CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 14 juli 2016 ( 1 )
Zaak C‑547/15
Interservice d.o.o. Koper
tegen
Sándor Horváth
[verzoek van de Kúria (hooggerechtshof, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing — Communautair douanewetboek — Verordening (EEG) nr. 2913/92 — Artikel 96, lid 2 — Verplichting om de goederen ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de identificatiemaatregelen — Betrokken personen — Ondervervoerder”
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 96, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( 2 ).
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Interservice d.o.o. Koper ( 3 ), douanecommissionair, en Sándor Horváth, vervoerder, over de terugvordering van douanerechten die door Interservice in haar hoedanigheid van „aangever” zijn betaald na de onttrekking aan het douanetoezicht van de goederen die door Horváth als ondervervoerder zijn vervoerd met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer.
3.
In het onderhavige geding wordt het Hof verzocht om een antwoord op de vraag of de verplichting om de onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming, op de ondervervoerder rust wanneer de uitvoering van het vervoer is uitbesteed door de hoofdvervoerder die door de opdrachtgever werd aangewezen. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt het Hof bovendien verzocht om de omvang van deze verplichting te verduidelijken.
4.
In deze conclusie bepleit ik enerzijds dat artikel 96, lid 2, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „vervoerder” ziet op iedere persoon die de door hem aanvaarde goederen vervoert in de wetenschap dat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst, ongeacht of dit het geval is op grond van de vervoersovereenkomst die met de opdrachtgever is gesloten dan wel op grond van de onderaannemingsovereenkomst die met de hoofdvervoerder is gesloten, en anderzijds dat de in deze bepaling vastgestelde verplichting rust op de vervoerder voor de periode waarin hij zorgt voor de afhandeling van de goederen die hij materieel onder zich heeft.
5.
Ik zal aanvoeren dat in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de ondervervoerder de goederen daadwerkelijk tot op de parkeerplaats van het douanekantoor van bestemming heeft vervoerd en de documenten betreffende deze goederen aan de vertegenwoordiger van de hoofdvervoerder heeft overhandigd opdat hij de formaliteiten voor de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer vervult, de ondervervoerder van zijn verplichting bevrijd is wanneer hij aan de hoofdvervoerder de afhandeling van de goederen en de begeleidende documenten heeft overgedragen.
6.
Ik zal eveneens toelichten dat, hoewel het feit dat de ondervervoerder vervolgens het vervoer van de goederen tot in een andere lidstaat heeft voortgezet voor hem niet de verplichting doet ontstaan om vóór de voortzetting van het vervoer na te gaan of de hoofdvervoerder de goederen daadwerkelijk bij het douanekantoor van bestemming heeft aangebracht voor beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer, hij toch aansprakelijk kan zijn wanneer vaststaat dat hij het vervoer heeft voortgezet terwijl hij beschikte over informatie waaruit bleek dat deze regeling niet op regelmatige wijze werd beëindigd, wat door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld rekening houdend met alle relevante feiten.
I – Toepasselijke bepalingen
7.
Volgens artikel 91, lid 1, onder a), van het douanewetboek maakt de regeling extern communautair douanevervoer het vervoer van niet-communautaire goederen mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen.
8.
Artikel 96, lid 1, van het douanewetboek luidt:
„De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:
a)
de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;
b)
de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.”
9.
Artikel 96, lid 2, van het douanewetboek bepaalt dat „[o]nverminderd de in lid 1 bedoelde verplichtingen van de aangever, […] een vervoerder of een ontvanger van goederen die de goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst, eveneens verplicht [is] deze binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming, met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen”.
10.
Volgens artikel 92, lid 1, van het douanewetboek eindigt de regeling extern communautair douanevervoer wanneer de goederen samen met het bijbehorende document bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming.
11.
Bij onttrekking aan het douanetoezicht van aan rechten bij invoer onderworpen goederen, doet artikel 203 van het douanewetboek een douaneschuld ontstaan ten laste van vier categorieën personen:
—
de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;
—
de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;
—
de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;
—
alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.
12.
Overeenkomstig artikel 213 van het douanewetboek zijn de verschillende schuldenaren van dezelfde douaneschuld hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.
II – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
13.
