CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 1 december 2016 ( 1 )
Zaak C‑499/15
W,
V
tegen
X
[verzoek van de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius, Litouwen) om een prejudiciële beslissing]
„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Onderhoudsverplichtingen — Verordening (EG) nr. 4/2009 — Gewone verblijfplaats van het kind — Belang van het kind — Bevoegdheid van de gerechten van de woonstaat van een ouder om vragen te behandelen over het gezagsrecht, het omgangsrecht en de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een minderjarige — Wijziging van een onherroepelijk geworden beslissing”
1.
De thans aan het Hof voorgelegde zaak komt voort uit een geschil over het gezagsrecht, het omgangsrecht en de vaststelling van onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een minderjarige.
2.
De Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius, Litouwen) wenst van het Hof duidelijkheid te verkrijgen over de concrete toepassing van verordening (EG) nr. 2201/2003 ( 2 ) en verordening (EG) nr. 4/2009 ( 3 ), teneinde te kunnen vaststellen welke rechter bevoegd is op die vragen uitspraak te doen. In het hoofdgeding had de Litouwse rechter namelijk een onherroepelijk geworden beslissing gegeven over het gezagsrecht, het omgangsrecht, en de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een minderjarige. De vader van dat kind heeft nadien bij de Litouwse rechter een nieuw verzoek ingediend, strekkende tot wijziging van die beslissing. Omdat het kind echter zijn gewone verblijfplaats bij zijn moeder in Nederland heeft, rijst de vraag of de Litouwse rechter nog bevoegd is dat verzoek te behandelen.
3.
In deze conclusie zal ik uitleggen waarom ik van mening ben dat artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat indien een rechter van een lidstaat een onherroepelijk geworden beslissing heeft gegeven over het gezagsrecht, het omgangsrecht, en de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een minderjarige, die rechter niet meer bevoegd is om uitspraak te doen op een verzoek tot wijziging van die beslissing wanneer het kind niet zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat. Ik zal verduidelijken waarom mijns inziens de bevoegde rechter om uitspraak te doen op dat verzoek, gezien die bepalingen en het beginsel dat het belang van het kind moet worden beschermd, de rechter van de lidstaat is op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.
I– Toepasselijke bepalingen
A– Verordening nr. 2201/2003
4.
Verordening nr. 2201/2003 heeft tot doel binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht de internationale rechterlijke bevoegdheidsregels inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring van het huwelijk en ouderlijke verantwoordelijkheid te uniformiseren.
5.
Overweging 12 van die verordening luidt als volgt:
„De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.”
6.
Artikel 3 van die verordening regelt de algemene bevoegdheid ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk. Het luidt als volgt:
„1. Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:
a)
op het grondgebied waarvan:
—
de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of
—
zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of
—
de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of
—
in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of
—
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of
—
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‚domicile’ (woonplaats) heeft;
b)
waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‚domicile’ (woonplaats) hebben.
[…]”
7.
Voor de bevoegdheid van de gerechten ter zake van de ouderlijke bevoegdheid stelt artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 als hoofdregel:
„1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
2. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.”
8.
Artikel 12 van verordening nr. 2201/2003 luidt als volgt:
„1. De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:
a)
ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;
en
b)
de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.
2. De overeenkomstig lid 1 uitgeoefende bevoegdheid neemt een einde zodra:
a)
de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden; hetzij
b)
ingeval op het onder a) bedoelde tijdstip nog een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, een beslissing in die procedure definitief is geworden; hetzij
c)
de onder a) en b) bedoelde procedures om een andere reden zijn beëindigd.
[…]”
9.
Artikel 14 van die verordening bepaalt dat „[i]ndien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is, […] de bevoegdheid in elke lidstaat [wordt] beheerst door de wetgeving van die lidstaat”.
10.
Artikel 19 van die verordening luidt:
„[…]
2. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar dat gerecht.
In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.”
11.
Ingevolge artikel 21, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 „[wordt] de in een lidstaat gegeven beslissing […] in de andere lidstaten erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is”.
12.
Er is voorts een lijst met weigeringsgronden voor de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Met name wordt een beslissing krachtens artikel 23, onder a), van die verordening niet erkend „indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat”.
