CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 29 juni 2017 ( 1 )
Zaak C‑598/15
Banco Santander SA
tegen
Cristobalina Sánchez López
[verzoek van de Juzgado de Primera Instancia de Jerez de la Frontera (rechter in eerste aanleg Jerez de la Frontera, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in kredietovereenkomsten met consumenten – Bevoegdheid van de nationale rechter om ambtshalve de oneerlijkheid van een contractueel beding in een hypotheekovereenkomst te behandelen in het kader van een vereenvoudigde procedure van erkenning van in het kadaster ingeschreven rechten”
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat in wezen de uitlegging van de artikelen 3, 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG betreft ( 2 ), is voor het Hof aanleiding om de bevoegdheden die de nationale rechter voor de doeltreffendheid van de door deze richtlijn gewaarborgde consumentenbescherming bezit, nader te preciseren.
2.
Deze zaak, die in het verlengde ligt van eerdere rechtspraak over de Spaanse hypothecaire executieprocedure ( 3 ), heeft meer in het bijzonder betrekking op een zogenaamde „vereenvoudigde” tenuitvoerleggingsprocedure die volgt op een voor de notaris gevoerde procedure van buitengerechtelijke executie van een hypothecaire zekerheid. Uit het op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke Spaanse recht blijkt dat deze vereenvoudigde procedure ertoe dient om met name bij het kadaster ingeschreven zakelijke rechten te beschermen en ten uitvoer te leggen. De vraag rijst derhalve of de doeltreffendheid van de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende consumentenbescherming vereist dat de nationale rechter de eventuele oneerlijkheid van bedingen in een hypotheekovereenkomst kan toetsen, lang nadat de overdracht van de eigendom van de verhypothekeerde zaak heeft plaatsgevonden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:
„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”
4.
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt:
„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
5.
Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, „[zien] de lidstaten [...] erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers”.
Spaans recht
6.
De Ley 1/2000, de Enjuiciamento Civil (wet 1/2000 inzake burgerlijke rechtsvordering) van 7 januari 2000 ( 4 ) bepaalt in artikel 250, lid 1, het volgende:
„De rechtbank behandelt in het kader van de vereenvoudigde procedure, ongeacht het bedrag, de volgende vorderingen:
[...]
7°
vorderingen die worden ingesteld door houders van bij het kadaster ingeschreven zakelijke rechten en ertoe strekken die rechten te doen gelden tegenover degenen die ze betwisten of de uitoefening ervan belemmeren zonder over een ingeschreven titel als grondslag voor die betwisting of belemmering te beschikken”.
7.
Volgens artikel 444, lid 2, LEC moet de verweerder, op verzoek van de verzoeker, een door de rechtbank vastgestelde waarborgsom storten om zich tegen de in het kader van de procedure van artikel 250, lid 1, punt 7, LEC geformuleerde vordering te kunnen verzetten. Voorts zijn de betwistingsgronden die hij gerechtigd is in te roepen, uitputtend opgesomd in artikel 444, lid 2, LEC. Daaronder is niet begrepen het bestaan van oneerlijke bedingen in de aan de buitengerechtelijke verkoop ten grondslag liggende hypothecaire leningsovereenkomst.
8.
Volgens artikel 440, lid 2, LEC is de rechter, indien de verweerder niet voor de rechtbank verschijnt of verschijnt zonder de waarborgsom te storten, gehouden om, na de verweerder te hebben gehoord, een vonnis te wijzen waarin hij de levering van het gebouw en de uitzetting van de bewoner ervan gelast.
9.
De buitengerechtelijke executie van hypotheekrechten is met name geregeld in artikel 41 van de Ley Hipotecaria (hypotheekwet; hierna: „LH”) ( 5 ). Deze bepaling, zoals van toepassing ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, luidde als volgt:
„Vorderingen gebaseerd op ingeschreven zakelijke rechten kunnen via de in de [LEC] geregelde vereenvoudigde procedure worden ingesteld tegen degenen die, zonder over een ingeschreven titel te beschikken, deze rechten betwisten of de uitoefening ervan belemmeren. Deze op de door artikel 38 erkende legitimatie van de inschrijving bij het kadaster berustende vorderingen, vereisen dat de geldigheid van de betrokken inschrijving altijd onomstotelijk wordt aangetoond middels een verklaring van het kadaster.”
