CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 8 september 2016 ( 1 )
Zaak C‑348/15
Stadt Wiener Neustadt
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Milieubeleid — Richtlijn 85/337/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG — Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten — Werkingssfeer — Regeling van een lidstaat tot regularisatie van een definitieve vergunning ondanks het ontbreken van een milieueffectbeoordeling — Rechtszekerheid en bescherming van het gewettigde vertrouwen”
I – Inleiding
1.
Uit een aantal zaken betreffende Oostenrijk is gebleken dat in deze lidstaat bij de toepassing van de MEB-richtlijn ( 2 ) althans in het verleden grote moeilijkheden bestonden. ( 3 ) Er valt te vrezen dat vele projecten waarvoor ingevolge die richtlijn een milieueffectbeoordeling had moeten worden uitgevoerd, zonder een dergelijke beoordeling zijn gerealiseerd.
2.
In de onderhavige prejudiciële procedure is een bepaling aan de orde die de gevolgen van een dergelijke schending van de MEB-richtlijn regelt. Ingevolge die bepaling wordt voor een project geacht een vergunning te zijn afgegeven in overeenstemming met de Oostenrijkse uitvoeringswetgeving, wanneer er sinds de vergunningverlening, die in strijd met die bepalingen was, drie jaar is verstreken. Deze termijn beperkt tegelijkertijd de bevoegdheid van de bevoegde instanties om een met schending van de Oostenrijkse voorschriften verleende vergunning nietig te verklaren.
3.
Bijgevolg moet worden verduidelijkt in hoeverre een dergelijke fictie van een rechtmatige vergunning verenigbaar is met het Unierecht. De beslissing van het Hof van Justitie kan aanzienlijke praktische gevolgen hebben in Oostenrijk maar ook in andere lidstaten.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
4.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft een uitzondering van de verplichting om een milieueffectbeoordeling uit te voeren, die eerst in artikel 1, lid 5 ( 4 ), en vervolgens in artikel 1, lid 4 ( 5 ), van de MEB-richtlijn was neergelegd:
„Deze richtlijn is niet van toepassing op projecten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wet, aangezien de doelstellingen die met de onderhavige richtlijn worden nagestreefd, met inbegrip van de verstrekking van gegevens, dan worden bereikt via de wetgevingsprocedure.”
5.
Deze bepaling is thans, licht gewijzigd, terug te vinden in artikel 2, lid 5, van de MEB-richtlijn.
6.
Voorts dient te worden gewezen op de fundamentele verplichting van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, die niet is gewijzigd door voormelde wijzigingen van de richtlijn:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. […]”
B – Oostenrijks recht
7.
Van belang in de onderhavige zaak zijn twee bepalingen van het Oostenrijkse Umweltverträglichkeitsprüfungsgesetz (UVP‑G 2000) (wet milieueffectbeoordeling), in de in casu van toepassing zijnde versie van het jaar 2009. § 3, lid 6, voorziet in een vervaltermijn voor de nietigverklaring van vergunningen die zonder de vereiste milieueffectbeoordeling zijn afgegeven:
„Vóór de afronding van de milieu-effectbeoordeling of de individuele beoordeling mogen voor projecten die onderhevig zijn aan een beoordeling in de zin van de leden 1, 2 of 4 geen vergunningen worden afgegeven en hebben bekendmakingen die zijn verricht op grond van bestuurlijke bepalingen geen juridische werking. Vergunningen die in strijd met deze bepaling worden afgegeven, kunnen door de volgens § 39, lid 3, bevoegde instantie binnen een termijn van drie jaar nietig worden verklaard.”
8.
§ 46, lid 20, punt 4, UVP‑G 2000 voorziet in een vergunningsfictie voor oudere projecten, die aanknoopt bij § 3, lid 6:
„Projecten waarvoor de vergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van federale wet BGBl. I nr. 87/2009 niet meer onderhevig is aan de nietigheidsdreiging van § 3, lid 6, gelden als goedgekeurd overeenkomstig die federale wet.”
III – Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing
9.
Volgens de processtukken exploiteert .A.S.A. Abfall Service AG (hierna: „ASA Abfall”) in de stad Wiener Neustadt een installatie voor de fysisch-chemische behandeling van gevaarlijk afval, een afvaloverslagstation en een installatie voor de productie van vervangingsbrandstoffen. De onderhavige zaak betreft alleen deze laatste installatie.
10.
Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt in laatstbedoelde installatie vooral kunststofafval in meerdere stappen versnipperd tot er een industrieel inzetbare vervangingsbrandstof wordt verkregen die voornamelijk in de cementindustrie wordt gebruikt. In de installatie wordt dus ongevaarlijk afval fysisch behandeld.
11.
De installatie beschikt over verschillende sectorale vergunningen, te weten vergunningen voor industriële installaties die de burgemeester van de stad Wiener Neustadt in de jaren 1986 en 1993 uit hoofde van het nijverheidsrecht heeft afgegeven. Die vergunningen hadden betrekking op de behandeling van een capaciteit van 9990 ton per jaar. Op 10 december 2002 heeft Landeshauptmann van Niederösterreich uit hoofde van het recht inzake afvalbeheer een vergunning afgegeven voor de uitbreiding van installatie tot maximaal 34000 ton per jaar. Dat besluit bevat geen bepalingen betreffende de maximale dagelijks te verwerken hoeveelheid. De installatie beschikt niet over een vergunning uit hoofde van het UVP‑G 2000, dat in Oostenrijk de milieueffectbeoordeling regelt.
12.
Volgens de vaststellingen in de nationale procedure zou de capaciteitsverhoging tot stand worden gebracht door uitbreiding van de bestaande verwerkingslijn en de bouw van een tweede verwerkingslijn. De huidige productie ligt bij 17000 à 21000 ton per jaar, hetgeen betekent dat de toegestane capaciteit niet volledig wordt benut. Dit is te wijten aan het feit dat de bij het voornoemde besluit goedgekeurde tweede verwerkingslijn tot dusver nog niet werd gebouwd.
13.
Bij de inwerkingtreding van de wet van 2009 tot wijziging van het UVP‑G, op 19 augustus 2009, was het definitieve besluit van 10 december 2002 niet meer onderhevig aan de nietigheidsdreiging van § 3, lid 6, van het UVP‑G 2000. Volgens die bepaling konden vergunningen voor MEB-plichtige projecten op grond van sectorale wetten, die in plaats van een vergunning uit hoofde van het UVP‑G 2000 waren afgegeven, binnen een termijn van drie jaar nietig worden verklaard.
14.
De Umweltanwalt (ombudsman in milieuzaken) van Niederösterreich verzocht de Niederösterreichische Landesregierung bij schrijven van 30 april 2014 om vast te stellen of de installaties, activiteiten en maatregelen van ASA Abfall op de locatie Wiener Neustadt zowel afzonderlijk als in combinatie voldeden aan de criteria van het UVP‑G 2000 en er dus een verplichting bestond om een milieueffectbeoordeling uit te voeren.
15.
Bij besluit van 27 juni 2014 stelde de Niederösterreichische Landesregierung vast dat de installatie voor de productie van vervangingsbrandstoffen niet onder de verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling viel. Ter motivering verwees zij onder meer naar § 46, lid 20, punt 4, van het UVP‑G 2000, dat bepaalt dat bestaande installaties na afloop van de in § 3, lid 6, van die wet vastgelegde termijn van drie jaar worden beschouwd als goedgekeurd krachtens het UVP‑G 2000.
16.
