
In zijn vordering verwijt Ullens de Schooten de Belgische wetgever in het bijzonder schending van artikel 43 EG door invoering van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982, tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie ( 2 ), zoals gewijzigd door artikel 17 van de programmawet van 30 december 1988 (hierna: „KB nr. 143”).
4.
In artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 werden, voor verstrekkingen van klinische biologie, de voorwaarden vastgesteld waaraan laboratoria voor medische analysen moesten voldoen om patiënten in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen van de ziekteverzekering voor de ontvangen verstrekkingen. Vóór de invoering van de wet van 24 mei 2005 tot wijziging van KB nr. 143, werd in dit artikel bepaald dat slechts laboratoria die werden geëxploiteerd door personen gemachtigd om verstrekkingen van klinische biologie uit te voeren, namelijk artsen, apothekers en licentiaten in de scheikunde, vergoedbare verstrekkingen konden verrichten. ( 3 )
5.
Voorts verwijt Ullens de Schooten ook de Belgische rechterlijke instanties het Unierecht te hebben geschonden. Zo verwijt hij het Hof van Cassatie (België) de weigering een prejudiciële vraag te stellen, het Hof van beroep Brussel (België) schending van artikel 43 EG en het Hof van Cassatie en het Hof van beroep Bergen (België) schending van het Unierecht door een onjuiste uitlegging van de strekking van het beginsel van het gezag van gewijsde.
6.
Om de grenzen en de kern van de onderhavige zaak goed af te bakenen, geef ik allereerst een overzicht van de afleveringen van de rechtskroniek die ten grondslag ligt aan deze zaak.
I – De procedurele voorgeschiedenis van deze zaak
7.
Ullens de Schooten exploiteerde het laboratorium voor klinische biologie BIORIM, dat op 3 november 2000 failliet is verklaard. Voor de financiering van zijn verstrekkingen maakte dit laboratorium gebruik van de tegemoetkomingen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV). Genoemd laboratorium hanteerde het stelsel van de „derde betaler”.
8.
Na een klacht van Ullens de Schooten bij de Europese Commissie heeft deze instelling op 20 juni 1985 beroep ingesteld bij het Hof wegens niet-nakoming door het Koninkrijk België van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 52 van het EEG-Verdrag (na wijziging artikel 43 EG-Verdrag, thans artikel 43 EG), door de vergoeding uit hoofde van de sociale zekerheid uit te sluiten voor verstrekkingen van klinische biologie die werden verricht in laboratoria geëxploiteerd door een privaatrechtelijke rechtspersoon waarvan niet alle leden, vennoten en beheerders tot het verrichten van medische analyses bevoegde natuurlijke personen waren.
9.
In zijn arrest van 12 februari 1987, Commissie/België (221/85, EU:C:1987:81), heeft het Hof dit beroep verworpen. Het Hof heeft met name, wat betreft de vrijheid van vestiging, vastgesteld dat iedere lidstaat, zolang hij het vereiste van gelijke behandeling maar in acht neemt, vrij is om, als betreffende Unieregels ontbreken, op zijn grondgebied de werkzaamheid te regelen van laboratoria die verstrekkingen van klinische biologie verrichten. ( 4 ) Voorts oordeelde het Hof dat de Belgische wettelijke regeling voor artsen of apothekers die onderdaan van een andere lidstaat zijn, geen beletsel vormt om zich in België te vestigen en aldaar een laboratorium te exploiteren voor klinische analyses die in aanmerking komen voor vergoeding uit hoofde van de sociale zekerheid. Het ging dus om een wettelijke regeling die gelijkelijk van toepassing was op Belgische onderdanen en op onderdanen van andere lidstaten en die in dat opzicht niet discriminatoir was. ( 5 )
10.
In de loop van 1989 werd tegen het laboratorium BIORIM een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens verdenking van belastingfraude. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat Ullens de Schooten, samen met andere personen, voor de Correctionele rechtbank Brussel (België) werd aangeklaagd. Hij werd vervolgd wegens een reeks strafbare feiten, waaronder het verhullen van de onwettige exploitatie van laboratoria voor medische analysen in strijd met artikel 3 van KB nr. 143.
11.
Bij vonnis van 30 oktober 1998, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) Ullens de Schooten veroordeeld tot vijf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete. Bovendien heeft deze rechtbank de vorderingen van de ziektekostenverzekeraars die zich burgerlijke partij hadden gesteld, toegewezen en werd Ullens de Schooten veroordeeld om aan hen, voorlopig, een bedrag van één euro te betalen.
12.
Dit vonnis werd vernietigd door een arrest van het Hof van beroep Brussel van 7 september 2000. Deze beroepsinstantie heeft Ullens de Schooten echter voor dezelfde feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, en tot een geldboete. De vorderingen van de burgerlijke partijen werden niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard.
13.
Aangaande de feiten die na de inwerkingtreding van artikel 3 van KB nr. 143 werden begaan, heeft het Hof van beroep Brussel de klacht van Ullens de Schooten dat dit artikel in strijd was met het Unierecht, afgewezen en geweigerd het Hof een prejudiciële vraag te stellen.
14.
Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 14 februari 2001 het beroep dat is ingesteld tegen de strafrechtelijke veroordeling door het Hof van beroep Brussel, verworpen, het beroep van de burgerlijke partijen toegewezen en de zaak verwezen naar het Hof van beroep Bergen.
15.
Bij arrest van 23 november 2005 heeft het Hof van beroep Bergen de betalingsvordering van zes ziektekostenverzekeraars jegens Ullens de Schooten gedeeltelijk gegrond verklaard in verband met de ten onrechte aan het laboratorium BIORIM betaalde bedragen gedurende de periode van 1 augustus 1989 tot en met 16 april 1992.
16.
Deze rechterlijke instantie heeft het argument van Ullens de Schooten dat artikel 3 van KB nr. 143 in strijd zou zijn met het Unierecht, verworpen. Zij achtte zich gebonden aan het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van beroep Brussel van 7 september 2000 en heeft Ullens de Schooten veroordeeld tot betaling van een bedrag van, voorlopig, één euro aan de betrokken ziektekostenverzekeraars en heeft hen verzocht de schade inzake de door hen na 30 april 1990 verrichte betalingen, te herberekenen.
17.
Bij arrest van 14 juni 2006 heeft het Hof van Cassatie de tegen dit arrest van 23 november 2005 ingestelde beroepen, verworpen.
18.
Naast deze procedure betreffende de aansprakelijkheid van Ullens de Schooten, heeft de commissie voor klinische biologie, bij beslissing van 18 maart 1999, de erkenning van het laboratorium BIORIM voor een periode van twaalf maanden geschorst.
19.
Bij ministerieel besluit van 9 juli 1999 heeft de minister van Volksgezondheid het tegen deze beslissing ingestelde administratieve beroep verworpen.
20.
Bij besluit van 8 juni 2000 heeft de commissie voor klinische biologie de schorsing van de erkenning met twaalf maanden verlengd.
21.
Bij ministerieel besluit van 24 juli 2000 heeft de minister van Volksgezondheid het administratieve beroep tegen deze nieuwe beslissing verworpen.
22.
Na indiening van twee verzoeken tot nietigverklaring van deze ministeriële besluiten, heeft de Raad van State (België) een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof (België) betreffende de verenigbaarheid van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 met de grondwet.
23.