10.
Artikel 129 LH bepaalt dat „[d]e hypothecaire vordering [...] rechtstreeks op de verhypothekeerde zaken ten uitvoer [kan] worden gelegd volgens het bepaalde in [de LEC] [...] Bovendien kunnen de partijen in de hypotheekakte de buitengerechtelijke verkoop van de verhypothekeerde zaak overeenkomen [...] voor het geval dat de verbintenis waarvoor de zekerheid is gesteld, niet wordt nagekomen. De buitengerechtelijke verkoop vindt plaats door tussenkomst van een notaris, met inachtneming van de in de hypotheekverordening vastgelegde vormvereisten.”
11.
Het Decreto por el que se aprueba el Reglamento Hipotecario (decreet houdende goedkeuring van de hypotheekverordening; hierna: „RH”) van 14 februari 1947 ( 6 ) preciseert het verloop van de buitengerechtelijke verkoopprocedure.
12.
Artikel 234 RH bepaalt:
„1. De buitengerechtelijke executie van de hypotheek als voorzien in artikel 129 [LH] vereist dat de hypotheekakte bepaalt dat de partijen zich aan deze procedure onderwerpen, en dat die akte de volgende informatie bevat:
1)
De door de betrokkenen geraamde executiewaarde van de onroerende zaak bij openbare verkoop. [...]
2)
Het door de hypotheekgever opgegeven adres voor betekeningen en kennisgevingen. [...]
3)
De persoon die, bij verkoop, namens de hypotheekgever de akte van verkoop van de onroerende zaak ondertekent. Daartoe kan de schuldeiser zelf worden aangewezen.
2. Het beding waarbij de partijen die de lening afsluiten en de hypothecaire zekerheid stellen, instemmen met de procedure van buitengerechtelijke executie van de hypotheek moet in een afzonderlijke bepaling van de akte worden opgenomen.”
13.
Artikel 236-l RH luidt als volgt:
„1. Nadat het beste bod of de toewijzing zijn geverifieerd en, in voorkomend geval, de prijs in bewaring is gegeven, noteert de notaris de akte op de jaarlijks op te stellen lijst van de door hem geauthentificeerde documenten, en laten de hoogste bieder of verkrijger enerzijds, en de eigenaar van de woning anderzijds, hun overeenstemming in een notariële akte vastleggen [...].
[...]
3. De notariële akte vormt een voldoende titel voor de inschrijving (bij het kadaster) ten gunste van de hoogste bieder of verkrijger [...].”
14.
Artikel 236‑m RH bepaalt:
„De verkrijger kan een verzoek tot levering van de verkregen zaken indienen bij de rechter in eerste aanleg van de plaats waar die zaken zich bevinden.”
15.
Artikel 236-ñ RH luidt als volgt:
„1. De notaris schorst de procedure alleen wanneer aan de hand van stukken wordt aangetoond [dat er een strafrechtelijke procedure aanhangig is ter zake van de mogelijke valsheid van de hypotheekakte of wanneer het kadaster aangeeft dat er een latere titel is overgelegd waaruit het tenietgaan van de hypotheek blijkt] [...].
2. Na de in het vorige punt bedoelde omstandigheden te hebben geverifieerd, schorst de notaris de procedure van buitengerechtelijke executie van de hypotheek totdat, naargelang het geval, de strafrechtelijke procedure of de inschrijvingsprocedure is voltooid. De buitengerechtelijke executie van de hypotheek wordt op verzoek van de schuldeiser hervat, indien de akte niet vals wordt verklaard of indien het tenietgaan van de hypotheek niet wordt ingeschreven.”
16.
Artikel 236-o RH bepaalt:
„Wat de andere excepties betreft die de schuldenaar, derde houders van rechten of andere belanghebbenden kunnen opwerpen, moet het bepaalde in de laatste vijf leden van artikel 132 [LH] in acht worden genomen indien deze wet van toepassing is.”
17.
