CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. BOBEK
van 8 september 2016 ( 1 )
Zaak C‑354/15
Andrew Marcus Henderson
tegen
Novo Banco, SA
[verzoek van de Tribunal da Relação de Évora (rechter in tweede aanleg Évora, Portugal) om een prejudiciële beslissing]
„Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EG) nr. 1393/2007 — Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken — Kennisgeving per post — Aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging — Op gelijkwaardige wijze — Betekening of kennisgeving aan een derde — Formulier in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007”
I – Inleiding
1.
Een Portugese bank heeft een vordering ingesteld tegen een schuldenaar die in Ierland woont. Er waren drie problemen met de kennisgeving van de betreffende oproeping. Ten eerste werd het bewijs van ontvangst van de oproeping niet teruggezonden naar de Portugese rechtbank. Ten tweede zou het ter kennis gebrachte stuk weliswaar in ontvangst zijn genomen op het adres van de woonplaats van de schuldenaar, maar door een derde. Ten derde was bij het ter kennis gebrachte stuk niet het standaardformulier van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1393/2007 ( 2 ) (hierna: „bijlage II-formulier”) gevoegd, dat de geadresseerde in kennis had moeten stellen van zijn recht om te weigeren het stuk in ontvangst te nemen.
2.
In het hoofdgeding werd aangenomen dat de hierboven beschreven kennisgeving van dat stuk toch geldig was verricht, om de hiernavolgende drie redenen. Ten eerste bevestigde de Portugese postdienst op verzoek van de nationale rechter in een brief aan die rechter de datum en het tijdstip van afgifte van het stuk in Ierland. Ten tweede was de nationale rechter van oordeel dat ontvangst van de oproeping door een derde een vermoeden van kennisgeving aan de geadresseerde deed ontstaan en dat dit vermoeden niet was weerlegd. Ten derde oordeelde deze rechter dat het ontbreken van het bijlage II-formulier weliswaar problematisch was, maar dit gebrek werd hersteld door de omstandigheid dat de geadresseerde zich niet tegen het ontbreken van dit formulier had verzet binnen de daartoe in het nationale recht gestelde termijn.
3.
In casu wenst de verwijzende rechter te vernemen of die nationale regels betreffende de betekening of kennisgeving van een oproeping (citação) in overeenstemming zijn met de vereisten van verordening nr. 1393/2007.
II – Toepasselijk recht
A – Unierecht
4.
Luidens overweging 2 van verordening nr. 1393/2007 „is [het] voor de goede werking van de interne markt nodig de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen”.
5.
In overweging 6 van die verordening heet het dat het „[m]et het oog op de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken […] nodig [is] dat de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken tussen de door de lidstaten aangewezen plaatselijke instanties rechtstreeks en op snelle wijze geschiedt”.
6.
In artikel 8, lid 1, juncto artikel 8, lid 4, van verordening nr. 1393/2007 is de verplichting neergelegd om een bijlage II-formulier bij te voegen bij de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken, ook bij een kennisgeving per post. Het bijlage II-formulier strekt ertoe de geadresseerde in kennis te stellen van zijn recht om de ontvangst van het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, te weigeren op het ogenblik van de betekening of kennisgeving of binnen een week terug te zenden, indien het niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen: a) een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt, of b) de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.
7.
Artikel 8, lid 3, van verordening nr. 1393/2007 bepaalt dat „[i]ndien degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig lid 1 heeft geweigerd het stuk in ontvangst te nemen, […] de betekening of kennisgeving van het stuk [kan] worden geregulariseerd door aan degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig deze verordening betekening of kennisgeving te doen van het stuk vergezeld van een vertaling in een taal zoals bedoeld in lid 1. In dat geval is de datum van betekening of kennisgeving van het stuk die waarop de betekening of kennisgeving van het stuk vergezeld van de vertaling overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. Wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat echter binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, dan is de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking wordt genomen de datum van betekening of kennisgeving van het oorspronkelijke stuk, vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 2.”
8.
Artikel 9 van verordening nr. 1393/2007 betreft de datum van betekening of kennisgeving. Volgens artikel 9, lid 1, juncto artikel 9, lid 3, is de datum van betekening of kennisgeving in beginsel de datum waarop betekening of kennisgeving overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied.