Tegen dat besluit heeft de stad Wiener Neustadt beroep ingesteld. Nadat het beroep in eerste aanleg was verworpen, is thans het hoger beroep van de stad Wiener Neustadt bij het Verwaltungsgerichtshof aanhangig. Het Verwaltungsgerichtshof stelt het Hof de volgende vraag:
„Verzet het Unierecht, in het bijzonder [de nieuwe versie van de MEB-richtlijn], en met name artikel 1, lid 4, daarvan, respectievelijk [de vroegere versie van deze richtlijn], en met name artikel 1, lid 5, daarvan, zich tegen een nationale bepaling uit hoofde waarvan MEB-plichtige projecten waarvoor geen vergunning is verstrekt uit hoofde van het nationale Umweltverträglichkeitsprüfungsgesetz […], maar die alleen beschikken over uit hoofde van een aantal specifieke sectorale wetten (bijvoorbeeld de wet inzake afvalbeheer) afgegeven vergunningen die op 19 augustus 2009 (datum van de inwerkingtreding van de wet tot wijziging van het UVP‑G 2009) niet meer nietig konden worden verklaard, aangezien een in het nationale recht (§ 3, lid 6, UVP‑G 2000) vastgelegde termijn van drie jaar was verstreken, worden beschouwd als goedgekeurd volgens het UVP‑G 2000, of beantwoordt een dergelijke regeling aan de in het Unierecht verankerde beginselen van rechtszekerheid en vertrouwensbescherming”?
17.
De stad Wiener Neustadt, .A.S.A. Abfall Service AG en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV – Juridische beoordeling
18.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de vraag in hoeverre het met de MEB-richtlijn verenigbaar is het ontbreken van een voorgeschreven milieueffectbeoordeling te regulariseren door de juridische fictie dat het project is goedgekeurd in overeenstemming met de uitvoeringswetgeving van de MEB-richtlijn.
19.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft daarentegen niet de vraag, of voor de litigieuze afvalverwerkingsinstallatie een milieueffectbeoordeling was vereist ( 6 ), en evenmin de vraag of alle vereisten van een dergelijke beoordeling reeds waren vervuld in het kader van een andere procedure ( 7 ).
20.
Ter beantwoording van de prejudiciële vraag dient om te beginnen te worden vastgesteld welke versie van de MEB-richtlijn van toepassing is (zie onder A), vervolgens dient te worden ingegaan op de fundamentele verplichting om de milieueffecten te beoordelen (zie onder B), daarna op de in de vraag uitdrukkelijk vermelde bepaling betreffende de goedkeuring van projecten door de wetgever, vroeger artikel 1, lid 4 respectievelijk lid 5, thans artikel 2, lid 5, van de MEB-richtlijn (zie onder C) en ten slotte op het doeltreffendheidsbeginsel, dat de praktische uitvoering van Unierechtelijke verplichtingen beheerst (zie onder D).
A – Relevante versie van de MEB-richtlijn
21.
Het is juist dat het in geding zijnde verzoek om een declaratoir vonnis in 2014 werd ingediend en dat de definitieve beslissing waarschijnlijk niet vóór 2017 zal worden gewezen. Niettemin dient de verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling te worden beoordeeld op basis van de voorschriften die van toepassing waren op de betrokken vergunning. In dat verband komt alleen de vergunning voor de uitbreiding van de capaciteit van 10 december 2002 in aanmerking, aangezien de overige vergunningen werden verleend voordat Oostenrijk toetrad tot de Unie.
22.
Op 10 december 2002 was richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, van toepassing. Volgens artikel 3, lid 2, van die laatste richtlijn waren de daarbij aangebrachte wijzigingen van toepassing op vergunningsaanvragen die vanaf 14 maart 1999 waren ingediend.
23.
Aangezien ASA Abfall de vergunning van 10 december 2002 op 17 juni 2002 heeft aangevraagd ( 8 ), is dus richtlijn 85/337 zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, van toepassing.
B – Beoordelingsverplichting
24.
Het uitgangspunt voor de beantwoording van de prejudiciële vraag moet artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn zijn. Volgens die bepaling treffen de lidstaten de nodige maatregelen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten.