Op verzoek van Friedler Spedition GmbH werd IGAZ Trans Kft. belast met het vervoer onder de regeling extern communautair douanevervoer van uit China afkomstige goederen die in de haven van Koper (Slovenië) waren aangekomen.
14.
Op 8 december 2008 heeft IGAZ Trans aan Horváth het vervoer toevertrouwd van de goederen van Koper naar Wenen (Oostenrijk), en vervolgens, na het vervullen van de douaneformaliteiten, naar Rome (Italië).
15.
Op 11 december 2008 heeft Interservice, douanecommissionair, op verzoek van IGAZ Trans de douanevervoerprocedure ingeleid bij het douanekantoor van Koper. Na de opening van deze procedure moesten de goederen ten laatste op 18 december 2008 worden aangebracht bij het douanekantoor Wiencont Süd, Freilager Wien (Wenen, Oostenrijk).
16.
Diezelfde 11 december 2008 heeft Horváth zich aangediend bij Interservice, die de CMR-vrachtbrief ( 4 ) heeft opgesteld evenals de volmacht die nodig was voor het verkrijgen van de goederen, en die de Sloveense douaneautoriteiten het tijdens de douanevervoersprocedure te gebruiken document „T 1” elektronisch heeft toegezonden. Horváth heeft, na inontvangstname van de goederen op het douanekantoor van Koper, deze vervolgens vervoerd tot op de parkeerplaats van het op de CMR-vrachtbrief vermelde douanekantoor van Wenen, alwaar hij de vertegenwoordiger van IGAZ Trans de documenten heeft overhandigd die nodig waren voor het vervullen van de douaneformaliteiten.
17.
Horváth is daarna met de container die de goederen bevatte, op deze parkeerplaats gebleven van 12 tot 17 december 2008. Op 17 december 2008 is hij teruggekeerd naar Hongarije, terwijl hij de container ter plaatse liet, en vervolgens is hij op 18 december 2008 naar Wenen teruggekeerd.
18.
De goederen werden niet aangebracht op het douanekantoor van bestemming voor de vervulling van de douaneformaliteiten. Horváth heeft het vervoer van de goederen voortgezet met een nieuwe vrachtbrief die door Friedler Spedition was opgesteld en door de vertegenwoordiger van IGAZ Trans in ontvangst werd genomen, en hij heeft de goederen vervolgens vervoerd tot de eindbestemming in Italië.
19.
Volgens de Kúria (hooggerechtshof, Hongarije) heeft Horváth de goederen aanvaard terwijl hij kennelijk wist dat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer vielen. Niettemin heeft hij, vóór de voortzetting van het vervoer ervan van Wenen tot Rome, zich niet naar behoren ervan vergewist dat IGAZ Trans of Friedler Spedition de goederen wel degelijk had aangebracht bij het douanekantoor van bestemming. De verwijzende rechter wijst er tevens op dat ook in de bodemprocedure nergens uit blijkt dat Horváth wist dat de goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken.
20.
Het bewijs dat de regeling extern communautair douanevervoer was beëindigd, werd op het douanekantoor van vertrek geleverd door overlegging van een aangifte voor douanevervoer met de stempel van een Roemeens douanekantoor. De Sloveense douaneautoriteiten hebben na onderzoek vastgesteld dat de stempel van het Roemeense douanekantoor frauduleus was aangebracht op de aangifte voor douanevervoer.
21.
Wegens de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht moest Interservice, in haar hoedanigheid van aangever, 11196,49 EUR aan douanerechten, belasting over de toegevoegde waarde en vertragingsrente betalen.
22.
Interservice heeft op basis van niet-contractuele aansprakelijkheid een regresvordering ingesteld tegen Horváth, waarbij zij geldend maakt dat de vervoerder krachtens artikel 96, lid 2, van het douanewetboek samen met de aangever aansprakelijk is voor het aanbrengen van de goederen, ook al is deze vervoerder in het concrete geval slechts ondervervoerder.
23.
Daar deze vordering zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd afgewezen, heeft Interservice beroep in cassatie ingesteld bij de Kúria, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 96, lid 2, van het [douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat niet alleen degene die met de verkoper een overeenkomst voor het vervoer van de goederen heeft gesloten (contractuele of hoofdvervoerder), als vervoerder van de goederen moet worden aangemerkt, maar ook degene die het vervoer geheel of gedeeltelijk verricht uit hoofde van een andere, met de contractuele of hoofdvervoerder gesloten vervoerovereenkomst (ondervervoerder)?