9.
Artikel 9, lid 2, bepaalt: „Wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat […] binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, dan wordt de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking moet worden genomen, evenwel bepaald door het recht van deze lidstaat.”
10.
Artikel 14 van verordening nr. 1393/2007 luidt: „Elke lidstaat kan de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan in een andere lidstaat verblijvende personen rechtstreeks door postdiensten doen verrichten bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze.”
11.
Artikel 19 van verordening nr. 1393/2007 heeft betrekking op de niet-verschijning van de verweerder. In het relevante onderdeel van artikel 19, lid 1, is bepaald: „Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:
[…]
en dat de betekening of kennisgeving respectievelijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.”
B – Nationaal recht
12.
Volgens artikel 230 van de Código de Processo Civil (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „CPC”) wordt kennisgeving per post via aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging geacht te zijn verricht op de dag van ondertekening van de ontvangstbevestiging en aan de geadresseerde in persoon, ook indien de ontvangstbevestiging is ondertekend door een derde. Behoudens tegenbewijs door de geadresseerde geldt het vermoeden dat het schrijven naar behoren aan de geadresseerde is overhandigd.
13.
Overeenkomstig artikel 365, lid 3, en artikel 293, lid 2, van de CPC bedraagt de termijn voor verweer bij voorlopige maatregelen tien dagen. Krachtens artikel 366, lid 3, van de CPC wordt deze termijn verlengd met tien dagen wegens afstand.
14.
Betekening of kennisgeving van een oproeping zonder bijlage II-formulier vormt volgens Portugees recht en de nationale rechtspraak een schending van een wezenlijk vormvoorschrift, zodat de betekening of kennisgeving nietig is ingevolge artikel 191, lid 1, van de CPC.
15.
Volgens artikel 191, lid 2, van de CPC is de termijn voor het inroepen van nietigheid wegens niet-inachtneming van wezenlijke vormvoorschriften echter dezelfde als de termijn van verweer, dus in casu 20 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving. De nietigheid geldt als geregulariseerd indien zij niet binnen die termijn wordt ingeroepen.
III – Feiten, procesverloop voor de nationale rechter en prejudiciële vragen
16.
In 2008 hebben Novo Banco, SA (hierna: „verweerster”) en A. Henderson (hierna: „verzoeker”) twee overeenkomsten gesloten betreffende de financiële lease van winkels in de gemeente Portimão (Portugal). Verzoeker heeft de voor maart en augustus 2012 verschuldigde huur voor deze winkels niet betaald en betaalde ook daarna geen huur meer. Daarop heeft verweerster beide overeenkomsten opgezegd.
17.
Verzoeker weigerde de goederen terug te geven. Verweerster heeft tegen verzoeker een vordering ingesteld in Portugal, onder meer met het oog op voorlopige maatregelen, inzonderheid de teruggave van de goederen.
18.
Op het ogenblik dat de vordering werd ingesteld, woonde verzoeker in Ierland. Van de oproeping lijkt kennis te zijn gegeven bij aangetekend schrijven op verzoekers Ierse adres.
19.
De ontvangstbevestiging werd echter niet teruggezonden naar de nationale rechter. De nationale rechter heeft derhalve Correios, Telégrafos e Telefonos (Portugese postdienst; hierna: „CTT”) om informatie verzocht. De CTT heeft bij brief geantwoord dat „volgens de computergegevens van de postdienst van het land van bestemming, Ierland, […]” de brief houdende oproeping op 22 juli 2014 aan de geadresseerde was overhandigd. Aan de brief van CTT waren kopieën gehecht van de betrokken registratie in het posttraceringssysteem van de Ierse postdienst, met daarin het artikelnummer van het ter kennis gebrachte stuk, de streepjescode en de afleveringsgeschiedenis, die de datum en plaats van afgifte vermeldde en de naam en handtekening van de persoon die het stuk in ontvangst had genomen, weergaf. Die persoon had getekend met „A. Henderson”. ( 3 )
20.
Bij de oproeping was geen bijlage II-formulier gevoegd.
21.