De vijfde overgangsbepaling van de Ley 1/2013 de medidas para reforzar la protección a los deudores hipotecarios, reestructuración de deuda y alquiler social (wet 1/2013 houdende maatregelen ter verbetering van de bescherming van hypotheekgevers, schuldsanering, en sociale huur) van 14 mei 2013 ( 7 ), heeft artikel 129 LH in verschillende opzichten gewijzigd. Zij preciseert dat die wijzigingen van toepassing zijn op buitengerechtelijke verkopen van verhypothekeerde zaken die na de inwerkingtreding van wet 1/2013 zijn aangevangen, ongeacht de datum van ondertekening van de hypotheekakte. De notaris schorst de tenuitvoerlegging van vóór de inwerkingtreding van wet 1/2013 aangevangen buitengerechtelijke verkopen en verkopen waarbij de verhypothekeerde zaak nog niet is toegewezen, indien een van de partijen binnen de vervaltermijn van een maand te rekenen vanaf de dag van inwerkingtreding van wet 1/2013 aantoont dat zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 129 LH, bij de bevoegde rechterlijke instantie een vordering heeft ingediend betreffende de oneerlijkheid van een van de bedingen in de hypothecaire leningsovereenkomst die de grondslag voor de buitengerechtelijke verkoop vormt, of van een beding waarin het opeisbare bedrag is bepaald.
Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
18.
Op 21 december 2004 heeft Cristobalina Sánchez López met Banco Español de Crédito SA (thans Banco Santander SA; hierna: „Banco Santander”) een hypothecaire leningsovereenkomst gesloten voor de aankoop van een woning.
19.
Artikel 11, „Buitengerechtelijke procedure”, van deze overeenkomst bepaalt met name dat partijen overeenkomen dat voor de executie van de hypotheek een buitengerechtelijke procedure kan worden gevolgd. Ook machtigt dit artikel de bank om de hypotheekgever te vertegenwoordigen bij de ondertekening van de akte van openbare verkoop.
20.
Op 24 maart 2011 heeft Banco Santander een notariële procedure van buitengerechtelijke executie van de hypothecaire zekerheid ingeleid. Deze procedure is op 15 december 2011 afgesloten met de toewijzing van de verhypothekeerde woning aan de schuldeiser zonder vooraf vastgestelde bodemprijs, tegen een verkoopprijs van 59,7 % van de geraamde executiewaarde ervan. Bijgevolg had de schuldenares een restschuld van 13482,97 EUR.
21.
De notaris heeft op 23 februari 2012 de akte van verkoop van de woning aan de schuldeiser opgesteld, zonder tussenkomst van de schuldenares, die voor dit doel door de schuldeiser werd vertegenwoordigd overeenkomstig artikel 11 van de hypothecaire leningsovereenkomst. Deze akte is op 12 april 2012 bij het kadaster ingeschreven.
22.
Vervolgens heeft Banco Santander, op 23 september 2014, een verzoek tot toepassing van de vereenvoudigde procedure van artikel 250, lid 1, punt 7, LEC ingediend, teneinde een gerechtelijk bevel tot uitzetting van Sánchez López en tot levering van de woning aan de bank te verkrijgen.
23.
Voorts heeft Banco Santander het bedrag van de waarborgsom die de schuldenares ter betwisting van de vordering van de bank moest storten, vastgesteld op 10000 EUR.
24.
In het kader van die procedure is Sánchez López niet voor de verwijzende rechterlijke instantie, de Juzgado de Primera Instancia de Jerez de la Frontera (rechter in eerste aanleg Jerez de la Frontera, Spanje), verschenen.
25.
Daarop heeft Juzgado de Primera Instancia de Jerez de la Frontera de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Is een nationale regeling houdende instelling van een procedure als die van artikel 250, lid 1, punt 7, [LEC], die enerzijds de nationale rechter verplicht te beslissen dat de verhypothekeerde woning wordt geleverd aan degene aan wie de woning in het kader van een buitengerechtelijke executieprocedure is toegewezen, en anderzijds, overeenkomstig de geldende regeling van artikel 129 [LH], zoals gewijzigd bij wet 1/2000 van 7 januari 2000 en de artikelen 234 tot en met 236-o [RH] [...], noch voorziet in de mogelijkheid van een ambtshalve rechterlijke toetsing van de oneerlijke bedingen, noch in de mogelijkheid voor de schuldenaar om zich met succes op het bestaan van dergelijke bedingen te beroepen teneinde de executie van de hypotheek te verhinderen, hetzij in het kader van de buitengerechtelijke executie van de hypotheek, hetzij in een afzonderlijke gerechtelijke procedure, in strijd met de hierboven genoemde bepalingen van richtlijn [93/13] en de doelstellingen van deze richtlijn?