2)
Dient, bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag, artikel 96, lid 2, van het [douanewetboek] aldus te worden uitgelegd dat in een geval als in het hoofdgeding de ondervervoerder verplicht is, alvorens het vervoer van de goederen voort te zetten, zich er naar behoren van te vergewissen dat de hoofdvervoerder de goederen daadwerkelijk conform de toepasselijke voorschriften heeft aangebracht bij het douanekantoor van bestemming?”
III – Beoordeling
A – Opmerkingen vooraf
24.
Om een beter inzicht te krijgen in het belang van dit verzoek om een prejudiciële beslissing, is het naar mijn mening aangewezen een kort overzicht te geven van de feitelijke en juridische context waarin het hoofdgeding zich afspeelt.
25.
De verwijzende rechter wenst duidelijkheid te krijgen over – ten eerste – het begrip „vervoerder” in de zin van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek om te kunnen beoordelen of er reden is om Horváth te beschouwen als vervoerder, en – ten tweede – wanneer dat het geval is, de omvang van de verplichting die op de betrokkene rust.
26.
Deze vragen werden gesteld in het kader van een geding waarbij een douanecommissionair, erkend schuldenaar van de douaneschuld als gevolg van de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht, en de ondervervoerder van deze goederen tegenover elkaar staan.
27.
Deze situatie noopt onmiddellijk tot twee opmerkingen.
28.
Mijn eerste opmerking betreft het feit dat de douaneschuld doet ontstaan.
29.
Dienaangaande deel ik niet de twijfels van de Europese Commissie, die betoogt dat er volgens de uiteenzetting van de feiten in de verwijzingsbeslissing onzekerheid bestaat over de oorsprong van de douaneschuld, die kon ontstaan ofwel wegens de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het douanewetboek, ofwel, krachtens artikel 204 van dit wetboek, wegens niet-nakoming van de verplichtingen van de regeling extern communautair douanevervoer, die geen gevolg heeft gehad voor het douanetoezicht.
30.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het begrip „onttrekking aan het douanetoezicht” in artikel 203, lid 1, van het douanewetboek worden opgevat als elk handelen of nalaten als gevolg waarvan de bevoegde douaneautoriteit, zelfs slechts tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de in artikel 37, lid 1, van het douanewetboek bedoelde controles uit te voeren. ( 5 )
31.
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de regeling extern communautair douanevervoer op frauduleuze wijze werd beëindigd, nu het bewijs van aankomst van de goederen in het douanekantoor van bestemming werd geleverd aan de hand van documenten met valse stempels van de Roemeense douaneautoriteiten. ( 6 ) Doordat de goederen niet regelmatig werden aangebracht op het douanekantoor van bestemming, werd de door valse documenten misleide douaneautoriteit belet zich te vergewissen van hun toestand op een nochtans beslissend moment van het einde van deze regeling ( 7 ) en als gevolg van deze frauduleus verkregen beëindiging is vanzelfsprekend het risico ontstaan dat de goederen onregelmatig in het economische verkeer van de Europese Unie worden gebracht. Ik ben dan ook van mening dat de enkele omstandigheid dat vervalste documenten werden overgelegd om aan te tonen dat de externe communautaire douaneregeling werd beëindigd, kenmerkend is voor de onttrekking aan het douanetoezicht die overeenkomstig artikel 203 van het douanewetboek de douaneschuld doet ontstaan.
32.
Mijn tweede opmerking betreft de gevolgen van het bestaan van een onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het douanewetboek.
33.
Bij onttrekking van aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht zijn de personen die als schuldenaars van de douaneschuld kunnen worden aangewezen, bepaald in artikel 203, lid 3, van het douanewetboek, dat een onderscheid maakt tussen vier categorieën schuldenaars van de douaneschuld.
34.