B– Verordening nr. 4/2009
13.
Verordening nr. 4/2009 beoogt het zonder enige andere formaliteit verkrijgen van een beslissing omtrent een onderhoudsrecht in een andere lidstaat te vergemakkelijken. ( 4 )
14.
Deze verordening is van toepassing „op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap” (artikel 1, lid 1).
15.
Daartoe voorziet deze verordening in een systeem van gemeenschappelijke regels, met name voor jurisdictiegeschillen, dat berust op algemene bevoegdheidsregels voor onderhoudsverplichtingen.
16.
Zo bepaalt artikel 3 van verordening nr. 4/2009 het volgende:
„In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
a)
het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
b)
het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
c)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een met deze verordening verbonden nevenverzoek is, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of
d)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.”
II– Feiten van het hoofdgeding
17.
W, van Litouwse nationaliteit en X, van Nederlandse en Argentijnse nationaliteit zijn op 9 december 2003 getrouwd in Portland, Oregon (Verenigde Staten). V, onderdaan van Litouwse en Italiaanse nationaliteit, is op 20 april 2006 in Nederland uit dit huwelijk geboren.
18.
W en X hebben vanaf 2004 tot 2011 afwisselend gewoond in Nederland, Italië en Canada. In november 2011 heeft X zich met V gevestigd in Nederland. Het staat volgens de verwijzende rechter vast dat V nooit in Litouwen heeft gewoond of dat land heeft bezocht.
19.
Sinds december 2010 wonen W en X gescheiden. Vast staat dat W zijn gewone verblijfplaats in Litouwen heeft, terwijl X en V hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
20.
X heeft echtscheiding aangevraagd bij een Canadese rechter. Dat heeft, tussen mei 2011 en april 2012, geresulteerd in een aantal beslissingen over het echtscheidingsverzoek, de vaststelling van de verblijfplaats van V, en de omgangsregeling en onderhoudsverplichtingen voor V. De Canadese rechter heeft bij beslissing van 17 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het gezag over V aan X toegewezen.
A– Procedure bij de Litouwse en de Nederlandse rechter
21.
Op verzoek van W heeft de Lietuvos apeliacinis teismas (rechter in tweede aanleg, Litouwen) geweigerd de beslissingen van de Canadese rechter te erkennen.
22.
W heeft zich tot de Vilniaus miesto 1 apylinkės teismas (rechter in eerste aanleg van het 1e district van de stad Vilnius, Litouwen) gewend met het verzoek om de echtscheiding uit te spreken, X aan die scheiding schuldig te verklaren, en te bepalen dat V bij hem zal wonen. Op 28 april 2011 heeft deze rechter, op verzoek van W, bij beslissing in kort geding bepaald dat V voorlopig bij W zou wonen. De met de behandeling van de echtscheiding belaste rechter heeft die beslissing op 12 april 2013 in een bij voorraad uitvoerbare beslissing vernietigd. Op beroep van W heeft Vilniaus apygardos teismas (regionale rechter van Vilnius, Litouwen) op 19 juli 2013 de beslissing van 12 april 2013 van de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) bekrachtigd. W heeft beroep in cassatie ingesteld, maar dat beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
23.
Op 8 oktober 2013 heeft de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) uitspraak gedaan op het echtscheidingsverzoek, bepaald dat V bij X zou wonen, en de omgangsregeling en het bedrag van de onderhoudsverplichtingen van W jegens het kind V vastgesteld.
24.
W heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Vilniaus apygardos teismas (regionale rechter, Vilnius), die de beslissing heeft bekrachtigd bij uitspraak van 30 mei 2014. W heeft beroep in cassatie ingesteld, maar dat beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
25.
Gelijktijdig met de procedure in Litouwen heeft X zich tot de Nederlandse rechter gewend. De rechtbank Overijssel heeft bij beslissing van 29 januari 2014 de onderhoudsverplichtingen van W jegens X vastgesteld op 4323,16 EUR per maand met ingang van 8 mei 2012, en jegens V op 567,01 EUR per maand voor de periode van 27 juni tot en met 1 november 2011 en 790 EUR per maand met ingang van 2 november 2011.
26.