Bij arrest nr. 160/2007 van 19 december 2007 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat dit artikel, in de versie die gold vóór de wetswijziging van 24 mei 2005, verenigbaar was met de artikelen 10 en 11 van de grondwet.
24.
De Raad van State heeft bijgevolg, bij arresten van 10 september en 22 december 2008, de verzoeken verworpen.
25.
Daarnaast heeft de Commissie op 17 juli 2002, naar aanleiding van een ingediende klacht van Ullens de Schooten, een met redenen omkleed advies aan het Koninkrijk België uitgebracht naar luid waarvan zij van oordeel was dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 in strijd was met artikel 43 EG.
26.
Aangezien bij de wet van 24 mei 2005 artikel 3 van KB nr. 143 werd gewijzigd om het in overeenstemming te brengen met het Unierecht, is de klacht door de Commissie op 4 april 2006 ad acta gelegd.
27.
Op 10 april 2007 heeft Ullens de Schooten echter een tweede klacht bij de Commissie ingediend, waarin hij zich beroept op nieuwe schendingen van het Unierecht door het Koninkrijk België, namelijk niet-nakoming door de rechterlijke macht, wegens schending van het Unierecht door de Belgische rechterlijke instanties en niet-nakoming door de wetgevende macht doordat de Belgische autoriteiten de rechtsgevolgen van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 wat het verleden betreft, hebben gehandhaafd en toegepast.
28.
Voorts heeft Ullens de Schooten, bij wege van twee verzoeken van 14 december 2006 en 3 maart 2008, beroep ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [(hierna: EHRM)] om te laten vaststellen dat de Belgische Staat het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dat op 4 november 1950 ( 6 ) in Rome werd ondertekend, had geschonden.
29.
In zijn arrest van 20 september 2011, Ullens de Schooten en Rezabek tegen België ( 7 ), heeft het EHRM geoordeeld dat geen sprake was van schending van artikel 6, lid 1, EVRM.
30.
Op 17 juli 2007 heeft Ullens de Schooten de Belgische Staat voor de Rechtbank van eerste aanleg Brussel gedaagd om hem te vrijwaren van, in de eerste plaats, alle financiële gevolgen van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken in het arrest van 23 november 2005 van het Hof van beroep Bergen, en in de tweede plaats alle gevolgen van eventueel tegen hem uitgesproken veroordelingen op verzoek van het laboratorium BIORIM of haar oud-bestuurder, en in de derde plaats alle gevolgen van een tegen hem uitgesproken veroordeling in het kader van belastinggeschillen.
31.
Ullens de Schooten vordert eveneens dat de Belgische Staat wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 500000 EUR als vergoeding voor immateriële schade, een voorlopig bedrag van 34500000 EUR omdat hij tussen 1 januari 1990 en 1 december 2005 niet in staat is geweest een laboratorium voor klinische biologie te exploiteren, alsmede een voorlopig bedrag van één euro voor honoraria en kosten van ingehuurde advocaten voor de rechterlijke instanties en de Commissie.
32.
Ullens de Schooten heeft de Rechtbank van eerste aanleg Brussel verzocht om, mocht deze rechtbank twijfels hebben over de toepasbaarheid van het Unierecht in de onderhavige zaak, een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.
33.
Bij vonnis van 19 juni 2009 heeft de Rechtbank van eerste aanleg Brussel het verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring.
34.
Ullens de Schooten heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechterlijke instantie, met dezelfde eisen als voor de Rechtbank van eerste aanleg Brussel.
35.
Daarop heeft het Hof van beroep Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Vereist het [Unie]recht en meer bepaald het doeltreffendheidsbeginsel dat in bepaalde omstandigheden, met name die beschreven in punt 38 [van dit verzoek om een prejudiciële beslissing], de nationale verjaringstermijn van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, die van toepassing is op een vordering tot schadevergoeding van een particulier tegen de Belgische Staat wegens schending van artikel 43 EG […] door de wetgever, eerst begint te lopen wanneer die schending is vastgesteld, of is het doeltreffendheidsbeginsel in deze omstandigheden integendeel voldoende gewaarborgd doordat deze particulier de mogelijkheid heeft de verjaring te stuiten door het betekenen van een deurwaardersexploot?
2)
Moeten de artikelen 43, 49 en 56 EG en het begrip ‚zuiver interne situatie’, dat een beroep door een justitiabele op deze bepalingen in het kader van een geding voor een nationale rechter kan beperken, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van het [Unie]recht in een geding waarin een Belgisch onderdaan van de Belgische Staat vergoeding verlangt voor schade veroorzaakt door een vermeende schending van het [Unie]recht wegens de vaststelling en handhaving van een Belgische wettelijke regeling als die van artikel 3 van KB nr. 143 […], die zonder onderscheid op de eigen onderdanen en op de onderdanen van andere lidstaten van toepassing is?
3)
Moeten het beginsel van voorrang van het [Unie]recht en artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat zij niet toelaten dat de regel van het gezag van gewijsde buiten toepassing wordt gelaten wanneer het erom gaat een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die met het [Unie]recht in strijd blijkt te zijn, opnieuw te onderzoeken of te vernietigen, maar wel toelaten dat een nationale regel inzake het gezag van gewijsde buiten toepassing wordt gelaten wanneer deze regel de rechter zou gebieden op grond van die in kracht van gewijsde gegane maar met het [Unie]recht strijdige rechterlijke beslissing een andere beslissing te nemen waarmee de schending van het [Unie]recht door de eerste rechterlijke beslissing een permanent karakter zou krijgen?
4)
Kan het Hof bevestigen dat de vraag of de regel van het gezag van gewijsde in het geval van een in kracht van gewijsde gegane, met het [Unie]recht strijdige rechterlijke beslissing buiten toepassing moet worden gelaten in het kader van een verzoek om deze beslissing opnieuw te onderzoeken of te vernietigen, niet zakelijk gelijk is, in de zin van de arresten [van 27 maart 1963, Da Costa e.a. (28/62–30/62, EU:C:1963:6)] en [van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:335)], aan de vraag of de regel van het gezag van gewijsde [buiten toepassing moet worden gelaten in het geval van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing] die in strijd is met het [Unie]recht in het kader van een verzoek om een (nieuwe) beslissing waarmee de schending van het [Unie]recht zou worden herhaald, zodat de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie niet aan haar verplichting tot prejudiciële verwijzing kan ontkomen?”
II – Mijn analyse
36.
Ik zal eerst de tweede vraag behandelen, aangezien de partijen die op de zitting aanwezig waren is verzocht om hun pleidooien op deze vraag te richten. Vervolgens stel ik voor de overige vragen, die alle op de onjuiste premisse berusten dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 niet verenigbaar is met artikel 43 EG, te herformuleren. Ten slotte stel ik voor dit uitgangspunt zodanig te herzien dat het Unierecht correct wordt toegepast zoals dat mijns inziens volgt uit de rechtspraak van het Hof betreffende deelnemingen in het kapitaal van apothekers en laboratoria voor analysen van medische biologie.
A – Aangaande de tweede vraag over de gevolgen van het bestaan van een zuiver interne situatie op het inroepen van artikel 43 EG in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen een lidstaat wegens schending van het Unierecht
37.