De eerste drie streepjes van deze bepaling betreffen de personen die aan de basis liggen van de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht, die op de een of andere manier hebben deelgenomen aan de onttrekking terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken, alsook die de goederen hebben verworven of onder zich hebben gehad en die op het ogenblik van ontvangst of verwerving van de goederen wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken. De gemene deler van deze drie categorieën van personen is dat zij op de een of andere manier hebben deelgenomen aan de inbreuk of er ten minste voordeel bij hadden, doordat zij als het ware – om het in strafrechtelijke termen te zeggen – de daders of mededaders van deze inbreuk zijn dan wel de helers van de goederen die het economische verkeer zijn binnengekomen zonder te zijn ingeklaard.
35.
Het vierde streepje van deze bepaling heeft daarentegen betrekking op personen die geen deel hebben genomen aan de onttrekking van de goederen, maar die met name de verplichtingen dienden na te komen die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen waren geplaatst. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, is onder de regeling extern communautair douanevervoer, het subject van die regeling, als aangever in de zin van artikel 96, lid 1, van het douanewetboek, de persoon die de verplichtingen die uit het gebruik van die regeling voortvloeien, dient na te komen, en de douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde streepje, van dit wetboek. ( 8 )
36.
Ingevolge artikel 96, lid 2, van het douanewetboek kan via artikel 203, lid 3, vierde streepje, van dit wetboek echter ook de vervoerder of ontvanger van de goederen als schuldenaar van de douaneschuld worden beschouwd, omdat deze bepaling aan de vervoerder of ontvanger de verplichting oplegt de goederen ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming.
37.
In de omstandigheden van het onderhavige geval blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter, die uitgaat van de veronderstelling dat Horváth niet betrokken is bij de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht, dat de aansprakelijkheid van de ondervervoerder niet kan voortvloeien uit de in de eerste drie streepjes van artikel 203, lid 3, van het douanewetboek genoemde feiten die de douaneschuld doen ontstaan. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of Horváth niet moet worden aangemerkt als medeschuldenaar van de douaneschuld overeenkomstig artikel 203, lid 3, vierde streepje, van dit wetboek, wat veronderstelt dat hij verplicht is tot uitvoering van de in artikel 96, lid 2, van dit wetboek vastgestelde verplichting.
38.
Er is hier dus sprake van een hypothese waarin de vervoerder of de ontvanger slechts aansprakelijk blijken te kunnen zijn omdat artikel 96, lid 2, van het douanewetboek hem een specifieke verplichting oplegt tot aanbrenging van deze goederen bij het douanekantoor van bestemming met inachtneming van de identificatiemaatregelen. ( 9 )
39.
Voor de beslechting van het hoofdgeding is het dus noodzakelijk te verduidelijken, zoals de verwijzende rechter vraagt, wie de schuldenaars van deze verplichting zijn en wat de omvang van deze verplichting is.
B – Eerste vraag
40.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „vervoerder” in de zin van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek uitsluitend betrekking heeft op de hoofdvervoerder aan wie het vervoer van de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer rechtstreeks werd toevertrouwd, of ook op de ondervervoerder aan wie de hoofdvervoerder de uitvoering van de vervoersovereenkomst heeft uitbesteed.
41.
Volgens mij heeft artikel 96, lid 2, van het douanewetboek betrekking op om het even welke persoon die het vervoer op zich neemt van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ongeacht of hij hoofdvervoerder dan wel ondervervoerder is.
42.
Deze uitlegging lijkt meteen te worden bevestigd door de tekst van deze bepaling.
43.
Zoals uit de bewoordingen ervan blijkt, stelt deze bepaling als enige voorwaarde voor het bestaan van de verplichting van de vervoerder of ontvanger van de goederen, dat de goederen in ontvangst worden genomen met kennis van hun rechtsregeling. Aangezien de Uniewetgever geen enkel onderscheid maakt naargelang het vervoer rechtstreeks door de hoofdvervoerder wordt uitgevoerd dan wel aan een andere vervoerder wordt uitbesteed, rust de verplichting om de goederen ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming zonder onderscheid op iedere met het vervoer van de goederen belaste persoon van wie kan worden aangetoond dat hij daadwerkelijk kennis heeft van de regeling extern communautair douanevervoer. Wanneer aan deze kennisvoorwaarde is voldaan ten aanzien van de ondervervoerder, is hij dus gehouden tot de verplichting van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek.
44.
Deze conclusie lijkt bovendien steun te vinden in een teleologische uitlegging.
45.