Dezelfde rechter heeft bij beslissing van 22 augustus 2014 het gezamenlijke ouderlijke gezag over V herroepen en het ouderlijke gezag uitsluitend aan X toegewezen. Volgens het Nederlandse recht wordt het ouderlijke gezag uitsluitend aan een van de ouders toegewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de onenigheid tussen de ouders nadelig is voor het kind en het weinig waarschijnlijk is dat in die situatie verbetering zal komen, of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
27.
De rechtbank Overijssel heeft bij beslissing van 31 oktober 2014 geweigerd de beslissing van 8 oktober 2013 van de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) te erkennen en in Nederland uitvoerbaar te verklaren voor zover die beslissing betrekking had op de echtscheiding door schuld, de vaststelling van de gewone verblijfplaats van V bij X, de onderhoudsverplichtingen jegens V en de verdeling van de kosten. Deze rechtbank heeft de beslissing van 8 oktober 2013 daarentegen wel erkend en in Nederland uitvoerbaar verklaard, voor zover deze betrekking had op de vaststelling van het omgangsrecht van W.
28.
Bij beslissing van 2 februari 2015 heeft de Lietuvos apeliacinis teismas (rechter in tweede aanleg, Litouwen), op beroep van W, de tenuitvoerlegging in Litouwen van de beslissing van de rechtbank Overijssel van 29 januari 2014 afgewezen en geweigerd de beslissing van dezelfde rechter van 22 augustus 2014 over het gezagsrecht te erkennen en in Litouwen uitvoerbaar te verklaren. Voorts heeft deze rechter de procedure beëindigd voor zover deze de niet-erkenning in Litouwen van de beslissing van de rechtbank Overijssel betrof.
B– Procedure bij de verwijzende rechter
29.
Op 28 augustus 2014 heeft W de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) verzocht de verblijfplaats van V, het bedrag van de onderhoudsverplichtingen en de omgangsregeling te wijzigen.
30.
Bij beslissing van 25 september 2014 heeft deze rechter dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat W niet had aangetoond welke omstandigheden feitelijk zouden zijn veranderd sinds de beslissing van 8 oktober 2013.
31.
W heeft tegen de beslissing van 25 september 2014 hoger beroep ingesteld bij de Vilniaus apygardos teismas (regionale rechter, Vilnius). Bij beslissing van 16 december 2014 heeft deze rechter het hoger beroep toegewezen, de bestreden beslissing gedeeltelijk vernietigd en de zaak voor hernieuwde behandeling naar de eerste rechter terugverwezen.
32.
De Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) achtte zich niet bevoegd omdat V zijn gewone verblijfplaats bij X in Nederland had, en heeft het verzoek bij beslissing van 23 december 2014 niet-ontvankelijk verklaard. De door W bij hem ingediende verzoeken vielen volgens die rechter derhalve niet onder de bevoegdheid van de Litouwse rechter. Hij heeft W geïnformeerd dat deze de zaak kon aanbrengen bij de bevoegde rechter in Nederland.
33.
Op het beroep van W heeft de Vilniaus apygardos teismas (regionale rechter, Vilnius) bij beslissing van 31 maart 2015 de beslissing van 23 december 2014 vernietigd en de vraag van de ontvankelijkheid van het verzoek voor hernieuwde behandeling terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg, de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius).
34.
Gelet op het verschil van mening tussen de verschillende nationale rechters over de bevoegdheidsvraag heeft de Vilniaus miesto apylinkės teismas besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Welke lidstaat (de Republiek Litouwen of het Koninkrijk der Nederlanden) is op grond van de artikelen 8 tot en met 14 van [verordening nr. 2201/2003] bevoegd kennis te nemen van een verzoek tot wijziging van de verblijfplaats, de omvang van de onderhoudsverplichtingen en de omgangsregeling met betrekking tot de minderjarige V, die zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft?”
III– Analyse
35.