25.
Om die reden heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat in het kader van hun bevoegdheden alle noodzakelijke algemene en bijzondere maatregelen dienen te treffen om te verzekeren dat de projecten worden onderzocht teneinde vast te stellen of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, indien dit het geval is, dat zij aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen. Tot deze bijzondere maatregelen behoren met name, binnen de grenzen van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten, de intrekking of de opschorting van een reeds verleende vergunning teneinde een beoordeling van de milieueffecten van het betrokken project, zoals bedoeld in de MEB-richtlijn, te verrichten. ( 9 )
26.
De in het Oostenrijkse recht vastgestelde vergunningsfictie zou tot gevolg kunnen hebben dat projecten die in strijd met de MEB-richtlijn zijn goedgekeurd, niet beoordeeld worden. Bijgevolg moet worden onderzocht, of de juridische fictie kan worden gebaseerd op uitzonderingen van de beoordelingsverplichting.
C – Uitzonderingen van de beoordelingsverplichting
27.
Zoals reeds voorzichtig te verstaan wordt gegeven in het verzoek om een prejudiciële beslissing en de stad Wiener Neustadt en de Commissie benadrukken, kan de juridische fictie van de goedkeuring van een onbekend aantal projecten waarvoor een milieueffectbeoordeling is vereist, niet worden gebaseerd op de uitzondering voor de goedkeuring bij wet van specifieke projecten, welke uitzondering toentertijd was neergelegd in artikel 1, lid 5, van de MEB-richtlijn (nadien in artikel 1, lid 4, en thans, met wijzigingen, in artikel 2, lid 5).
28.
Voor de toepassing van die uitzondering is immers vereist dat het project ten eerste in detail wordt aangenomen door een specifieke wet, en ten tweede heeft het Hof geoordeeld dat de doelstellingen van deze richtlijn, daaronder begrepen die van de verstrekking van gegevens, via de wetgevingsprocedure moeten (müssen) worden bereikt. ( 10 ) Dit laatste was weliswaar reeds beoogd in artikel 1, lid 4 respectievelijk lid 5, van de vroeger geldende versies van de richtlijn, maar werd in de jongste versie van de toepasselijke bepaling, artikel 2, lid 5, van de thans geldende MEB-richtlijn, duidelijker geformuleerd.
29.
De in Oostenrijk vastgestelde juridische fictie van vergunning van projecten werd daarentegen aangenomen zonder dat de betrokken projecten of de milieueffecten ervan überhaupt in detail bekend waren, laat staan dat zij waren beoordeeld. Bijgevolg is er geen sprake van een specifieke wet waarbij welbepaalde projecten zijn goedgekeurd, en evenmin werden de doelstellingen van de MEB-richtlijn via de wetgevingsprocedure bereikt.
30.
Dat betekent evenwel niet dat de uitzondering voor de goedkeuring van projecten bij wet in de weg staat aan een wettelijke goedkeuringsfictie. Veeleer bevat die bepaling alleen geen regeling betreffende een juridische fictie van vergunning van projecten waarvoor een milieueffectbeoordeling had moeten worden uitgevoerd.
31.
Volledigheidshalve zij erop gewezen, dat hetzelfde geldt voor de overige in de MEB-richtlijn vastgestelde uitzonderingen: zij zijn niet van toepassing, maar bevatten ook geen regeling ter zake van een wettelijke vergunningsfictie.
D – Doeltreffendheidsbeginsel
32.
Evenwel dient eraan te worden herinnerd, dat de reeds ( 11 ) vermelde verplichting tot intrekking of opschorting van bestaande vergunningen die zonder milieueffectbeoordeling werden afgegeven, wordt beperkt door het beginsel van de procesautonomie van de lidstaten. ( 12 )
33.
Krachtens dat beginsel behoren de toepasselijke procedurevoorschriften, in elk geval voor zover zij niet door het Unierecht worden geregeld, tot de interne rechtsorde van elke lidstaat, mits evenwel die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). ( 13 )
34.