De aan de vervoerder of ontvanger van de goederen opgelegde verplichting wordt immers beperkt door het voorwerp zelf ervan, dat erin bestaat de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.
46.
Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd in haar schriftelijke opmerkingen, heeft de Uniewetgever een gedeelde aansprakelijkheid van de vervoerder of de ontvanger van de goederen vastgesteld om er rekening mee te houden dat de persoon die de goederen materieel onder zich heeft, de enige is die de goederen daadwerkelijk bij het douanekantoor van bestemming kan aanbrengen.
47.
In dit verband dient te worden benadrukt dat de beperkte verplichting die op de vervoerder of de ontvanger van de goederen rust krachtens artikel 96, lid 2, van het douanewetboek, verschilt van de algemene verplichting die op de aangever rust krachtens artikel 96, lid 1, van dit wetboek.
48.
De aangever is, als subject van de regeling extern communautair douanevervoer, niet alleen verplicht de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen ( 10 ), maar ook, en meer algemeen, „de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven” ( 11 ). Ingevolge artikel 96, lid 1, artikel 203, lid 3, vierde streepje, en artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wordt hij schuldenaar van de douaneschuld louter als gevolg van de niet-naleving van de bepalingen van deze regeling, ook al is deze schuld niet rechtstreeks aan hem toe te rekenen, waarbij de aansprakelijkheid die aldus op hem komt te rusten, tot doel heeft te verzekeren dat „de bepalingen inzake invordering van de douaneschuld snel en eenvormig worden toegepast in het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en de lidstaten ervan”. ( 12 ) Daar hij gehouden is zich te vergewissen van het goede verloop van het douanevervoer, blijft de aangever schuldenaar van de douaneschuld ook al is hij te goeder trouw en is de overtreding van de regeling extern communautair douanevervoer het gevolg van fraude waarbij hij niet betrokken is. ( 13 ) Doordat op de aangever een objectieve aansprakelijkheid rust, is hij dus aansprakelijk voor elke schending van de regelgeving betreffende de regeling extern communautair douanevervoer, ook al is deze schending aan een derde toerekenbaar.
49.
De aansprakelijkheid van de vervoerder of de ontvanger van de goederen is beperkter. Anders dan de aangever is hij niet gehouden tot naleving van alle bepalingen betreffende de regeling extern communautair douanevervoer. Ofschoon artikel 96, lid 2, van het douanewetboek moet worden geacht hem een resultaatsverplichting op te leggen, in die zin dat hij ervoor dient te zorgen dat de goederen ongeschonden bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming, heeft de vervoerder of de ontvanger van deze goederen slechts daartoe de mogelijkheid tijdens de periode waarin hij deze goederen materieel onder zich heeft. Anders gezegd: terwijl de verplichting van artikel 96, lid 1, van dit wetboek gerelateerd is aan de hoedanigheid zelf van de aangever, die de gevolgen moet dragen van iedere inbreuk of onregelmatigheid, vindt de aansprakelijkheid van de vervoerder of de ontvanger van de goederen tegelijkertijd haar grondslag en beperking in het gegeven dat deze persoon de goederen materieel onder zich heeft.
50.
Ik leid hieruit bijgevolg af dat de ondervervoerder weliswaar verplicht is de goederen ongeschonden bij de douane aan te brengen bij het kantoor van bestemming, maar dat deze verplichting slechts op hem rust tijdens de periode waarin hij effectief het vervoer verricht en voor de afhandeling van de goederen zorgt.
51.
In het internationale goederenvervoer is het een gangbare praktijk om een beroep te doen op meerdere vervoerders. Naar mijn mening zou, ingeval meerdere vervoerders worden belast met een deel van het vervoerstraject, de in artikel 96, lid 2, van het douanewetboek opgelegde verplichting achtereenvolgens rusten op ieder van hen want het is precies tijdens de periode waarin zij voor de afhandeling van de goederen zorgen dat zij erop kunnen toezien dat deze ongeschonden blijven, met name door iedere verbreking van de zegels of iedere onregelmatige overlading te voorkomen.
52.