Om te beginnen wil ik erop wijzen dat verzoeker in het hoofdgeding ter terechtzitting heeft gesteld dat het kind V niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland had maar in Litouwen. Volgens hem moet vanaf het moment dat een rechterlijke beslissing de verblijfplaats van het kind bij een van de ouder vaststelt, deze „juridische” verblijfplaats als gewone verblijfplaats worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak echter „[is] het begrip „gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8, lid 1, van [die] verordening de plaats […] die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Het nationale gerecht moet die plaats bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.” ( 5 ) Het Hof voegde daaraan toe dat „[d]e criteria aan de hand waarvan het nationale gerecht de gewone verblijfplaats van een kind moet vaststellen, […] met name de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van een lidstaat en zijn nationaliteit [omvatten]. Zoals het Hof in punt 38 van het [arrest van 2 april 2009, A ( 6 )] verder heeft gepreciseerd, moeten voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind naast diens fysieke aanwezigheid in een lidstaat nog andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is”. ( 7 )
36.
In casu heeft de verwijzende rechter nu juist vastgesteld dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, en zelfs erop gewezen dat het kind nooit in Litouwen heeft gewoond. Het lijdt derhalve geen enkele twijfel dat de gewone verblijfplaats van het kind V zich op Nederlands grondgebied bevindt.
37.
De twijfel of de Litouwse rechter bevoegd was om de beslissing van 8 oktober 2013 te geven is terecht. Ik wil echter aantekenen dat het in deze zaak niet gaat om de vraag of deze rechter volgens de regels van verordening nr. 2201/2003 bevoegd was om die beslissing te geven, en zelfs niet om de erkenning ervan door de Nederlandse rechter. Dat is niet de kwestie die hier aan de orde wordt gesteld.
38.
Inderdaad refereert de verwijzende rechter in zijn vraag enkel aan de bepalingen van verordening nr. 2201/2003. In de tekst van zijn verzoek aan het Hof vraagt hij zich echter ook af of de Litouwse gerechten bevoegd zijn ter zake van de onderhoudsverplichtingen. Deze verordening is echter, volgens artikel 1, lid 3, onder e), ervan, niet van toepassing op onderhoudsverplichtingen. Vragen in verband met de rechterlijke bevoegdheid op het gebied van onderhoudsverplichtingen worden daarentegen beheerst door verordening nr. 4/2009.
39.
Het lijdt echter geen twijfel dat die twee aspecten, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichtingen ten gunste van het betrokken kind, onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Bovendien betreft de enige door de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) gegeven beslissing, van 8 oktober 2013, juist die twee aspecten. Ik twijfel er dan ook niet aan dat het verzoek inzake de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot het kind V een nevenverzoek is dat is verbonden met het verzoek inzake het hem betreffende gezagsrecht en omgangsrecht.
40.
Ingevolge artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009 is op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat is verbonden met dit verzoek.
41.
De bevoegdheidsregel die de ouderlijke verantwoordelijkheid beheerst, geldt ingevolge die bepaling derhalve ook voor de onderhoudsverplichting.
42.
Ik stel dan ook voor om de vraag van de verwijzende rechter als volgt te herformuleren: met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 2201/2003 en verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een gerecht van een lidstaat een onherroepelijk geworden beslissing heeft gegeven over het gezagsrecht, het omgangsrecht en de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een minderjarige, dit gerecht eveneens bevoegd is uitspraak te doen op een verzoek tot wijziging van die beslissing, ook al heeft het kind niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die lidstaat.
43.
In feite is de vraag in deze zaak of de bevoegdheid van de Litouwse rechter die de onherroepelijk geworden beslissing van 8 oktober 2013 over het gezagsrecht, het omgangsrecht en de onderhoudsverplichtingen ten gunste van het kind V heeft gegeven, wordt verlengd zodat hij opnieuw kan beslissen over hetzelfde voorwerp, ook al is ingevolge de hoofdregel van verordening nr. 2201/2003 de Nederlandse rechter bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid, aangezien het kind V zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
44.
Mijns inziens bestaat er geen enkele grondslag voor een bevoegdheid van de Litouwse rechter om uitspraak te doen op dat verzoek.
45.
Het Hof heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van een gerecht ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid per geval moet worden onderzocht en bepaald, wanneer een procedure bij een gerecht aanhangig wordt gemaakt. Dit houdt in dat die bevoegdheid ophoudt nadat een lopende procedure is afgesloten. ( 8 )
46.