Verzoeker heeft geen verweer ingediend binnen de in het Portugese recht gestelde termijn. Derhalve werd de door verweerster gevraagde voorlopige maatregel toegekend.
22.
Daarop is verzoeker bij de verwijzende rechter opgekomen tegen het vonnis waarbij de voorlopige maatregel werd toegekend en heeft hij verzocht te gelasten dat van de oproeping een nieuwe kennisgeving aan hem zou worden verricht. Hij stelde dat de oorspronkelijke kennisgeving niet in overeenstemming met de toepasselijke procedurele vereisten was verricht. Verzoeker wees erop dat de ontvangstbevestiging niet naar de rechtbank was teruggezonden. Voorts benadrukte hij dat niet was vastgesteld wie de oproeping daadwerkelijk in ontvangst had genomen. Hij voerde ook het ontbreken van het bijlage II-formulier aan, waardoor hij niet op de hoogte was van zijn recht om ontvangst van de oproeping te weigeren aangezien het stuk enkel aan hem ter kennis was gebracht in het Portugees, een taal die hij niet begrijpt. Hij stelde dat bij de oproeping een vertaling in het Engels of Iers – de enige talen van betekening en kennisgeving in Ierland – had moeten worden gevoegd.
23.
De verwijzende rechter heeft het hoger beroep verworpen. Verzoeker diende vervolgens bij dezelfde rechter een verzoek tot herziening van het arrest in tweede aanleg in, op grond dat dit arrest onverenigbaar was met de rechtspraak van het Hof, zonder daarbij naar specifieke rechtspraak te verwijzen.
24.
In die omstandigheden heeft de Tribunal da Relação de Évora (rechter in tweede aanleg Évora, Portugal) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Kan een Portugees gerecht waar een civiele procedure aanhangig is tegen een in een andere lidstaat van de Europese Unie woonachtige burger, ingeval het betekening aan die burger voor bedoelde procedure per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging heeft gelast en die ontvangstbevestiging niet is terugontvangen, gelet op voormelde verordening [nr. 1393/2007] en de eraan ten grondslag liggende beginselen, op basis van de documenten van de postdienst van de woonstaat van de geadresseerde die de afgifte van het aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging aan de geadresseerde bevestigen, die betekening beschouwen als te hebben plaatsgevonden?
2)
Druist toepassing van artikel 230 van de Portugese Código de Processo Civil in het in de eerste vraag bedoelde geval in tegen de verordening en de daaraan ten grondslag liggende beginselen?
3)
Is toepassing van artikel 191, lid 2, van de Portugese Código de Processo Civil op het onderhavige geval in strijd met de verordening en met de daaraan ten grondslag liggende beginselen?”
25.
De Nederlandse, de Portugese en de Spaanse regering, alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 7 juli 2016 hebben de Portugese regering en de Commissie pleidooi gehouden.
IV – Beoordeling
26.
In deze conclusie zal ik eerst nader ingaan op de relevante vereisten van verordening nr. 1393/2007 inzake het bewijs van kennisgeving van een oproeping per post (A). Daarna zal ik onderzoeken of betekening of kennisgeving aan de woonplaats van de geadresseerde waarbij een derde de ontvangst bevestigt, verenigbaar is met de verordening (B). Tot slot zal ik de vraag beantwoorden of het ontbreken van het bijlage II-formulier bij de kennisgeving van stukken kan worden geregulariseerd op grond dat hiertegen niet binnen een bepaalde termijn bezwaar is gemaakt (C).
A – Met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze
27.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of verordening nr. 1393/2007 een nationale rechter de mogelijkheid biedt om ingeval een oproeping ter kennis is gebracht per post maar de ontvangstbevestiging niet is teruggezonden, de geldigheid van die kennisgeving aan de hand van ander bewijs te beoordelen. De verwijzende rechter vraagt meer bepaald of de ontvangstbevestiging kan worden vervangen door een document van de postdienst dat bevestigt dat het aangetekend schrijven aan de geadresseerde is afgegeven.
28.
Verordening nr. 1393/2007 bevat een exhaustieve lijst van de wijzen waarop betekening of kennisgeving van stukken kan worden verricht. ( 4 ) Verordening nr. 1393/2007 stelt geen hiërarchie tussen die wijzen vast. ( 5 )
29.