In een geval als in het hoofdgeding, waarin de ondervervoerder de goederen daadwerkelijk heeft vervoerd tot op de parkeerplaats van het douanekantoor van bestemming en de documenten betreffende deze goederen heeft overhandigd aan de vertegenwoordiger van de hoofdvervoerder opdat hij de formaliteiten voor beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer vervult, is de ondervervoerder mijns inziens bevrijd van zijn verplichting wanneer hij de afhandeling van de goederen en de begeleidende documenten heeft overgedragen aan de hoofdvervoerder, die bijgevolg „vervoerder” is in de zin van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek.
53.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging op de eerste vraag te antwoorden enerzijds dat artikel 96, lid 2, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „vervoerder” ziet op iedere persoon die het vervoer van de door hem aanvaarde goederen verricht in de wetenschap dat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, ongeacht of dit het geval is op grond van de vervoersovereenkomst die met de opdrachtgever is gesloten of op grond van de onderaannemingsovereenkomst die met de hoofdvervoerder is gesloten, en anderzijds dat de in deze bepaling vastgestelde verplichting rust op de vervoerder voor de periode waarin hij zorgt voor de afhandeling van de goederen die hij materieel onder zich heeft, zodat in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de ondervervoerder de goederen daadwerkelijk tot op de parkeerplaats van het douanekantoor van bestemming heeft vervoerd en de documenten betreffende deze goederen aan de vertegenwoordiger van de hoofdvervoerder heeft overhandigd opdat hij de formaliteiten voor de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer vervult, de ondervervoerder van zijn verplichting bevrijd is wanneer hij aan de hoofdvervoerder de afhandeling van de goederen en de begeleidende documenten heeft overgedragen.
54.
Evenwel moet nog worden onderzocht of Horváth niet opnieuw schuldenaar van de douaneschuld is geworden op grond van de omstandigheid dat hij de goederen verder van Wenen tot Rome heeft vervoerd.
55.
Dit is aan de orde in de tweede vraag.
C – Tweede vraag
56.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in een situatie als in het hoofdgeding, de ondervervoerder, alvorens het vervoer van de goederen tot in een andere lidstaat voort te zetten, zich naar behoren ervan moet vergewissen dat de hoofdvervoerder deze goederen daadwerkelijk, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften, bij de douane heeft aangebracht op het kantoor van bestemming.
57.
Het antwoord op deze vraag vloeit mijns inziens haast natuurlijkerwijs voort uit mijn uiteenzetting betreffende de eerste vraag.
58.
Anders de aangever, die de goede afloop van het vervoer dient te waarborgen, heeft de vervoerder, onder de regeling extern communautair vervoer, geen andere verplichting dan de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.
59.
In omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de ondervervoerder de vervoersdocumenten heeft overhandigd aan de hoofdvervoerder opdat hij de voor de beëindiging van de douaneregeling noodzakelijke formaliteiten kan vervullen, ben ik van mening dat de hoofdvervoerder vanaf dit tijdstip van overhandiging schuldenaar is geworden van de verplichting die krachtens artikel 96, lid 2, van het douanewetboek op de ondervervoerder rustte.
60.
De ondervervoerder, die van deze verplichting bevrijd is, hoefde alvorens het vervoer voort te zetten niet na te gaan of de hoofdvervoerder de goederen daadwerkelijk had aangebracht bij het douanekantoor van bestemming met het oog op de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer.
61.
Hoewel op basis van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek geen actieve toezichtsplicht kan worden opgelegd aan de ondervervoerder, kan de ondervervoerder mijns inziens toch aansprakelijk zijn wanneer vaststaat dat hij het vervoer heeft voortgezet terwijl hij beschikte over informatie waaruit bleek dat de regeling extern communautair douanevervoer niet op regelmatige wijze werd beëindigd, wat door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld rekening houdend met alle relevante feiten. In dat geval moet immers worden aangenomen dat de ondervervoerder heeft aanvaard om het vervoer van de goederen voort te zetten terwijl hij wist dat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatst bleven, waardoor hij opnieuw schuldenaar werd van de verplichting van artikel 96, lid 2, van het douanewetboek.
IV – Conclusie
62.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Kúria (hooggerechtshof, Hongarije) gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„Artikel 96, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 684/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚vervoerder’ ziet op iedere persoon die het vervoer van de door hem aanvaarde goederen verricht in de wetenschap dat zij onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, ongeacht of dit het geval is op grond van de vervoersovereenkomst die met de opdrachtgever is gesloten dan wel op grond van de onderaannemingsovereenkomst die met de hoofdvervoerder is gesloten, en dat de in deze bepaling vastgestelde verplichting rust op de vervoerder voor de periode waarin hij zorgt voor de afhandeling van de goederen die hij materieel onder zich heeft.