2)
Is een regeling als de vijfde overgangsbepaling van wet 1/2013, die de notaris uitsluitend toestaat een op het tijdstip van inwerkingtreding van wet 1/2013 reeds aangevangen procedure van buitengerechtelijke executie van de hypotheek te schorsen indien de consument aantoont een rechtsvordering te hebben ingesteld betreffende de oneerlijkheid van een beding in de hypothecaire leningsovereenkomst dat de grondslag voor de buitengerechtelijke verkoop vormt of het bij de executie van de hypotheek opeisbare bedrag bepaalt, en op voorwaarde dat de consument die afzonderlijke rechtsvordering binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de publicatie van wet 1/2013 heeft ingesteld, zonder dat die termijn hem persoonlijk is meegedeeld, en voordat de notaris een verkrijger heeft aangewezen, in strijd met de hierboven genoemde bepalingen van richtlijn [93/13] en met de doelstellingen van deze richtlijn?
3)
Moeten de hierboven genoemde bepalingen van richtlijn [93/13], het door de richtlijn nagestreefde doel en de verplichting die zij de nationale rechters oplegt om het bestaan van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten ambtshalve te toetsen zonder dat de consument daarom hoeft te verzoeken, aldus worden uitgelegd dat zij de nationale rechter, in procedures als die van artikel 250, lid 1, punt 7, [LEC] of in de procedure van ‚buitengerechtelijke verkoop’ geregeld in artikel 129 [LH], de mogelijkheid bieden het nationale recht buiten toepassing te laten indien dit recht deze ambtshalve rechterlijke toetsing niet toestaat, gelet op de duidelijkheid van de bepalingen van deze richtlijn en de vaste rechtspraak van het [Hof] inzake de verplichting van de nationale rechter om in gedingen betreffende consumentenovereenkomsten het bestaan van oneerlijke bedingen ambtshalve te onderzoeken?
4)
Is een nationale bepaling als artikel 129 [LH], zoals gewijzigd bij wet 1/2013, die, om aan de in richtlijn [93/13] neergelegde consumentenrechten een doeltreffende bescherming te bieden in buitengerechtelijke procedures van executie van hypotheken, alleen voorziet in de mogelijkheid dat de notaris op het bestaan van oneerlijke bedingen attendeert en in de mogelijkheid dat de aan een buitengerechtelijke executie van de hypotheek op zijn woning onderworpen schuldenaar-consument vóór de toewijzing van die woning door de notaris een rechtsvordering instelt in het kader van een afzonderlijke gerechtelijke procedure, in strijd met de hierboven genoemde bepalingen van deze richtlijn en met de doelstellingen ervan?
5)
Is een nationale regeling als die van artikel 129 [LH], zoals gewijzigd bij wet 1/2013 en de artikelen 234 tot en met 236 [RH], die een procedure van buitengerechtelijke executie van hypothecaire zekerheden in leningsovereenkomsten tussen verkopers en consumenten instelt waarin geen mogelijkheid tot ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen bestaat, in strijd met de hierboven genoemde bepalingen van richtlijn [93/13] en met de doelstellingen van deze richtlijn?”
26.
Banco Santander, de Spaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
27.
Banco Santander, de Spaanse regering en de Commissie hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 25 april 2017.
Analyse
Kennelijke niet-ontvankelijkheid van de tweede, de vierde en de vijfde vraag
28.
Zoals de belanghebbenden die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, in wezen hebben aangevoerd, heeft de verwijzende rechterlijke instantie twee soorten vragen gesteld.
29.