Het verzoek van W strekt weliswaar tot wijziging van de in de beslissing van 8 oktober 2013 vastgestelde voorwaarden voor het gezagsrecht, het omgangsrecht en de onderhoudsverplichtingen, maar dit soort verzoeken heeft niets uitzonderlijks. Het komt vaak voor dat een van de ouders zich tot de rechter wendt om die voorwaarden te laten wijzigen omdat zijn of haar persoonlijke of financiële situatie is gewijzigd.
47.
Die beslissing is evenwel onherroepelijk geworden en het op 28 augustus 2014 bij de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius) ingediende verzoek van W moet derhalve als een nieuw verzoek worden beschouwd.
48.
De bevoegdheidsregels van verordening nr. 2201/2003 zijn duidelijk. Ingevolge artikel 8 zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de eerste plaats bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, te weten „het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid […] bij het gerecht wordt ingediend” ( 9 ). In casu preciseert de verwijzende rechter dat het kind V sinds november 2011 zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en nooit in Litouwen heeft gewoond. Bijgevolg was op het tijdstip waarop W zich tot de Litouwse rechter heeft gewend, 28 augustus 2014 zoals in het vorige punt vermeld, de Nederlandse rechter bevoegd uitspraak te doen op alle vragen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor dat kind.
49.
De omstandigheid dat het verzoek van W strekt tot wijziging van de door de Litouwse rechter bij beslissing van 8 oktober 2013 vastgestelde voorwaarden kan niet tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van de hoofdregel en dat de bevoegdheid van die rechter wordt verlengd.
50.
De bevoegdheidsregels van die verordening ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. ( 10 ) Daarom zijn, ingevolge artikel 8 van die verordening, op dit gebied in de eerste plaats bevoegd de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Wegens hun nauwe geografische verbondenheid kunnen deze gerechten immers over het algemeen het best beoordelen wat in het belang van het kind is. ( 11 )
51.
Deze hoofdregel kent weliswaar uitzonderingen, maar die zijn limitatief opgesomd in de artikelen 9 tot en met 15 van verordening nr. 2201/2003 en moeten strikt worden uitgelegd. ( 12 )
52.
Artikel 9 van die verordening betreft het geval dat een kind legaal uit een lidstaat verhuist. Artikel 10 ziet op gevallen van kinderontvoering. Artikel 12 regelt de prorogatie van rechtsmacht, op grond waarvan de gerechten van een andere lidstaat dan die van de gewone verblijfplaats van het kind kennis kunnen nemen van verzoeken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffende dat kind: hetzij wanneer die gerechten bevoegd zijn uitspraak te doen op een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, hetzij wanneer het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is. In die twee gevallen moet de „uitzonderlijke” bevoegdheid van die gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze zijn aanvaard door de echtgenoten en de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen. ( 13 )
53.
Artikel 14 van die verordening is van toepassing indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is. Tot slot voorziet artikel 15 in de mogelijkheid voor de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn over een zaak ten gronde te beslissen, om de zaak te verwijzen naar gerechten van een ander lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, indien deze beter in staat zijn de zaak te behandelen, in het belang van het kind.
54.
Vastgesteld moet worden dat het geval dat hier voorligt onder geen van de in die verordening opgenomen uitzonderingen valt.
55.
Prorogatie of behoud van een bevoegdheid is slechts gerechtvaardigd indien dit in het belang van het kind is. Artikel 24, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt in dit verband dat „[b]ij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, […] de belangen van het kind een essentiële overweging [vormen]”.
56.
Inderdaad zou kunnen worden aangevoerd dat, aangezien een beslissing over de voorwaarden voor het gezagsrecht, het omgangsrecht en de onderhoudsverplichtingen pleegt te worden gewijzigd door middel van een nieuwe beslissing, het gepast zou zijn dat die nieuwe beslissing wordt genomen door dezelfde rechter.
57.
Een dergelijke uitzondering op de hoofdregel bestaat voor het omgangsrecht. Artikel 9 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat wanneer een kind legaal verhuist en een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt, de gerechten van de vorige gewone verblijfplaats gedurende een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de verhuizing hun bevoegdheid tot wijziging van een in die lidstaat vóór de verhuizing gegeven beslissing betreffende het omgangsrecht behouden.
58.