Ullens de Schooten stelt in wezen het volgende. Zijns inziens hebben de nationale rechterlijke instanties die op de hoogte moesten zijn van de rechtsgedingen waarbij hij betrokken was, geen belang gehecht aan zijn betoog dat artikel 3 van KB nr. 143 niet verenigbaar was met artikel 43 EG. Ondanks de voorrang van het Unierecht, werd artikel 3 nog altijd toegepast. In weerwil van het optreden van de Commissie werd het Unierecht door verschillende nationale rechterlijke instanties namelijk herhaaldelijk geschonden. Deze schendingen werden in stand gehouden op grond van de nationale rechtsregel van het gezag van gewijsde.
38.
Net als de Belgische regering ben ik van mening dat in de tweede vraag op louter formele gronden een beroep is gedaan op de artikelen 49 en 56 EG. Verzoeker in het hoofdgeding baseert namelijk zijn stellingen voornamelijk op artikel 43 EG. ( 8 ) Deze vraag moet derhalve uitsluitend vanuit de in de eerste vraag bedoelde vrijheid van vestiging worden beoordeeld.
39.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of, ondanks de omstandigheid dat de feiten van het hoofdgeding zich tot één enkele lidstaat beperken, artikel 43 EG door een verzoeker kan worden ingeroepen in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen diezelfde lidstaat wegens schending van het Unierecht.
40.
Deze vraag kan wellicht kort en krachtig worden beantwoord door strikte toepassing van de rechtspraak van het Hof betreffende het niet toepassen van verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen op zuiver interne situaties.
41.
Zuiver interne situaties kunnen worden omschreven als situaties „waarbij iedere band met door het gemeenschapsrecht beoogde situaties ontbreekt” ( 9 ) en die derhalve „buiten de werkingssfeer van de verdragsregels [vallen] […]” ( 10 ), „[bij ontbreken van een] voldoende aanknopingspunt met het verkeer tussen lidstaten.” ( 11 )
42.
Volgens het Hof „[kunnen] de Verdragsbepalingen inzake het vrij[e] verkeer van personen en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen niet […] worden toegepast op activiteiten die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarop het recht van de Unie ziet, en waarvan alle relevante elementen geheel in de interne sfeer van één enkele lidstaat liggen.” ( 12 )
43.
Vaststaat dat verzoeker in het hoofdgeding, die de Belgische nationaliteit heeft, tegen de Belgische Staat opkomt naar aanleiding van de rechtmatigheid van de hem opgelegde veroordelingen in verband met de exploitatie van een laboratorium voor medische biologie in België. Onder voorbehoud van de beoordeling door de verwijzende rechterlijke instantie van de door verzoeker in het hoofdgeding aangevoerde argumenten om het bestaan van grensoverschrijdende elementen aan te tonen ( 13 ), lijkt duidelijk sprake te zijn van een zuiver interne situatie.
44.
Rekening houdend met het door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 19 december 2007 ingenomen standpunt, kan hier niet de rechtspraak van het Hof worden toegepast, volgens welke, zelfs in een zuiver interne situatie, het antwoord van het Hof voor de verwijzende rechterlijke instantie nuttig kan zijn, wanneer het nationale recht haar voorschrijft dat een burger van een lidstaat dezelfde rechten toekomen als een burger van een andere lidstaat in dezelfde situatie aan het Unierecht kan ontlenen. ( 14 )
45.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 december 2007, werd door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag voorgelegd of artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 in strijd was met de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien dit artikel zou leiden tot een ongelijke behandeling van, enerzijds, geneesheren, apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen en anderzijds, de andere economische actoren voor zover alleen de eerstgenoemden de tegemoetkoming kunnen genieten van de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor de verstrekkingen die zij leveren. Volgens het Grondwettelijk Hof in dit arrest „[is] [d]e bvba ‚BIORIM’ […] een in België gevestigde vennootschap naar Belgisch recht, en de eerste tussenkomende partij voor de Raad van State [is] van Belgische nationaliteit; zij beklagen zich erover dat zij enkel onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de bepalingen waarover het Hof wordt ondervraagd, een laboratorium voor klinische biologie mogen uitbaten. Nu die rechtsverhoudingen volledig zijn gesitueerd binnen de interne sfeer van een lidstaat, kunnen de verzoekende partijen zich niet beroepen op de voormelde artikelen 43, 49 en 56 [EG].” ( 15 )
46.
Zoals de Belgische regering aangeeft, volgt dus uit het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het interne Belgische recht niet voorschrijft dat aan de verzoeker in het hoofdgeding dezelfde rechten moeten worden verleend als de rechten die een onderdaan van een andere lidstaat wellicht kan ontlenen aan het Unierecht gelet op de voorwaarden van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143.
47.
De Belgische regering maakt terecht een vergelijking met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 december 2010, Omalet (C‑245/09, EU:C:2010:808), betreffende een geding tussen de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en een in België gevestigde hoofdaannemer die, volgens een Belgische wet, hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de schulden van zijn onderaannemer, die ook in België gevestigd was. In het kader van deze procedure, had het Grondwettelijk Hof al geoordeeld dat artikel 49 EG niet van toepassing was op het hem voorgelegde zuiver interne geding. In deze omstandigheden oordeelde het Hof dat het niet bevoegd was om antwoord te geven op de hem gestelde prejudiciële vragen en was het Unierecht niet van toepassing.
48.
Ik ben echter van mening dat in de specifieke context van de onderhavige zaak, strikte toepassing van de rechtspraak inzake zuiver interne situaties met als gevolg dat de verzoeker in het hoofdgeding, in het kader van zijn aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat, zich niet kan beroepen op het Unierecht, gepast noch adequaat is en wel om meerdere redenen.
49.
In de eerste plaats kan het Hof niet buiten beschouwing laten dat de rechtsprocedures die door Ullens de Schooten sinds een twintigtal jaren zijn gevoerd of waarbij hij betrokken was, merendeels gebaseerd waren op het kernargument van de onverenigbaarheid van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 met artikel 43 EG. De rechterlijke instanties, met name het Hof van beroep Brussel in zijn arrest van 7 september 2000, hebben artikel 43 EG toegepast.
50.
In de tweede plaats breng ik in herinnering dat de Commissie een met redenen omkleed advies heeft uitgebracht, dat op 17 juli 2002 aan het Koninkrijk België werd betekend, waarin zij artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 in strijd achtte met artikel 43 EG. Mijns inziens is het tegenstrijdig als, in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing, de verzoeker in het hoofdgeding het Unierecht niet kan inroepen ter ondersteuning van zijn aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat, terwijl de officiële stellingname van de Commissie onverenigbaarheid met het Unierecht is.
51.
Het is mij bekend dat de rechtsgevolgen van het met redenen omkleed advies beperkt zijn en dat in dit advies, in het bijzonder, geen niet-nakoming is vastgesteld. In dit met redenen omkleed advies wordt er echter op gewezen dat er mogelijk sprake is van schendingen van het Unierecht en dat particulieren gerechtigd zijn de gevolgen van deze schendingen bij hun nationale rechterlijke instanties te laten onderzoeken om vergoeding voor geleden schade te verkrijgen.
52.