In een situatie als in het hoofdgeding, waarin de ondervervoerder de goederen daadwerkelijk tot op de parkeerplaats van het douanekantoor van bestemming heeft vervoerd en de documenten betreffende deze goederen aan de vertegenwoordiger van de hoofdvervoerder heeft overhandigd opdat hij de formaliteiten voor de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer vervult, is de ondervervoerder van zijn verplichting bevrijd wanneer hij aan de hoofdvervoerder de afhandeling van de goederen en de begeleidende documenten heeft overgedragen.
De omstandigheid dat de ondervervoerder vervolgens het vervoer van de goederen tot in een andere lidstaat heeft voortgezet, brengt bovendien voor hem niet de verplichting mee om vóór de voortzetting van het vervoer na te gaan of de hoofdvervoerder de goederen daadwerkelijk heeft aangebracht bij het douanekantoor van bestemming met het oog op de beëindiging van de regeling extern communautair douanevervoer. De ondervervoerder kan toch aansprakelijk zijn wanneer vaststaat dat hij het vervoer heeft voortgezet terwijl hij beschikte over informatie waaruit bleek dat de regeling extern communautair douanevervoer niet op regelmatige wijze werd beëindigd, wat door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld rekening houdend met alle relevante feiten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 1992, L 302, blz. 1. Verordening zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB 2005, L 117, blz. 13; hierna: „douanewetboek”).
( 3 ) Hierna: „Interservice”.
( 4 ) Vervoersdocument vastgesteld op basis van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het protocol ondertekend te Genève op 5 juli 1978.
( 5 ) Zie met name arresten van 12 juni 2014, SEK Zollagentur (C‑75/13, EU:C:2014:1759, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 29 oktober 2015, B & S Global Transit Center (C‑319/14, EU:C:2015:734, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 6 ) Blijkens artikel 361, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1192/2008 van de Commissie van 17 november 2008 (PB 2008, L 329, blz. 1), kan de vervoersopdracht worden beëindigd in een ander kantoor dan het in de vervoersverklaring vermelde kantoor, waardoor dit ander kantoor het douanekantoor van bestemming wordt.
( 7 ) Betreffende het cruciale belang van de controle op het einde van de regeling extern communautair douanevervoer, verwijs ik naar de punten 25 en 26 van de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak B & S Global Transit Center (C‑319/14, EU:C:2015:500).
( 8 ) Zie arresten van 27 juni 2013, Codirex Expeditie (C‑542/11, EU:C:2013:429, punt 33), en 12 juni 2014, SEK Zollagentur (C‑75/13, EU:C:2014:1759, punt 35).
( 9 ) De zaak in het hoofdgeding illustreert het nut van deze specifieke verplichting, omdat vragen rijzen over de redenen waarom de Commissie in haar voorstel voor een verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek [COM(97) 472 final] had voorgesteld deze bepaling te schrappen daar deze bepaling, volgens overweging 5 van het voorstel, „niets toevoegt aan de bepalingen van het wetboek betreffende het ontstaan en de betaling van de douaneschuld”. Na een wijziging door het Parlement, die werd aanvaard door de Commissie, werd het voorstel voor een verordening goedgekeurd zonder wijziging van artikel 96 [zie gewijzigd voorstel voor verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek [COM(1998) 428 final], en verordening (EG) nr. 955/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 1999 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad wat betreft de regeling van het extern vervoer (PB 1999, L 119, blz. 1)].
( 10 ) Artikel 96, lid 1, onder a), van het douanewetboek.
( 11 ) Artikel 96, lid 1, onder b), van dat wetboek.
( 12 ) Zie arrest van 3 april 2008, Militzer & Münch (C‑230/06, EU:C:2008:186, punt 48). Zie eveneens in deze zin arrest van 15 juli 2010, DSV Road (C‑234/09, EU:C:2010:435, punt 30).
( 13 ) Zie in deze zin arrest van 3 april 2008, Militzer & Münch (C‑230/06, EU:C:2008:186, punt 49).
Full & Egal Universal Law Academy