In de onderhavige zaak lijkt geen sprake te zijn van een inbreuk op het gelijkwaardigheidsbeginsel.
1. Regularisering ex post (rechtzetting) van schendingen
35.
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, is het juist dat het Unierecht er zich niet tegen verzet dat verrichtingen of handelingen die naar Unierecht onregelmatig zijn, volgens de toepasselijke nationale regels in bepaalde gevallen kunnen worden geregulariseerd. Een dergelijke mogelijkheid behoort echter onderworpen te zijn aan de voorwaarde, dat zij de belanghebbenden niet in de gelegenheid stelt het Unierecht te omzeilen of buiten toepassing te laten, en uitzondering blijft. ( 14 )
36.
Zonder dat nader behoeft te worden onderzocht welke „bepaalde gevallen” grond zouden kunnen opleveren voor regularisering en of omzeilingsgevaar bestaat, kan worden vastgesteld dat de vergunningsfictie van het Oostenrijkse recht in elk geval geen uitzondering is.
37.
Het is juist dat de fictie een in beginsel afgesloten groep projecten betreft, namelijk projecten waarvoor meer dan drie jaar vóór de inwerkingtreding van de fictieregeling een vergunning is afgegeven. Evenwel is onduidelijk welke projecten daadwerkelijk in aanmerking komen voor deze regeling, omdat zij zijn goedgekeurd zonder dat de milieueffecten ervan waren beoordeeld, hoewel die beoordeling noodzakelijk was. Om dat op te helderen, zouden alle projecten moeten worden onderzocht, die tijdens de bewuste periode in Oostenrijk zijn goedgekeurd en binnen de werkingssfeer van de MEB-richtlijn zouden kunnen vallen, maar niet werden onderworpen aan een beoordeling van de milieueffecten ervan.
38.
Overigens heeft het Hof recentelijk in verband met de richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s ( 15 ), die veel gelijkenissen vertoont met de MEB-richtlijn, benadrukt, dat zelfs wanneer het erom gaat plannen en programma’s die in strijd met eerstgenoemde richtlijn zijn vastgesteld louter tijdelijk in stand te laten, in elk geval een beoordeling per geval is vereist en andere strikte voorwaarden gelden. ( 16 ) Gelet op de structuur van de bepalingen in het Oostenrijkse recht betreffende de wettelijke vergunningsfictie kan evenwel niet worden aangenomen dat sprake is van een beoordeling per geval.
2. Toelaatbaarheid van vervaltermijnen
39.
Dat betekent evenwel niet, dat vergunningen die zonder milieueffectbeoordeling zijn afgegeven, maar waarvoor een beoordeling had moeten worden verricht, zonder uitzondering moeten worden ingetrokken of opgeschort teneinde een beoordeling mogelijk te maken. Integendeel, volgens vaste rechtspraak is de vaststelling van redelijke beroepstermijnen op straffe van verval van rechten in het belang van de rechtszekerheid, die zowel particulieren als de overheidsinstanties beschermt, verenigbaar met het Unierecht. Dergelijke termijnen maken immers in beginsel de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk. ( 17 ) Zij zijn bijgevolg verenigbaar met het doeltreffendheidsbeginsel.
40.
De termijn van drie jaar voor de nietigverklaring van een vergunning die zonder de vereiste milieueffectbeoordeling werd afgegeven lijkt bijgevolg gepast en zelfs ruim bemeten, indien de betrokkenen – zoals de stad Wiener Neustadt in het hoofdgeding – kennis van de vergunning hadden of moesten hebben. ( 18 )
41.
In het belang van de rechtszekerheid staan de MEB-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel bijgevolg niet in de weg aan een nationale regeling die uitsluit dat de bevoegde instanties de in strijd met die richtlijn afgegeven vergunning voor een project nietig verklaren wanneer er sinds de vergunningverlening drie jaar is verstreken.