Bovendien, stel dat het Koninkrijk België zou hebben geweigerd zijn nationale wetgeving naar aanleiding van het met redenen omkleed advies van de Commissie aan te passen, dat een procedure bij het Hof zou zijn aangespannen en dit geoordeeld zou hebben dat deze lidstaat zijn uit artikel 43 EG voortvloeiende verplichting tot aanpassing van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 niet was nagekomen. Zou datzelfde Hof dan, in het kader van een prejudiciële verwijzing, in antwoord op een vraag die gelijk is aan de tweede vraag in de onderhavige zaak, voor recht verklaren dat het argument dat deze nationale bepaling in strijd is met het Unierecht, door verzoeker voor de nationale rechter niet kan worden ingeroepen als grond voor een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens schending van het Unierecht omdat het hier slechts gaat om een zuiver interne situatie, anders gezegd, uitsluitend omdat deze verzoeker een onderdaan is van de lidstaat die de bestreden maatregel heeft opgelegd? Ik denk het niet en ik zie geen reden om de zaak anders te behandelen nu de precontentieuze procedure in het stadium van het met redenen omkleed advies is blijven steken.
53.
In de derde plaats, zoals blijkt uit het optreden van de Commissie om het Koninkrijk België aan te zetten tot aanpassing van zijn nationale wetgeving, en zoals ik hierna nader zal uitleggen, belemmert artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 de toegang van economische operatoren uit andere lidstaten tot de Belgische markt van laboratoria voor medische analysen.
54.
In geval van een dergelijke regeling met grensoverschrijdende gevolgen, heeft het Hof herhaaldelijk ingestemd met een uitlegging van het Unierecht, zelfs als de feiten van de hoofdgedingen die tot de prejudiciële verwijzingen leidden, zich binnen één lidstaat afspeelden. ( 16 )
55.
In deze rechtspraak stelt het Hof allereerst vast dat een regeling van een lidstaat die volgens de bewoordingen ervan zonder onderscheid van toepassing is op onderdanen van die staat en op onderdanen van de andere lidstaten, in het algemeen slechts onder de bepalingen inzake de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan vallen voor zover zij van toepassing is op situaties die een verband vertonen met het handelsverkeer tussen de lidstaten. Voorts merkt het Hof, ter onderbouwing van zijn bevoegdheid, op dat geenszins kan worden uitgesloten dat economische operatoren in andere lidstaten interesse hadden of hebben om een economische activiteit in de lidstaat van de bestreden regeling uit te oefenen.
56.
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de vragen van de verwijzende rechterlijke instantie door het Hof het best beantwoord zouden kunnen worden door, in plaats van de prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk te verklaren door strikte toepassing van zijn rechtspraak inzake zuiver interne situaties, deze verwijzing ontvankelijk te verklaren uitgaande van de geest van samenwerking van deze procedure en de gestelde vragen te herformuleren om aan de verwijzende rechterlijke instantie een antwoord te geven dat haar in staat stelt om in het hoofdgeding een eenduidige beslissing te nemen.
57.
Ook al zijn de feiten van het hoofdgeding slechts in één lidstaat gesitueerd, een antwoord van het Hof sluit aan op de behoefte om het hoofdgeding op te lossen. Anders gezegd, het is geheel en al de taak van het Hof om, uitgaande van de geest van samenwerking waarin de prejudiciële verzoeken moeten worden gedaan, een bijdrage te leveren aan de rechtspraak in de lidstaten. ( 17 )
58.
Volgens vaste rechtspraak „staat artikel 43 EG in de weg aan elke nationale regeling die, zelfs wanneer zij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging door […]onderdanen [van de Europese Unie] kan belemmeren of minder aantrekkelijk maken”. ( 18 )
59.
Met de tendens in de rechtspraak om prejudiciële vragen ontvankelijk te verklaren vanwege mogelijke gevolgen van een nationale maatregel voor ondernemingen in andere lidstaten om gebruik te kunnen maken van hun vrijheid van vestiging in de lidstaat die een dergelijke maatregel heeft opgelegd, kan een einde worden gemaakt aan de incoherentie die er zou zijn als de verenigbaarheid van genoemde maatregel met het Unierecht wel zou kunnen worden onderzocht in het kader van een beroep op niet-nakoming, maar niet in het kader van een prejudiciële verwijzing doordat in het specifieke, concrete geval grensoverschrijdende elementen ontbreken.
60.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging om de onderhavige prejudiciële verwijzing ontvankelijk te verklaren en de tweede vraag aldus te beantwoorden dat, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een beroep op artikel 43 EG mogelijk is in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen een lidstaat wegens schending van het Unierecht.
B – Verenigbaarheid van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 met het Unierecht
61.
Ook al stelt de verwijzende rechterlijke instantie niet expliciet de vraag over de verenigbaarheid van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4 van KB nr. 143 met de verdragsregels betreffende de vrijheid van vestiging, zij wil deze regels echter wel in het hoofdgeding toepassen ingeval de belemmering die verband houdt met het bestaan van een zuiver interne situatie, door het Hof in antwoord op haar tweede vraag zou worden weggenomen.
62.
Om na te gaan of de aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat gegrond is, zal de verwijzende rechterlijke instantie zich zeker moeten uitspreken over de vraag of sprake is van schending van het Unierecht door de nationale wetgever en de nationale rechterlijke instanties die zich achtereenvolgens over deze kwestie hadden uit te spreken.
63.
Ik breng in dit verband naar voren dat Ullens de Schooten zich in zijn betoog hoofdzakelijk baseert op de premisse dat de nationale rechterlijke instanties zich hebben vergist door te oordelen dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 verenigbaar was met artikel 43 EG. Deze onjuiste toepassing van het Unierecht is volgens hem in opeenvolgende procedures blijven voortbestaan vanwege het feit dat steeds is uitgegaan van het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van beroep Brussel van 7 september 2000.
64.
Het spreekt voor zich dat indien de premisse van schending van het Unierecht zou worden weerlegd, wat naar mijn mening het geval is zoals ik in de hiernavolgende uiteenzetting zal uitleggen, het eenvoudiger zal zijn om de onderhavige, mijns inziens onnodig ingewikkelde, zaak, op te lossen.
65.
Ik ben dan ook van mening dat het Hof zich moet uitspreken over de vraag of artikel 43 EG aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling zoals artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143.
66.
In ben mij ervan bewust dat het niet aan het Hof staat om ernaar te streven andere vraagstukken dan door de verwijzende rechterlijke instantie in haar prejudiciële beslissing zijn geformuleerd, op te lossen.
67.
Ik ben echter van mening dat deze problematiek in de onderhavige zaak geen rol speelt.
68.
In dit verband volgt expliciet uit punt 24 van de verwijzingsbeslissing dat Ullens de Schooten, ter ondersteuning van zijn aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat, zowel de wetgevende macht als de rechterlijke macht verwijt artikel 43 EG te hebben geschonden.
69.
Het lijkt mij op zijn minst tegenstrijdig dat het Hof, bij een prejudiciële verwijzing die bedoeld is om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen een beslissing in de hoofdzaak te nemen, deze problematiek niet zou mogen behandelen, zelfs al vormt zij de kern van dit geding.
70.