De Uniewetgever heeft als grond voor die uitzondering op de hoofdregel aangegeven dat het de voorkeur geniet dat „[h]et […] de rechterlijke instantie [is] die zich het dichtst bij het kind bevindt die haar eerdere beslissing wijzigt om met de verhuizing van het kind rekening te houden. Dit zorgt voor een zekere continuïteit, zonder dat evenwel aan de definitie van de term ‚gewone verblijfplaats’ wordt geraakt.” ( 14 )
59.
Echter, behalve dat dit alleen geldt voor het omgangsrecht, bestaat er een fundamenteel verschil tussen een situatie als bedoeld in artikel 9 van die verordening en de situatie van het hoofdgeding. De Litouwse rechter die de beslissing van 8 oktober 2013, die W gewijzigd wenst te zien, heeft gegeven, kon zijn bevoegdheid op geen enkel moment baseren op de verblijfplaats van het kind, aangezien het kind, zoals gezegd, nooit in Litouwen heeft gewoond. Gelet op de inhoud van het dossier, lijkt het erop dat de Litouwse rechter die deze beslissing heeft gegeven zich bevoegd heeft geacht op basis van artikel 14 van die verordening, dat, zoals aangegeven in punt 53 van deze conclusie, een subsidiaire bevoegdheid schept. Zijn bevoegdheid is dus niet gebaseerd op het beginsel van de nauwe verbondenheid en, bijgevolg, het belang van het kind.
60.
De prorogatie van een bevoegdheid die niet het belang van het kind zo goed mogelijk dient gaat derhalve geheel en al in tegen het systeem van verordening nr. 2201/2003 en het fundamentele beginsel van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten, dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen.
61.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat indien een gerecht van een lidstaat een onherroepelijk geworden beslissing heeft gegeven over het gezagsrecht en het omgangsrecht met betrekking tot een minderjarige, dat gerecht niet meer bevoegd is uitspraak te doen op een verzoek om wijziging van die beslissing, wanneer dat kind niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die lidstaat heeft. Overeenkomstig die bepalingen en het beginsel dat het belang van het kind moet worden beschermd, is het bevoegde gerecht voor de behandeling van een dergelijk verzoek het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.
IV– Conclusie
62.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Vilniaus miesto apylinkės teismas (districtsrechter van de stad Vilnius, Litouwen) te beantwoorden als volgt:
„Artikel 8 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 en artikel 3, onder d), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, moeten aldus worden uitgelegd dat indien een gerecht van een lidstaat een onherroepelijk geworden beslissing heeft gegeven over het gezagsrecht, het omgangsrecht en de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een minderjarige, dat gerecht niet meer bevoegd is uitspraak te doen op een verzoek om wijziging van die beslissing, wanneer dat kind niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die lidstaat heeft.
Overeenkomstig die bepalingen en het beginsel dat het belang van het kind moet worden beschermd, is het bevoegde gerecht voor de behandeling van een dergelijk verzoek het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1).
( 3 ) Verordening van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1, met rectificatie in PB 2011, L 131, blz. 26).
( 4 ) Zie overweging 9 van die verordening.
( 5 ) Zie arrest van 22 december 2010, Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 6 ) C‑523/07, EU:C:2009:225.
( 7 ) Zie arrest van 22 december 2010, Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 48 en 49).
( 8 ) Zie arrest van 1 oktober 2014, E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 40).
( 9 ) Zie artikel 16, lid 1, van die verordening. Zie eveneens arrest van 1 oktober 2014, E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 38).
( 10 ) Zie overweging 12 van verordening nr. 2201/2003. Zie eveneens arrest van 1 oktober 2014, E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 44).
( 11 ) Zie arrest van 23 december 2009, Detiček (C‑403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 36).
( 12 ) Zie in die zin arrest van 21 oktober 2015, Gogova (C‑215/15, EU:C:2015:710, punt 41).
( 13 ) Zie artikel 12, lid 1, onder b), en lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003.
( 14 ) Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 en tot wijziging, wat betreft onderhoudsverplichtingen, van verordening (EG) nr. 44/2001 [COM(2002) 222 definitief (PB 2002, C 203 E, blz. 155)].
Full & Egal Universal Law Academy