De eerste en de derde vraag hebben betrekking op de verenigbaarheid met richtlijn 93/13 van de wettelijke regeling van de vereenvoudigde procedure van artikel 250, lid 1, LEC zoals die op het tijdstip van de feiten van het hoofdgeding gold, en op de consequenties die moeten worden getrokken uit een mogelijke onverenigbaarheid van deze regeling, met name ten aanzien van de taken van de nationale rechter.
30.
De tweede, de vierde en de vijfde vraag betreffen de verenigbaarheid met het bepaalde in richtlijn 93/13 van artikel 129 LH, zoals gewijzigd bij wet 1/2013 en de uitvoeringsbepalingen daarbij.
31.
Laatstgenoemde wettelijke regeling is evenwel niet van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.
32.
Wet 1/2013 bepaalt immers, in de vijfde overgangsbepaling ervan, dat de bij deze wet ingevoerde wijzigingen van toepassing zijn op buitengerechtelijke verkopen van verhypothekeerde zaken die na de datum van inwerkingtreding van deze wet (te weten 15 mei 2013) zijn aangevangen, ongeacht de datum van ondertekening van de hypotheekakte. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde buitengerechtelijke executieprocedure ruim vóór die datum is afgesloten, namelijk op 23 februari 2012, is deze wet ratione temporis niet van toepassing op het hoofdgeding, zoals de nationale rechterlijke instantie overigens lijkt aan te geven.
33.
Bijgevolg moeten de tweede, de vierde en de vijfde prejudiciële vraag kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, daar zij geen betrekking hebben op een uitlegging van het Unierecht die objectief noodzakelijk is voor de door de nationale rechterlijke instantie te nemen beslissing. ( 8 )
Behandeling ten gronde van de eerste en de derde vraag
34.
De eerste en de derde prejudiciële vraag, die nauw met elkaar verband houden, hebben betrekking op de omvang van de bevoegdheden die de rechter geniet voor de doeltreffendheid van richtlijn 93/13 in het kader van een procedure van tenuitvoerlegging van reeds bij het kadaster ingeschreven zakelijke rechten op onroerende zaken.
35.
Allereerst spreek ik mijn verbazing uit over de formulering van de gestelde vragen – en, bijgevolg, over de formele ontvankelijkheid ervan – en over de conclusies die de verwijzende rechter lijkt te trekken uit de rechtspraak inzake de doeltreffendheid van de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende bescherming.
36.
De bijzonderheid van de onderhavige zaak ligt namelijk in de omstandigheid dat het vermeend oneerlijke beding, te weten het beding op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van de buitengerechtelijke procedure met de daaruit voortvloeiende gevolgen, juist het beding is op grond waarvan, naar ik begrijp, de verwijzende rechter de zaak meerdere jaren na de afsluiting van die procedure in het kader van de vereenvoudigde procedure van artikel 41 LH en artikel 250, lid 1, punt 7, LEC kan behandelen.
37.
Bovendien is, wat het verband tussen de procedure in het hoofdgeding en de toepassing van richtlijn 93/13 betreft, opgemerkt dat de nationale rechter, strikt genomen, in het kader van deze vereenvoudigde procedure niet wordt verzocht te beslissen over de geldigheid van een hypothecaire leningsovereenkomst, daar die overeenkomst geen rechtsgevolgen meer heeft, maar uitsluitend over de geldigheid van een in het kadaster ingeschreven eigendomstitel. Uit de in de schriftelijke opmerkingen verstrekte aanwijzingen blijkt dat de betrokken overeenkomst pas na een daartoe geformuleerd verzoek bij de stukken is gevoegd.
38.
Met zijn eerste en zijn derde vraag stelt de verwijzende rechterlijke instantie derhalve, op een op zijn minst niet eerder vertoonde wijze, de nationale regeling ter discussie die van toepassing is op de procedure voor uitoefening van een rechtsgeldig ingeschreven eigendomsrecht.