3. Overige verplichtingen van de MEB-richtlijn
42.
Een redelijke vervaltermijn voor de betwisting van een vergunning betekent evenwel niet dat kan worden aangenomen dat de vergunning conform de eisen van de MEB-richtlijn is afgegeven. Dat blijkt reeds uit het feit dat het Hof van Justitie een onderscheid maakt tussen de regularisering van een vergunning, die slechts bij uitzondering mogelijk is, en redelijke vervaltermijnen, die geen uitzonderlijk karakter hebben. Dit onderscheid heeft ook praktische gevolgen, aangezien niettegenstaande de vervaltermijn nog verplichtingen op grond van de MEB-richtlijn kunnen bestaan met betrekking tot het betrokken project.
43.
Het Hof heeft het bestaan van dergelijke verplichtingen reeds vastgesteld in het geval dat blijkt dat sinds de inwerkingtreding van de MEB-richtlijn materiële werken of ingrepen die als een project in de zin van deze richtlijn moeten worden beschouwd, zijn verricht zonder dat de milieueffecten ervan in een eerdere fase van de vergunningsprocedure aan een beoordeling zijn onderworpen. Het staat dan aan de bevoegde instanties om daar in de fase van de afgifte van een latere vergunning rekening mee te houden en de nuttige werking van die richtlijn te verzekeren door ervoor te zorgen dat een dergelijke beoordeling ten minste in deze fase van de procedure wordt uitgevoerd. ( 19 )
44.
Bij de litigieuze installatie lijkt bijvoorbeeld niet uitgesloten, dat nog een bouwvergunning vereist is voor de bouw van de tweede verwerkingslijn, waarvoor reeds een afvalvergunning is afgegeven. In het kader van een dergelijke vergunningsprocedure zou de milieueffectbeoordeling alsnog moeten worden uitgevoerd, wanneer zij aanvankelijk had moeten worden uitgevoerd.
45.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het gewettigd vertrouwen in het bestaan van de vergunning staan niet in de weg aan de verplichting om een niet-uitgevoerde milieueffectbeoordeling alsnog uit te voeren.
46.
Met de beoordeling als zodanig zijn immers geen materiële rechtsgevolgen voor het afwegen van de milieueffecten tegen andere factoren verbonden en evenmin wordt een verbod ingesteld op de uitvoering van projecten die nadelige milieueffecten kunnen hebben. ( 20 ) Weliswaar valt te hopen dat de vaststelling dat er sprake is van aanzienlijke aantastingen van het milieu resulteert in preventieve maatregelen of tot gevolg heeft dat van het project wordt afgezien. Wanneer dat evenwel niet geschiedt, heeft een milieueffectbeoordeling nog steeds de functie, informatie over de milieueffecten te verzamelen, te documenteren en te verspreiden. ( 21 )
47.
De nadelen voor de projectontwikkelaar bestaan voornamelijk in de kosten verbonden aan de beoordeling, doch hij had die lasten ook moeten dragen, wanneer de beoordeling op het vereiste tijdstip zou zijn uitgevoerd. Een eventueel vertrouwen in het vermijden van dat nadeel weegt in elk geval niet zwaarder dan het belang dat het publiek waarvoor een project gevolgen heeft, erbij heeft, volledige informatie over de milieueffecten ervan te ontvangen en dienaangaande zijn mening te geven.
48.
De in het hoofdgeding gevorderde vaststelling dat voor het project een milieueffectbeoordeling nodig is, zou ertoe kunnen bijdragen dat een niet-uitgevoerde milieueffectbeoordeling alsnog wordt uitgevoerd. Na een dergelijke vaststelling is het immers niet meer nodig om in het kader van een latere vergunningsprocedure erover te twisten of voor in het verleden uitgevoerde werken een beoordeling had moeten worden verricht, die alsnog moet worden uitgevoerd.
49.