Op grond van artikel 14 van de verordening kan kennisgeving per post worden verricht. Artikel 14 vermeldt echter enkel hoe de kennisgeving per post moet worden verricht: bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze. ( 6 ) Het zet deze wijze van kennisgeving niet in detail uiteen. Anders dan de formulieren in bijlage I bij verordening nr. 1393/2007 (die moeten worden gebruikt voor communicatie tussen de verzendende en de ontvangende instanties wanneer de betekening of kennisgeving via hen verloopt ( 7 )) omschrijft artikel 14 of een andere bepaling van verordening nr. 1393/2007 niet nader hoe ontvangst moet worden bevestigd in het kader van die verordening.
30.
Aangezien artikel 14 of een andere bepaling van de verordening niet nader ingaat op de precieze vorm van een „ontvangstbevestiging”, blijft de specifieke invulling daarvan dus een zaak van nationaal recht. ( 8 )
31.
Daarnaast verwijst artikel 14 uitdrukkelijk naar de mogelijkheid om kennisgeving te verrichten „op gelijkwaardige wijze” als bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging. Een „ontvangstbevestiging” is met andere woorden niet eens nodig indien er ander geschikt en betrouwbaar bewijs is dat bevestigt dat het stuk aan de geadresseerde ter kennis is gebracht. ( 9 )
32.
Artikel 14 is kortom een zeer open bepaling wat betreft de specifieke vorm van het bewijs dat nodig is om aan te tonen dat de kennisgeving per post daadwerkelijk is verricht.
33.
Die openheid en de daaruit voortvloeiende nationale diversiteit op het vlak van bewijs van de afgifte van stukken, wordt volgens mij echter op twee manieren begrensd door de functionaliteit en doelstellingen van de bij verordening nr. 1393/2007 ingestelde regeling. In de eerste plaats moet de specifieke vorm van de ontvangstbevestiging of haar equivalent de nationale rechter voldoende bewijsgegevens verstrekken om de geldigheid van de kennisgeving te beoordelen. In de tweede plaats moet de nationale rechter ook in staat worden gesteld na te gaan of de procedurele rechten van de geadresseerde werden geëerbiedigd.
34.
Wat de eerste begrenzing betreft, vormt een ontvangstbevestiging een gestandaardiseerde vorm van bewijs die in de regel wordt geacht te volstaan om aan te tonen dat kennisgeving van stukken is verricht. Gewoonlijk bevat zij minstens informatie over de datum en plaats van kennisgeving en de persoon aan wie het stuk is afgegeven. Uit deze bewijsfunctie van een ontvangstbevestiging en – gelet op het gebruik van de uitdrukking „op gelijkwaardige wijze” – de open bewoordingen van artikel 14, vloeit echter voort dat het ontbreken van een briefje met het opschrift „ontvangstbevestiging” de kennisgeving niet automatisch nietig maakt. Het ontbreken van een dergelijk briefje betekent immers niet dat de nationale rechter niet kan vaststellen of stukken daadwerkelijk aan de geadresseerde ter kennis zijn gebracht. Een rechter kan dit vaststellen aan de hand van ander bewijs ter zake.
35.
De tweede begrenzing betreft de bescherming van de procedurele rechten van de geadresseerde. Het Hof heeft benadrukt dat het recht om naar behoren te worden opgeroepen voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces. ( 10 ) Aan die bescherming kan geen afbreuk worden gedaan door het doel van verordening nr. 1393/2007, te weten efficiënte en snelle betekening of kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken. ( 11 )
36.
Bovendien is de eerbiediging van de procedurele rechten van de geadresseerde van bijzonder belang in het licht van de ruimere context van andere instrumenten van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en handelszaken ( 12 ), zoals verordening (EU) nr. 1215/2012 ( 13 ) [Brussel I-verordening (herschikking)] en verordening (EG) nr. 805/2004 ( 14 ). De vraag of een gedinginleidend stuk correct ter kennis is gebracht, is immers essentieel voor de latere beoordeling of de daaropvolgende rechterlijke beslissing moet worden erkend en ten uitvoer gelegd, en of zij kan worden gewaarmerkt als Europese executoriale titel voor een niet-betwiste schuldvordering in de zin van verordening nr. 805/2004. ( 15 )
37.