De omstandigheid dat de verwijzende rechterlijke instantie niet expliciet heeft verzocht om uitlegging van artikel 43 EG in verband met artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143, lijkt mij in deze context geen beletsel voor het Hof om deze problematiek te behandelen. Het is bovendien in overeenstemming met de vaste praktijk van het Hof om te stellen dat het aan het Hof staat om, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de nationale rechterlijke instantie een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan zij het bij haar aanhangige geding kan beslechten. Het Hof laat ook herhaaldelijk blijken dat het aan de verwijzende rechterlijke instantie een volledig antwoord wil geven. ( 19 ) Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. De omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, belet het Hof niet om deze rechterlijke instantie alle uitleggingsgegevens te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de bij haar aanhangige zaak, ongeacht of deze instantie er in haar vragen melding van heeft gemaakt. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven. ( 20 )
71.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof, overeenkomstig de geest van samenwerking van de prejudiciële verwijzingsprocedure en teneinde aan de verwijzende rechterlijke instantie alle gegevens voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij haar aanhangige zaak, in overweging om haar aanwijzingen te verstrekken om de gegrondheid van de premisse van schending van het Unierecht, waar het in de onderhavige prejudiciële verwijzing om gaat, te kunnen beoordelen.
72.
Dit belangrijke aspect van de onderhavige zaak is ter zitting naar voren gebracht. De Commissie heeft ook aangegeven dat zij haar standpunt, zoals neergelegd in haar met redenen omkleed advies van 17 juli 2002, handhaaft. Ullens de Schooten heeft dit standpunt van de Commissie in genoemd advies aangehaald. Ten slotte heeft het Koninkrijk België aangegeven dat de bestreden nationale bepaling in 2005 werd gewijzigd omdat het zich vrijwillig en preventief wilde conformeren aan genoemd advies en zo een procedure voor het Hof wilde voorkomen, maar dat dit niet neerkwam op een erkenning van de onverenigbaarheid van deze bepaling met het Unierecht.
73.
Uit het aan het Hof overgelegde dossier volgt dat verzoekers, in de nationale procedure die heeft geleid tot het arrest van het Hof van beroep Brussel van 7 september 2000, stelden dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 onverenigbaar was met artikel 43 EG.
74.
In genoemd arrest was deze rechterlijke instantie het niet eens met verzoekers. Zij wees erop dat nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden belemmeren of minder aantrekkelijk maken, aan vier voorwaarden moeten voldoen: zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, zij moeten hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, zij moeten geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel.
75.
Volgens het Hof van beroep Brussel voldeed de bestreden nationale bepaling aan deze vier voorwaarden. De voorwaarde dat de laboratoria moesten worden geëxploiteerd door personen die gemachtigd waren om verstrekkingen van klinische biologie te verrichten, kon volgens dit Hof niet als discriminatoir worden aangemerkt, aangezien deze bevoegdheidseis zowel voor Belgische onderdanen als voor onderdanen van andere lidstaten gold.
76.
Voorts had de bestreden regeling volgens het Hof van beroep Brussel ten doel de overconsumptie van verstrekkingen van klinische biologie te bestrijden, omdat een grote impact op de socialezekerheidsbegroting dreigde. De voor alle exploitanten vereiste bevoegdheid maakte het, volgens deze rechterlijke instantie, mogelijk om op een voor het beoogde doel nuttige en afgestemde wijze het aantal laboratoria te beperken, winstbejag te voorkomen, overtollige verstrekkingen van klinische biologie tegen te gaan en overconsumptie te bestrijden.
77.
Ik acht de analyse van het Hof van beroep Brussel in zijn arrest van 7 september 2000 geheel in overeenstemming met de door het Hof in zijn rechtspraak afgeleide beginselen betreffende deelneming in het kapitaal van apotheken en laboratoria voor biomedische analysen.
78.
Ik ben van mening dat de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies verdedigde stelling van de onverenigbaarheid van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 met artikel 43 EG, is tegengesproken door deze zelfde rechtspraak van het Hof. ( 21 )
79.
Ullens de Schooten beroept zich op het arrest van 21 april 2005, Commissie/Griekenland (C‑140/03, EU:C:2005:242), betreffende optiekzaken. In dit arrest was volgens het Hof de Griekse regeling dat een opticien niet meer dan één optiekzaak kon exploiteren en maximaal 50 % van het maatschappelijk kapitaal door andere personen dan de opticien-exploitant kon worden gehouden, in strijd met de artikelen 43 en 48 EG. Ullens de Schooten is van mening dat een parallel moet worden getrokken tussen, enerzijds, de regeling die in dit arrest aan de orde was, en, anderzijds, de Belgische bepaling die in de onderhavige zaak aan de orde is.
80.
Het is echter van belang dat het Hof een andere benaderingswijze heeft gevolgd in zijn arresten betreffende de beperkingen van kapitaalbezit in apotheken. ( 22 ) In deze arresten heeft het Hof namelijk geoordeeld dat de vrijheid van vestiging niet in de weg staat aan nationale regelingen, zoals de Italiaanse en de Duitse wettelijke regelingen, die het bezit en de exploitatie van apotheken uitsluitend aan apothekers voorbehouden.
81.
In het kader van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772), stelde de Commissie, in haar eerste grief, dat de Franse regeling betreffende laboratoria voor biomedische analysen in strijd was met artikel 43 EG voor zover daarin werd bepaald dat een niet-bioloog niet meer dan een kwart van de aandelen en stemrechten kon bezitten in een vennootschap voor uitoefening van een vrij beroep met beperkte aansprakelijkheid [(société d’exercice libéral à responsabilité limitée)] (Selarl) waarin laboratoria voor medische biologie werden geëxploiteerd.
82.
De Commissie stelde in deze zaak dat de door het Hof gevolgde benadering van apotheken te verklaren viel door de zeer bijzondere aard van de geneesmiddelen. ( 23 ) Zij was van mening dat biomedische analysen evenwel uitsluitend op medisch voorschrift werden uitgevoerd, waardoor zowel de bescherming van de volksgezondheid als de beheersing van de kosten van de gezondheidszorg beter werden gewaarborgd. Het vereiste van een medisch voorschrift gold immers voor zowel de aard van de uit te voeren tests als de hoeveelheid ervan. ( 24 )
83.
De Commissie stelde ook dat de biomedische sector wordt gekenmerkt door een aanzienlijke financieringsbehoefte, waardoor hij zich onderscheidt van met name de apothekensector. De bestreden bepalingen maakten het namelijk niet mogelijk om groepen te creëren die de voor het aanbieden van een kwalitatief hoogstaande dienst vereiste investeringen konden doen. ( 25 )
84.
De door de Franse Republiek naar voren gebrachte doelstelling was dan ook de bescherming van de volksgezondheid. De bestreden bepalingen strekten er volgens deze lidstaat namelijk toe de onafhankelijkheid van biologen te verzekeren door te voorkomen dat zij zich bij het nemen van beslissingen laten leiden door economische overwegingen in plaats van door gezondheidsoverwegingen. ( 26 )
85.
In zijn arrest heeft het Hof eraan herinnerd dat zowel uit zijn rechtspraak als uit artikel 152, lid 5, EG blijkt dat het Unierecht niet afdoet aan de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, en met name om maatregelen te nemen om gezondheidsdiensten en medische zorg te organiseren en aan te bieden. ( 27 )
86.
Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moeten de lidstaten echter het Unierecht eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van primair recht betreffende de vrijheden van verkeer, daaronder begrepen de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG. Op grond van deze bepalingen is het de lidstaten verboden, ongerechtvaardigde beperkingen van het gebruik van deze vrijheden op het gebied van de gezondheidszorg in te voeren of te handhaven. ( 28 )
87.