39.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie immers te vernemen of de op het tijdstip van de feiten geldende Spaanse wetgeving – en met name artikel 250, lid 1, punt 7, LEC en artikel 129 LH –, die de nationale rechter ertoe verplicht te beslissen dat de in het kader van de buitengerechtelijke executieprocedure van artikel 129 LH door de financiële instelling verworven woning aan die instelling wordt geleverd, verenigbaar is met artikel 3, leden 1 en 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13. Zij merkt op dat er noch gedurende de procedure van buitengerechtelijke executie van de hypotheek, noch in de loop van de eropvolgende gerechtelijke procedure van toewijzing van het ongestoord bezit van de onroerende zaak aan de executant, een mogelijkheid tot toetsing in rechte van oneerlijke bedingen heeft bestaan, en dat er niet was voorzien in een doeltreffende en tijdige betwistingsmogelijkheid voor de consument.
40.
Met haar derde vraag wenst zij te vernemen welke gevolgen de eventuele onverenigbaarheid van de relevante nationale regeling heeft. Zij vraagt zich met name af of de rechter de litigieuze nationale regeling buiten toepassing mag laten op grond van zijn plicht om de oneerlijkheid van bedingen in consumentenovereenkomsten te toetsen.
41.
Ik zal eerst een samenvatting geven van de lessen die kunnen worden getrokken uit de rechtspraak van het Hof over de omvang van de bevoegdheden van de rechter en over de waarborgen die de consument uit hoofde van de doeltreffendheid van richtlijn 93/13 moeten worden geboden in het zeer specifieke kader van buitengerechtelijke hypothecaire executieprocedures. Daarna zal ik uitleggen waarom de door de nationale rechter voor de doeltreffendheid van richtlijn 93/13 bepleite tussenkomst van de rechter mij in casu noch vereist, noch noodzakelijkerwijs opportuun lijkt.
Lessen die kunnen worden getrokken uit de rechtspraak over de omvang van de bevoegdheden van de rechter en over de waarborgen die consumenten in het kader van buitengerechtelijke hypothecaire executieprocedures moeten worden geboden
42.
Volgens vaste rechtspraak ( 9 ) berust het door richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen.
43.
Ten eerste bevat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de regel dat de consument niet kan worden gebonden door oneerlijke bedingen in overeenkomsten.
44.
Gelet op de zwakke positie waarin de consument zich bevindt, is artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, een dwingende bepaling van openbare orde ( 10 ) die de gelijkheid van de partijen bij de overeenkomst beoogt te herstellen, aldus uitgelegd dat de nationale rechter de oneerlijkheid van een contractueel beding in een overeenkomst van een consument met een verkoper ambtshalve kan – en, zodra hij over de benodigde gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt, moet – toetsen. ( 11 )
45.
Wat de verenigbaarheid van een procedurele wettelijke regeling met richtlijn 93/13 betreft, en met name van een procedure van executie van zekerheidsrechten of van executie door de notaris van zekerheden bij leningsovereenkomsten met consumenten ( 12 ), zij eraan herinnerd dat nationale regelingen inzake gedwongen executie en de tussenkomst van de notaris daarbij op grond het beginsel van procedurele autonomie onder de interne rechtsorde van de lidstaten vallen, op voorwaarde dat het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd ( 13 ).
46.
Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel, het enige dat in casu daadwerkelijk aan de orde is gesteld ( 14 ), heeft het Hof, dat met name was verzocht zich uit te spreken over procedurele bepalingen betreffende hypothecaire executie, benadrukt dat, bij gebrek aan een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst die de te executeren titel vormt, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 toegekende rechten niet kan worden gewaarborgd. ( 15 )
47.
Ter zake van nationale regelingen betreffende buitengerechtelijke hypothecaire executie heeft het Hof gewezen op een aantal elementen die noodzakelijk kunnen blijken voor het waarborgen van de door deze richtlijn geboden consumentenbescherming.
48.
In de eerste plaats is erkend dat de tijdens een buitengerechtelijke procedure aangezochte nationale rechter de tenuitvoerlegging van een verkoop van een onroerende zaak onder Slowaakse procedurele bepalingen kon schorsen. Richtlijn 93/13 werd evenwel aldus uitgelegd dat zij zich niet verzette tegen een nationale regeling op grond waarvan een op mogelijkerwijs oneerlijke contractuele bedingen gebaseerde schuldvordering kan worden geïnd door middel van buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht op het onroerend goed van de consument, voor zover die regeling de bescherming van de door de richtlijn aan de consument verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. ( 16 )
49.