Of deze twee grenzen in acht zijn genomen wat betreft een ontvangstbevestiging of haar equivalent in de zin van artikel 14 van verordening nr. 1393/2007 is een feitelijke beoordeling die de nationale rechter in het licht van de concrete omstandigheden van het geval moet verrichten.
38.
Ik wens mij op geen enkele wijze in de plaats te stellen van de nationale rechter wat betreft zijn beoordeling in de onderhavige zaak. Aangezien de verwijzende rechter in zijn eerste vraag het Hof echter uitdrukkelijk verzoekt te beoordelen of een bevestiging van de nationale postdienst zoals beschreven in punt 19 van deze conclusie, relevant is, geef ik in overweging te antwoorden dat, onder voorbehoud van bijkomend bewijs waarover de nationale rechter beschikt, een dergelijke bevestiging kan worden beschouwd als gelijkwaardig aan een ontvangstbevestiging.
39.
Gelet op het voorgaande concludeer ik dat artikel 14 van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter aan de hand van een ander document dan een ontvangstbevestiging mag vaststellen of aan de geadresseerde kennis is gegeven van een oproeping in overeenstemming met die bepaling. De betrokken documenten kunnen slechts als gelijkwaardig aan een ontvangstbevestiging worden beschouwd indien zij de nationale rechter in staat stellen na te gaan dat aan de geadresseerde kennisgeving is verricht met eerbiediging van zijn of haar procedurele rechten.
B – Derde die tekent voor ontvangst op de woonplaats van de geadresseerde
40.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1393/2007 zich verzet tegen een nationale regel op grond waarvan de kennisgeving van een oproeping in een handelszaak geacht wordt geldig te zijn verricht op de dag waarop de ontvangstbevestiging wordt ondertekend door een derde op de woonplaats van de geadresseerde.
41.
Opgemerkt moet worden dat volgens de nationale regel die in de verwijzingsbeslissing wordt beschreven, kennisgeving wordt vermoed zodra een derde het stuk in ontvangst heeft genomen. Uit de feitelijke context van deze zaak blijkt echter dat kennisgeving van de stukken is verricht op verzoekers adres en dat een derde op dat adres voor ontvangst heeft getekend. Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter volgens mij dan ook te vernemen of een nationale regel op grond waarvan kennisgeving geacht wordt geldig te zijn verricht indien zij is verricht aan een derde op de woonplaats van de geadresseerde verenigbaar is met verordening nr. 1393/2007.
42.
Zoals ik hierboven reeds heb uiteengezet, houdt verordening nr. 1393/2007 geen harmonisatie in van de details van een kennisgeving per post, behoudens het vereiste dat deze kennisgeving moet worden verricht bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze.
43.
Wat de bepaling van de datum van betekening of kennisgeving betreft, bepaalt artikel 9 van verordening nr. 1393/2007 dat dit een kwestie van het nationale recht van de lidstaten is. Meer bepaald moet de datum van betekening of kennisgeving in beginsel worden bepaald overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, in casu Ierland.
44.
Verordening nr. 1393/2007 bevat echter geen uitdrukkelijke regels over de geldigheid van betekening of kennisgeving aan een derde. In dat verband kan het volgende worden opgemerkt.
45.
Voor de betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en handelszaken gelden meestal minder strikte normen dan in bestuursrechtelijke en strafrechtelijke zaken. In het bijzonder op het gebied van strafvordering ( 16 ) mag worden verwacht dat aan de betrokkene persoonlijk wordt betekend en kan er geen sprake zijn van een vermoeden van afgifte of een fictieve betekening. Daarentegen bevat het recht van de lidstaten een aantal vermoedens en zelfs juridische ficties met betrekking tot betekening en kennisgeving in burgerlijke zaken en handelszaken. Die vermoedens of ficties in burgerlijke en handelsrechtelijke context worden gewoonlijk gezien als de uitdrukking van een adequaat evenwicht tussen verzoeker en geadresseerde op het vlak van rechtszekerheid. ( 17 )
46.