Bij de beoordeling van de nakoming van deze verplichting moet er niettemin rekening mee worden gehouden dat de gezondheid en het leven van personen op de eerste plaats staan onder de goederen en belangen die door het EG-Verdrag worden beschermd, en dat het de taak van de lidstaten is om te beslissen op welk niveau zij de bescherming van de volksgezondheid wensen te verzekeren, en hoe dit dient te gebeuren. Aangezien dit niveau per lidstaat kan verschillen, beschikken de lidstaten over een beoordelingsmarge. ( 29 )
88.
Volgens vaste rechtspraak staat artikel 43 EG in de weg aan elke nationale regeling die, zelfs wanneer zij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, toch het gebruik van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging door gemeenschapsburgers kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken. ( 30 )
89.
Het is in dit verband van belang eraan te herinneren dat het begrip „beperking” in de zin van artikel 43 EG maatregelen van een lidstaat omvat die, ofschoon zij zonder onderscheid van toepassing zijn, van ongunstige invloed zijn op de toegang tot de markt van ondernemingen van andere lidstaten en aldus het verkeer binnen de Unie belemmeren.
90.
Volgens het Hof levert met name een regeling die de vestiging in de lidstaat van ontvangst van een markdeelnemer uit een andere lidstaat afhankelijk stelt van de afgifte van een voorafgaande vergunning en de uitoefening van een activiteit als zelfstandige voorbehoudt aan bepaalde marktdeelnemers die voldoen aan vooraf vastgestelde vereisten waaraan voor de verlening van deze vergunning moet worden voldaan, een beperking in de zin van artikel 43 EG op. ( 31 )
91.
Het is duidelijk, zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772), dat de voorwaarde van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 dat laboratoria voor medische biologie, om in aanmerking te komen voor tegemoetkomingen van het RIZIV, slechts door personen gemachtigd om verstrekkingen van klinische biologie te verrichten, kunnen worden geëxploiteerd, de mogelijkheid om zich in België te vestigen voor natuurlijke en rechtspersonen uit andere lidstaten die niet aan die voorwaarde voldoen, beperkt. Het vooruitzicht om voor vergoeding door het RIZIV in aanmerking komende verstrekkingen niet te kunnen leveren, kan marktdeelnemers die niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 ontmoedigen om zich in België te vestigen. Deze nationale bepaling leidt er dus toe dat deze marktdeelnemers worden belemmerd of het voor hen minder aantrekkelijk is om hun werkzaamheden door middel van een vaste inrichting op Belgisch grondgebied uit te oefenen en wordt hun toegang tot de Belgische markt van biomedische analysen nadelig beïnvloed.
92.
Derhalve moet thans worden nagegaan of een dergelijke beperking gerechtvaardigd kan zijn.
93.
Volgens vaste rechtspraak kunnen beperkingen van de vrijheid van vestiging die zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing zijn, worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, op voorwaarde dat zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken. ( 32 )
94.
Ik stel vast dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is.
95.
De bescherming van de volksgezondheid is, zoals het Hof heeft erkend, een van de overwegingen die een rechtvaardiging kunnen vormen voor beperkingen van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer, zoals de vrijheid van vestiging. ( 33 )
96.
In dat verband volgt uit de rechtspraak dat de doelstelling de kwaliteit van de medische diensten op peil te houden, onder één van de in artikel 46 EG vastgestelde afwijkingen kan vallen voor zover zij bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van gezondheidsbescherming. ( 34 )
97.
Bovendien moet de in geding zijnde nationale bepaling geschikt zijn om de verwezenlijking van deze doelstelling te waarborgen.
98.
Het Hof stelde in dit opzicht in zijn arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772), dat de biomedische sector een bijzonder karakter heeft en een hoofdrol speelt in de gezondheidszorg. ( 35 )
99.
Het Hof onderschreef de analyse van advocaat-generaal Mengozzi ( 36 ) dat „[…] zoals de verstrekking van een ongeschikt medicijn door een apotheker aan de klant ernstige gevolgen kan hebben, ook een voor een bepaald geval ongeschikte biomedische analyse, of een te late of verkeerd uitgevoerde analyse aan de basis [kan] liggen van onder andere foute diagnoses en behandelingen”. ( 37 ) Bovendien oordeelde het Hof dat „[…] zoals dit ook het geval is bij overconsumptie of onjuist gebruik van geneesmiddelen, de kwantitatief dan wel kwalitatief onjuiste of voor een bepaald geval ongeschikte uitvoering van biomedische analysen onnodige kosten voor het socialezekerheidsstelsel, en dus voor de staat, met zich [kan] brengen”. ( 38 )
100.
Het Hof leidde hieruit af dat „[…] blijkt dat de uitvoering van biomedische analysen, wanneer dit onjuist of op ongeschikte wijze gebeurt, een risico voor de volksgezondheid meebrengt dat te vergelijken valt met het risico als gevolg van de voor een bepaald geval ongeschikte verstrekking van geneesmiddelen, dat het Hof heeft kunnen onderzoeken in het arrest van 19 mei 2009,Commissie/Italië, [C‑531/06, EU:C:2009:315] […] en het arrest Apothekerkammer des Saarlandes e.a. […] [C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316]. Bedoeld risico lijkt daarentegen niet vergelijkbaar met het risico dat gepaard gaat met de verstrekking van onjuiste of in een bepaald geval ongeschikte optische producten, waarover het ging in het […] arrest [van 21 april 2005,] Commissie/Griekenland [C‑140/03, EU:C:2005:242]. Een dergelijke afgifte kan weliswaar negatieve gevolgen hebben voor de patiënt, maar de Commissie heeft evenwel niet aangetoond dat dit even ernstig is als de onjuiste of voor een bepaald geval ongeschikte uitvoering van biomedische analysen.” ( 39 )
101.
Volgens het Hof, „[g]elet op, enerzijds, de gelijkenissen die vanuit het oogpunt van de risico’s voor de volksgezondheid bestaan tussen de apothekensector en de sector voor biomedische analysen en, anderzijds, de omstandigheid dat, anders dan de Commissie stelt, deze twee sectoren niet werkelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden op het punt van de vaststellingen inzake medische voorschriften of van de financieringsbehoeften, lijken de beginselen die zijn geformuleerd in het arrest van 19 mei 2009, Commissie/Italië [C‑531/06, EU:C:2009:315], […], en in het arrest Apothekerkammer des Saarlandes e.a. [C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316], […], betreffende beperkingen aan het aandeelhouderschap van apotheken, derhalve volledig toepasbaar op de onderhavige zaak”. ( 40 ) Dientengevolge, „[g]elet op de bevoegdheid van de lidstaten om zelf te bepalen op welk niveau zij de bescherming van de volksgezondheid wensen te verzekeren, moet dus worden erkend dat zij kunnen eisen dat biomedische analysen worden uitgevoerd door biologen met een reële professionele onafhankelijkheid. Zij kunnen ook maatregelen nemen om een risico van aantasting van die onafhankelijkheid weg te nemen of te verminderen wanneer een dergelijke aantasting de volksgezondheid en de kwaliteit van de medische diensten in gevaar zou kunnen brengen […].” ( 41 ) Het Hof was ook van oordeel dat „[n]iet-biologen […] per definitie geen opleiding, ervaring en aansprakelijkheid [hebben] die vergelijkbaar zijn met die van biologen. In die omstandigheden bieden zij niet dezelfde waarborgen als biologen.” ( 42 )
102.