Daarentegen valt te vrezen, dat de juridische fictie van een vergunning in overeenstemming met de MEB-richtlijn aldus wordt opgevat, dat de betrokken vergunning niet alleen definitief is, maar ook aan alle voorwaarden van de richtlijn voldoet.
50.
Bijgevolg verdraagt een juridische fictie op grond waarvan voor een project wordt geacht een vergunning te zijn afgegeven in overeenstemming met de MEB-richtlijn, wanneer er sinds de vergunningverlening, die in strijd met de richtlijn was, drie jaar is verstreken, zich niet met de richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel.
V – Conclusie
51.
Ik geef het Hof dan ook in overweging te beslissen als volgt:
„1)
In het belang van de rechtszekerheid staan richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG, en het doeltreffendheidsbeginsel niet in de weg aan een nationale regeling die uitsluit dat de bevoegde instanties de in strijd met die richtlijn afgegeven vergunning voor een project nietig verklaren wanneer er sinds de vergunningverlening drie jaar is verstreken.
2)
Een juridische fictie op grond waarvan voor een project wordt geacht een vergunning te zijn afgegeven in overeenstemming met richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, wanneer er sinds de vergunningverlening, die in strijd met de richtlijn was, drie jaar is verstreken, verdraagt zich niet met de richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Thans richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2011, L 26, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014, L 124, blz. 1).
( 3 ) Zie bijvoorbeeld de arresten van 14 maart 2013, Leth (C‑420/11, EU:C:2013:166), van 21 maart 2013; Salzburger Flughafen (C‑244/12, EU:C:2013:203); van 11 februari 2015, Marktgemeinde Straßwalchen e.a. (C‑531/13, EU:C:2015:79), en van 16 april 2015, Gruber (C‑570/13, EU:C:2015:231).
( 4 ) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985, L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB 1997, L 73, blz. 5).
( 5 ) Oorspronkelijke versie van richtlijn 2011/92.
( 6 ) Zie dienaangaande het arrest van 23 november 2006, Commissie/Italië (C‑486/04 [Massafra], EU:C:2006:732, punten 40e.v.).
( 7 ) Zie mijn conclusie in de zaak Gruber (C‑570/13, EU:C:2014:2374, punten 55‑59).
( 8 ) Blz. 12 van het besluit van 10 december 2002 (bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van ASA Abfall).
( 9 ) Arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 65).
( 10 ) Arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a. (C‑182/10, EU:C:2012:82, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 11 ) Zie punt 25 hierboven.
( 12 ) Arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 65).
( 13 ) Zie bijvoorbeeld arresten van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 67) en van 6 oktober 2015, Târșia (C‑69/14, EU:C:2015:662, punten 26 en 27).
( 14 ) Arresten van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06, EU:C:2008:380, punt 57), en van 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 87).
( 15 ) Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 (PB 2001, L 197, blz. 30).
( 16 ) Arrest van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C‑379/15, EU:C:2016:603, in het bijzonder punt 43).
( 17 ) Arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Central (33/76, EU:C:1976:188, punt 5); van 17 november 1998, Aprile (C‑228/96, EU:C:1998:544, punt 19); van 30 juni 2011, Meilicke e.a. (C‑262/09, EU:C:2011:438, punt 56), en van 29 oktober 2015, BBVA (C‑8/14, EU:C:2015:731, punt 28).
( 18 ) Zie mijn conclusie in de zaak Lesoochranárske zoskupenie VLK (C‑243/15, EU:C:2016:491, punt 108).
( 19 ) Arrest van 17 maart 2011, Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C‑275/09, EU:C:2011:154, punt 37).
( 20 ) Arrest van 14 maart 2013, Leth (C‑420/11, EU:C:2013:166, punt 46).
( 21 ) Zie mijn conclusie in de zaak Leth (C‑420/11, EU:C:2012:701, punten 49e.v.).
Full & Egal Universal Law Academy