Uit de omstandigheid dat verordening nr. 1393/2007 niets bepaalt over ontvangst door een derde, in samenhang met de verwijzing naar het recht van de lidstaten in artikel 9, kan worden afgeleid dat de verordening zelf zich niet noodzakelijkerwijze verzet tegen betekening of kennisgeving op deze wijze.
47.
Bovendien vindt het idee dat verordening nr. 1393/2007 zich niet verzet tegen betekening of kennisgeving aan een derde indirect steun in artikel 19, lid 1, onder b), van de verordening. Artikel 19, lid 1, onder b), bevat vereisten en bescherming in het geval een verweerder niet is verschenen. Het bepaalt dat de rechter de beslissing ten aanzien van een dergelijke verweerder aanhoudt totdat bijvoorbeeld is gebleken dat het stuk daadwerkelijk is afgegeven aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats. ( 18 )
48.
Zonder dat artikel 19, lid 1, onder b), een algemene regel voor betekening en kennisgeving krachtens verordening nr. 1393/2007 vaststelt, houdt het (zoals andere instrumenten van Unierecht betreffende procedurele voorschriften in burgerlijke zaken en handelszaken ( 19 )) duidelijk rekening met de mogelijkheid van betekening of kennisgeving van stukken aan een derde, mits de betekening of kennisgeving wordt verricht aan de woonplaats van de verweerder.
49.
Om deze redenen ben ik van mening dat verordening nr. 1393/2007 er op zich niet aan in de weg staat dat de betekening of kennisgeving van een oproeping geldig is indien de ontvangst daarvan wordt bevestigd door een derde op de woonplaats van de geadresseerde. Hiervoor gelden evenwel twee belangrijke beperkingen.
50.
Ten eerste, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt ter terechtzitting, betekent betekening of kennisgeving aan de woonplaats van de geadresseerde dat het stuk moet worden afgegeven aan de woning van de geadresseerde. Afgifte aan een persoon in een appartementsgebouw in plaats van op de drempel van het precieze appartement zou dus bijvoorbeeld niet volstaan.
51.
Ten tweede moet de ontvangst worden bevestigd door een volwassene in de woning van de geadresseerde van wie redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij ervoor zal zorgen dat de geadresseerde het stuk dat wordt betekend of waarvan kennis wordt gegeven, daadwerkelijk ontvangt. Dat zou volgens mij bijvoorbeeld een verwant kunnen zijn of een persoon die de woonplaats van de geadresseerde gewoonlijk met hem deelt, of een andere volwassene die een vertrouwensband met de geadresseerde heeft.
52.
Gelet op een en ander geef ik in overweging dat verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regel op grond waarvan betekening of kennisgeving van een oproeping wordt geacht aan de geadresseerde te zijn verricht wanneer een derde de ontvangst bevestigt, mits het stuk waarvan betekening of kennisgeving wordt verricht, wordt afgegeven aan de woonplaats van de geadresseerde, aan een volwassene van wie redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het aan de geadresseerde zal bezorgen.
C – Ontbreken van het bijlage II-formulier
53.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of verordening nr. 1393/2007 zich verzet tegen een nationale regel op grond waarvan het ontbreken van het bijlage II-formulier de betekening of kennisgeving van de oproeping nietig maakt, maar deze nietigheid kan worden geregulariseerd indien de geadresseerde geen bezwaar maakt tegen het ontbreken van het bijlage II-formulier binnen een bepaalde termijn. Volgens de verwijzingsbeslissing is de betrokken regel artikel 191, lid 2, van de CPC.
54.
Volgens de rechtspraak van het Hof is het bijlage II-formulier een noodzakelijk bestanddeel van de betekening of kennisgeving. Het formulier strekt ertoe te verzekeren dat de verweerder zich kan beroepen op zijn recht om betekening of kennisgeving van het stuk te weigeren indien niet is voldaan aan de taalvereisten van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007. Het Hof heeft ook vastgesteld dat verordening nr. 1393/2007 geen uitzonderingen op het gebruik van het bijlage II-formulier bevat. Voorts was het Hof duidelijk in zijn oordeel dat het formulier naar de geadresseerde moet worden gezonden indien het ontbreekt. ( 20 )
55.