In het kader van het onderzoek van de vraag of de beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 43 EG niet verder ging dan noodzakelijk was om het doel van bescherming van de volksgezondheid te bereiken, stelde de Commissie in het bijzonder dat dit doel zou kunnen worden bereikt met minder beperkende maatregelen, zoals het vereiste dat biomedische analysen moeten worden uitgevoerd door deskundig personeel dat over de nodige kwalificaties beschikt en onderworpen is aan het deontologische beginsel van onafhankelijkheid van gezondheidswerkers. Gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten en op basis van zijn betoog inzake deelneming in het kapitaal van apotheken, heeft het Hof echter geoordeeld dat „[…] een lidstaat [kan] oordelen dat er een risico bestaat dat de regels die de professionele onafhankelijkheid van de biologen beogen te waarborgen, in de praktijk niet in acht worden genomen omdat het belang van een niet-bioloog bij het maken van winst niet in dezelfde mate wordt getemperd als dat van een zelfstandige bioloog, en omdat biologen in loondienst, door het feit dat zij ondergeschikt zijn aan een Selarl die laboratoria voor biomedische analyse exploiteert en waarvan de meerderheid van het kapitaal in handen van niet-biologen is, zich moeilijk zullen kunnen verzetten tegen de instructies van deze niet-biologen”. ( 43 ) Volgens het Hof „kan in het bijzonder niet worden uitgesloten dat deze niet-biologen in de verleiding komen om af te zien van in economisch opzicht minder rendabele of moeilijker te realiseren onderzoeken, of om minder uitgebreid advies te verlenen aan de patiënten tijdens de preanalytische en postanalytische fasen, welke adviesverlening een kenmerk is van de organisatie van de medische biologie in Frankrijk”. ( 44 )
103.
Ik ben van mening dat, ook al is de Belgische regeling die in de onderhavige zaak aan de orde is niet gelijk aan de door het Hof in zijn arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772) onderzochte regeling, op grond van de leidraad van zowel dit arrest als van de arresten inzake deelneming in het kapitaal van apotheken, kan worden geoordeeld dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 verenigbaar is met artikel 43 EG voor zover de beperking van de vrijheid van vestiging door deze regeling wordt gerechtvaardigd door het doel van bescherming van de volksgezondheid en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
104.
Uit het dossier waarover het Hof beschikt en in het bijzonder het arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 december 2007, volgt dat artikel 3 van KB 143 tot doel had de toenemende overconsumptie in de sector van de klinische biologie en het in deze sector vastgestelde onjuiste gebruik, te bestrijden.
105.
Met de Belgische regering ben ik van mening dat, door er voor te zorgen dat de laboratoria niet worden geëxploiteerd door personen met kwalificaties die niet passen bij de gezondheidssector, maar door professionals op het gebied van verstrekkingen van klinische biologie die, op grond van hun beroepsregels, hun werkzaamheden niet uit louter winstoogmerk mogen verrichten, maar daarentegen de doelstelling van de volksgezondheid in acht moeten nemen en in de eerste plaats moeten zorgen voor de gezondheid van de patiënt en de kwaliteit van de verstrekkingen, de Belgische wetgever een maatregel heeft ingevoerd die geschikt is ter bereiking van het doel van het bestrijden van de overconsumptie en de in de sector van de klinische biologie vastgestelde misbruiken.
106.
Ik wijs er nogmaals op dat vaststaat dat de bescherming van de volksgezondheid een van de dwingende redenen van algemeen belang is die krachtens artikel 46, lid 1, EG beperkingen van de vrijheid van vestiging kunnen rechtvaardigen. Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de doelstelling die erin bestaat het risico van een ernstige aantasting van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel te voorkomen, binnen deze afwijking valt. ( 45 ) De doelstelling van het bestrijden van de toenemende overconsumptie en het vastgestelde onjuiste gebruik in de sector van de klinische biologie, houdt rechtstreeks verband met laatstgenoemde doelstelling.
107.
In verband met het voorgaande punt, moet in herinnering worden geroepen dat volgens het Hof, in zijn arresten inzake de deelneming in het kapitaal van apotheken, „[o]verconsumptie of onjuist gebruik van geneesmiddelen […] tot verspilling [leidt] van financiële middelen, wat moet worden vermeden, temeer daar de farmaceutische sector aanzienlijke kosten met zich brengt en aan toenemende behoeften moet voldoen, terwijl de financiële middelen die voor de gezondheidszorg beschikbaar zijn, ongeacht welke financieringswijze wordt toegepast, niet onbeperkt zijn”. ( 46 ) In dit verband heeft het Hof erop gewezen dat „er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze financiële middelen en de winst van de marktdeelnemers in de farmaceutische sector, aangezien in de meeste lidstaten receptgeneesmiddelen worden vergoed door de betrokken socialezekerheidsstelsels”. ( 47 )
108.
Het Hof leidde hieruit af dat, gelet op de risico’s voor de volksgezondheid en voor het financiële evenwicht van de socialezekerheidsstelsels, „[…] de lidstaten aan de met de detailverkoop van geneesmiddelen belaste personen strikte eisen [kunnen] stellen, met name ter zake van de verkoopmodaliteiten en het winststreven. Zij kunnen inzonderheid de detailverkoop van geneesmiddelen in beginsel voorbehouden aan apothekers wegens de waarborgen die dezen moeten bieden en wegens de informatie die zij aan de consument moeten kunnen verschaffen.” ( 48 )
109.
Ik ben overigens van mening dat artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstelling van het bestrijden van toenemende overconsumptie en het vastgestelde onjuiste gebruik in de sector van de klinische biologie, te bereiken. Het doel van deze bepaling is immers niet het bestaan en de exploitatie van laboratoria die niet voldoen aan de in de bepaling gestelde eisen, te verbieden, maar louter de vergoeding door het RIZIV van analysen aan specifieke voorwaarden te onderwerpen betreffende de professionele kwalificatie van de exploitanten van deze laboratoria. Gelet op bovengenoemde rechtspraak van het Hof betreffende de deelneming in het kapitaal van apotheken en laboratoria voor biomedische analysen, ben ik van mening dat deze eisen proportioneel zijn.
110.
Gelet op het voorgaande moet artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB nr. 143 geacht worden verenigbaar te zijn met artikel 43 EG.
111.
Thans moeten de gevolgen hiervan voor de aansprakelijkheidsstelling door Ullens de Schooten van de Belgische Staat wegens schending van het Unierecht, worden vastgesteld.
112.
Volgens vaste rechtspraak wordt door het Unierecht een recht op schadevergoeding erkend wanneer is voldaan aan drie voorwaarden, te weten dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, en dat er een direct causaal verband bestaat tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade. ( 49 )
113.
Indien de premisse volgens welke er sprake is van schending van het Unierecht op grond van de onverenigbaarheid van artikel 3, lid 1, punten 3 en 4, van KB 143 met artikel 43 EG, onjuist blijkt te zijn, heeft Ullens de Schooten volgens het Unierecht geen recht op schadevergoeding in het kader van de aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat.
114.