Het Hof heeft deze vaststellingen geformuleerd in het kader van betekening of kennisgeving op grond van artikel 4 van verordening nr. 1393/2007, dus tussen de verzendende en ontvangende instanties van de betrokken lidstaten. Krachtens artikel 8, lid 4, van de verordening zijn de regels betreffende het gebruik van het bijlage II-formulier echter duidelijk ook van toepassing op een kennisgeving per post.
56.
Bijgevolg moet het bijlage II-formulier onverwijld aan de geadresseerde worden bezorgd indien het niet was gevoegd bij de gedinginleidende stukken waarvan per post kennis is gegeven. Volgens mij kan het ontbreken van het bijlage II-formulier dus niet worden geregulariseerd door het verstrijken van een periode waarin de geadresseerde van het stuk waarvan kennis werd gegeven geen bezwaar heeft gemaakt tegen het ontbreken van het formulier.
57.
Het bijlage II-formulier strekt ertoe te verzekeren dat de rechten van verdediging van de geadresseerde worden geëerbiedigd, door hem in kennis te stellen van zijn recht om de betekening of kennisgeving te weigeren indien niet is voldaan aan de taalvereisten van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007. Zonder gepaste vertaling kan de geadresseerde het stuk dat wordt betekend of waarvan kennis wordt gegeven misschien helemaal niet begrijpen.
58.
Indien in een dergelijk geval het bijlage II-formulier ontbreekt, is de geadresseerde mogelijk niet op de hoogte van zijn recht om de betekening of kennisgeving te weigeren. Deze onwetendheid kan alleen worden verholpen door de ontbrekende informatie te verstrekken, maar zeker niet door het louter verstrijken van een bepaalde periode. Bijgevolg kunnen logischerwijze geen procedurele gevolgen worden verbonden aan de omstandigheid dat de geadresseerde niet binnen een bepaalde termijn bezwaar heeft gemaakt tegen het ontbreken van het bijlage II-formulier, aangezien hij misschien zelfs niet wist dat hij bezwaar kon maken.
59.
Daaraan moet worden toegevoegd dat de verplichting om het bijlage II-formulier af te geven in alle omstandigheden geldt, ongeacht of de geadresseerde de taal begrijpt waarin de betekende of ter kennis gebrachte stukken zijn opgesteld. Pas wanneer de betekening of kennisgeving correct is geschied (dus met inbegrip van het bijlage II-formulier) kan de bevoegde rechter beoordelen of de eventuele weigering door de geadresseerde gerechtvaardigd was. ( 21 )
60.
Ik concludeer dan ook dat verordening nr. 1393/2007 zich verzet tegen een nationale regel op grond waarvan de nietigheid van de betekening of kennisgeving die voortvloeit uit het ontbreken van het formulier in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 kan worden geregulariseerd door het verstrijken van een periode waarin de geadresseerde geen bezwaar maakt tegen het ontbreken van het formulier. Dit gebrek kan enkel worden hersteld door betekening of kennisgeving van het formulier aan de geadresseerde overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1393/2007.
V – Conclusie
61.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door de Tribunal da Relação de Évora (rechter in tweede aanleg Évora, Portugal) gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Vraag 1:
Artikel 14 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (,de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter aan de hand van een ander document dan een ontvangstbevestiging mag vaststellen of aan de geadresseerde kennis is gegeven van een oproeping in overeenstemming met die bepaling. De betrokken documenten kunnen slechts als gelijkwaardig aan een ontvangstbevestiging worden beschouwd indien zij de nationale rechter in staat stellen na te gaan dat aan de geadresseerde kennisgeving is verricht met eerbiediging van zijn of haar procedurele rechten.
Vraag 2:
Verordening nr. 1393/2007 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regel op grond waarvan betekening of kennisgeving van een oproeping wordt geacht aan de geadresseerde te zijn verricht wanneer een derde de ontvangst bevestigt, mits het stuk waarvan betekening of kennisgeving wordt verricht, wordt afgegeven aan de woonplaats van de geadresseerde, aan een volwassene van wie redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het aan de geadresseerde zal bezorgen.
Vraag 3:
Verordening nr. 1393/2007 verzet zich tegen een nationale regel op grond waarvan de nietigheid van de betekening of kennisgeving die voortvloeit uit het ontbreken van het formulier in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 kan worden geregulariseerd door het verstrijken van een periode waarin de geadresseerde geen bezwaar maakt tegen het ontbreken van het formulier. Dit gebrek kan enkel worden hersteld door betekening of kennisgeving van het formulier aan de geadresseerde overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1393/2007.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79).
( 3 ) Verzoekers voornaam is Andrew.
( 4 ) Arrest van 19 december 2012, Alder (C‑325/11, EU:C:2012:824, punten 30‑32).
( 5 ) Zie arrest van 9 februari 2006, Plumex (C‑473/04, EU:C:2006:96, punt 22). Dat arrest had betrekking op de voorganger van verordening nr. 1393/2007, verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB 2000, L 160, blz. 37).
( 6 ) Dit is een wijziging ten opzichte van verordening nr. 1348/2000. Artikel 14 van verordening nr. 1348/2000 (dat ook voorzag in de mogelijkheid om de kennisgeving per post te verrichten) preciseerde niet welke specifieke vorm van postbestelling moest worden gebruikt voor de kennisgeving van stukken.
( 7 ) Zie artikel 4, lid 3, artikel 6, leden 1, 3 en 4, artikel 7, lid 2, onder a), en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1393/2007.
( 8 ) Met inbegrip van de toepasselijke internationale normen, zoals die vastgesteld door de Wereldpostvereniging.
( 9 ) Zoals de Commissie stelt in haar schriftelijke opmerkingen, blijkt uit de bewoordingen van artikel 14 (in het bijzonder gelet op de formuleringen in de verschillende officiële talen) niet duidelijk of het begrip „op gelijkwaardige wijze” enkel betrekking heeft op „met ontvangstbevestiging” dan wel op de wijze van kennisgeving „bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging” in haar geheel. In de onderhavige zaak is dat echter niet relevant, aangezien het in beide hypotheses draait om met een ontvangstbevestiging gelijk te stellen bewijs dat aantoont dat kennisgeving aan de geadresseerde is verricht.
( 10 ) Neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 49en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook EHRM, 31 mei 2016, Gankin e.a. tegen Rusland (CE:ECHR:2016:0531JUD000243006, punten 28 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 11 ) Zie de overwegingen 2 en 6 van verordening nr. 1393/2007. Zie arresten van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punten 30 en 31) en 19 december 2012, Alder (C‑325/11, EU:C:2012:824, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie naar analogie in de context van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) arrest van 7 juli 2016, Lebek (C‑70/15, EU:C:2016:524, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Arrest van 8 mei 2008, Weiss und Partner (C‑14/07, EU:C:2008:264, punt 50).
( 13 ) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
( 14 ) Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15).
( 15 ) Zie in de context van verordening nr. 44/2001 EHRM, 23 mei 2016, Avotinš tegen Letland (CE:ECHR:2016:0523JUD001750207, in het bijzonder punten 113‑125).
( 16 ) Zie in die zin arrest van 24 mei 2016, Dworzecki (C‑108/16 PPU, EU:C:2016:346), betreffende kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24).
( 17 ) Verordening nr. 1393/2007 houdt ook rekening met de situatie van de verzoeker, zoals blijkt uit artikel 8, lid 3. Zie in deze zin arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 33).
( 18 ) Cursivering van mij. De rechter mag ook uitspraak doen indien van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de in de wetgeving van de aangezochte lidstaat voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen bestemd zijn [artikel 19, lid 1, onder a), van verordening nr. 1393/2007]. Daarnaast moet in beide gevallen worden vastgesteld dat de betekening of kennisgeving, respectievelijk de afgifte, zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.
( 19 ) Artikel 14, lid 1, onder a), van verordening nr. 805/2004 biedt in dit verband een ander voorbeeld. Die bepaling heeft betrekking op de specifieke hypothese van betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst en voorziet in de mogelijkheid van betekening of kennisgeving op het persoonlijke adres van de schuldenaar, aan een persoon die als huisgenoot van de schuldenaar dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is. Cursivering van mij.
( 20 ) Arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punten 45, 55, 72 en 76).
( 21 ) Zie in die zin beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punten 75 en 76) en arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 54).
Full & Egal Universal Law Academy