Hieruit volgt in elk geval dat een dergelijke vordering door het Hof van beroep Brussel niet mag worden toegewezen. Een antwoord van het Hof op de eerste, de derde en de vierde vraag, die alle op deze, mijns inziens onjuiste, premisse van schending van het Unierecht door de Belgische Staat zijn gebaseerd, is derhalve volstrekt niet nuttig voor de beslissing in het hoofdgeding. Ik geef het Hof dan ook in overweging om zijn antwoord te beperken tot de hiervoor in de onderhavige conclusie onderzochte punten.
III – Conclusie
115.
Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van het Hof van beroep Brussel (België) te beantwoorden als volgt:
„In omstandigheden als die van het hoofdgeding, is een beroep op artikel 43 EG mogelijk in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen een lidstaat wegens schending van het Unierecht.
Artikel 43 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voorschrijft dat alleen laboratoria voor klinische biologie die worden geëxploiteerd door personen die gemachtigd zijn om verstrekkingen van klinische biologie te verrichten, te weten artsen, apothekers of licentiaten in de scheikunde, analysen kunnen verrichten die voor vergoeding door het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat in aanmerking komen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Belgisch Staatsblad van 12 januari 1983.
( 3 ) Artikel 3, lid 1, van KB nr. 143 luidt als volgt:
„Het laboratorium moet worden uitgebaat:
[…]
3°
hetzij door een of meer personen gemachtigd om verstrekkingen van klinische biologie uit te voeren, die effectief in dit laboratorium dergelijke verstrekkingen uitvoeren en die geen voorschrijvende geneesheren zijn;
4°
hetzij door een burgerlijke vennootschap die de vorm heeft aangenomen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een vennootschap onder firma of een coöperatieve vennootschap waarvan de vennoten, zaakvoerders en bestuurders uitsluitend bestaan uit personen vermeld onder 3° van dit lid;
[…]”
( 4 ) Punt 9.
( 5 ) Punt 11.
( 6 ) Hierna: „EVRM”.
( 7 ) EU:ECHR:2011:0920JUD000398907.
( 8 ) Zie in dit verband punt 24 van de verwijzingsbeslissing.
( 9 ) Arrest van 28 maart 1979, Saunders (175/78, EU:C:1979:88, punt 11).
( 10 ) Arrest van 28 maart 1979, Saunders (175/78, EU:C:1979:88, punt 12).
( 11 ) Picod, F., „Vrij verkeer en interne situatie”, Revue des affaires européennes, 2003‑2004/1, blz. 47, in het bijzonder blz. 48.
( 12 ) Arrest van 8 mei 2013, Libert e.a. (C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 13 ) Volgens Ullens de Schooten biedt zijn situatie vele aanknopingspunten met het Unierecht. Zo stelt hij dat hij gebruikmaakt van zijn vrijheid van verkeer in andere lidstaten en dat het laboratorium BIORIM geëxploiteerd wordt middels in andere lidstaten geplaatst kapitaal, met name in Luxemburg waar verschillende bankrekeningen op naam van dit laboratorium zijn geopend. De Belgische Staat zou verschillende Luxemburgse vennootschappen hebben gedagvaard wegens aansprakelijkheid voor de belastingschulden van Ullens de Schooten. Bovendien zouden onderdanen die in andere lidstaten zijn gevestigd, gebruik hebben kunnen maken van de diensten van het laboratorium BIORIM.
( 14 ) Zie arrest van 22 december 2010, Omalet (C‑245/09, EU:C:2010:808).
( 15 ) Punt B.4.3. van genoemd arrest.
( 16 ) Zie met name arresten van 11 maart 2010, Attanasio Group (C‑384/08, EU:C:2010:133, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook punt 24); 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez (C‑570/07 en C‑571/07, EU:C:2010:300, punt 40); 19 juli 2012, Garkalns (C‑470/11, EU:C:2012:505, punt 21); 8 mei 2013, Libert e.a. (C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 34), en 5 december 2013, Venturini e.a. (C‑159–C‑161/12, EU:C:2013:791, punt 25), alsook 15 oktober 2015, Grupo Itevelesa e.a. (C‑168/14, EU:C:2015:685, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook punt 36). Zie ook, voor een synthese van deze tendens in de rechtspraak, de punten 33 tot en met 38 van de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de gevoegde zaken Venturini e.a. (C‑159/12–C‑161/12, EU:C:2013:529). Cheynel, B. brengt in „Zuiver interne situaties in het licht van het arrest Libert e.a.”, Revue des affaires européennes, 2013/2, blz. 405, betreffende het arrest van 8 mei 2013, Libert e.a. (C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288), het volgende naar voren: „het Hof lijkt er te hebben toegestaan dat de enkele mogelijkheid van beperkende gevolgen van een nationale regeling voortaan volstaat om deze regeling onder de werkingssfeer van de artikelen 21 VWEU (vrij verkeer van burgers), 45 (vrij verkeer van werknemers), 49 (vrijheid van vestiging), 56 (vrij verkeer van diensten) en 63 (vrij verkeer van kapitaal) te brengen, ongeacht de situatie van de onderdaan van de Unie die zich heeft beroepen op strijdigheid van een dergelijke regeling met genoemde bepalingen” (blz. 407).
( 17 ) Zie met name de beschikking van 14 maart 2013, Loreti e.a. (C‑555/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:174, punt 20en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 18 ) Zie met name arrest van 21 april 2005, Commissie/Griekenland (C‑140/03, EU:C:2005:242, punt 27en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 19 ) Zie met name arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 67).
( 20 ) Zie met name arresten van 18 december 2014, Abdida (C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 oktober 2015, Biovet (C‑306/14, EU:C:2015:689, punt 17en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) Er is sprake van „een tendens in de rechtspraak om de eisen van de interne markt, in dit geval de vrijheid van vestiging en de bescherming van de volksgezondheid, op evenwichtige wijze met elkaar in overeenstemming te brengen” (zie Michel, V., „Laboratoria voor medische analysen”, Revue Europe nr. 2, februari 2011, opm. 59).
( 22 ) Zie arresten van 19 mei 2009, Commissie/Italië (C‑531/06, EU:C:2009:315), en Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316).
( 23 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 23).
( 24 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 24).
( 25 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 25).
( 26 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 31).
( 27 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 40).
( 28 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 29 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 30 ) Zie met name arrest van 19 mei 2009, Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316, punt 22en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 31 ) Zie met name arrest van 19 mei 2009, Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 32 ) Zie met name arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 33 ) Zie met name arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 34 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 35 ) Punt 56.
( 36 ) Zie punten 83 en 84 van de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:305).
( 37 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 57).
( 38 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 57).
( 39 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 58).
( 40 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 65).
( 41 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 42 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 43 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 82en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 44 ) Zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Frankrijk (C‑89/09, EU:C:2010:772, punt 82en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 45 ) Zie met name arrest van 10 maart 2009, Hartlauer (C‑169/07, EU:C:2009:141, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 46 ) Zie arresten van 19 mei 2009, Commissie/Italië (C‑531/06, EU:C:2009:315, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316, punt 33).
( 47 ) Zie arresten van 19 mei 2009, Commissie/Italië (C‑531/06, EU:C:2009:315, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316, punt 33).
( 48 ) Zie arresten van 19 mei 2009, Commissie/Italië (C‑531/06, EU:C:2009:315, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Apothekerkammer des Saarlandes e.a. (C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316, punt 34).
( 49 ) Zie met name arrest van 10 juli 2014, Ogieriakhi (C‑244/13, EU:C:2014:2068, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Full & Egal Universal Law Academy