In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat, aangezien enerzijds de notaris een rol kon spelen bij het voorkomen van de oneerlijke bedingen in deze overeenkomst en het bovendien uitdrukkelijk zijn taak is om, door zijn adviezen, de gelijkheid van behandeling te waarborgen in alle procedures die vallen onder zijn bevoegdheid om de aandacht van consumenten te vestigen op de eventuele oneerlijkheid van een beding, en anderzijds de consument over de mogelijkheid beschikte om de geldigheid van de overeenkomst waarvan de tenuitvoerlegging was gevorderd, te betwisten, de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 geboden bescherming in beginsel was gewaarborgd. ( 17 )
50.
Met betrekking tot de stelling dat een notaris een gedwongen executie in gang kan zetten zonder de oneerlijkheid van de contractuele bedingen te hebben getoetst, is het evenwel van belang erop te wijzen dat de rechtspraak inzake het ambtshalve behandelen van oneerlijke bedingen specifiek betrekking heeft op de uitoefening van de rechterlijke taak en, gelet op de fundamentele verschillen tussen deze taak en die van de notaris, niet kan gelden voor het notarisambt. ( 18 )
51.
Bovendien kan het doeltreffendheidsbeginsel niet tevens impliceren dat van de nationale rechter wordt verlangd dat hij niet alleen een procedureel verzuim van een met zijn rechten onbekende consument herstelt, maar ook de totale passiviteit van de betrokken consument die aan geen enkele fase van de gerechtelijke executieprocedure heeft deelgenomen, volledig verhelpt. ( 19 )
52.
Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat de procedure van buitengerechtelijke verkoop van een onroerende zaak, in weerwil van het feit dat deze procedure de notaris niet de mogelijkheid biedt zich uit te spreken over het eventuele bestaan van oneerlijke bedingen, geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van richtlijn 93/13, wanneer de consument de zaak bij de rechter aanhangig kon maken en die rechter voorlopige maatregelen tot schorsing van een eventuele door de notaris georganiseerde openbare verkoop kon opleggen. ( 20 )
53.
Ten tweede verplicht artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, dat de lidstaten oplegt geschikte middelen beschikbaar te stellen om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen, niet tot aanpassing van alle op nationaal niveau ingevoerde procedures. Alleen moet worden nagegaan of de betrokken nationale bepalingen, beoordeeld in hun context en rekening houdend met alle bestaande beroepsmogelijkheden, waarborgen dat met behulp van doeltreffende en geschikte middelen een einde kan worden gemaakt aan het gebruik van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en dat dergelijke bedingen de consument niet binden. ( 21 )
54.
Vast staat dat in alle gevallen waarin het Hof heeft beslist een nationale bepaling te verbieden uit hoofde van de doeltreffendheid van richtlijn 93/13, de aangezochte rechter altijd daadwerkelijk in staat was een beding nietig te verklaren en derhalve hetzij die bepaling buiten toepassing te laten, hetzij een nog niet afgesloten beslagleggings- of overdrachtsprocedure betreffende een zaak ter discussie te stellen. Men bevond zich immers hetzij in de context van een declaratoire bodemprocedure waarin de aangezochte rechter twijfelde over de mogelijke oneerlijkheid van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, hetzij in de context van een procedure van gedwongen executie op basis van een consumentenovereenkomst die mogelijk een oneerlijk beding bevatte.
55.
Met andere woorden, in de tot nu toe aan het Hof voorgelegde gevallen vroeg de aangezochte rechter in het kader van een lopende executieprocedure en gelet op de gebleken of vermoede aanwezigheid van een oneerlijk beding in de aan het geding ten grondslag liggende hypothecaire leningsovereenkomst opheldering over de reikwijdte van de door richtlijn 93/13 toegekende bescherming.
56.
Zo had in de zaak die tot het arrest Aziz ( 22 ) heeft geleid, de overdracht van de eigendom van de betrokken onroerende zaak nog niet plaatsgevonden, omdat er, in weerwil van het feit dat deze zaak ter openbare verkoop was aangeboden, nog geen afnemer voor was gevonden en Aziz, kort voor de beslissing waarbij zijn uitzetting werd gelast, bij de bevoegde nationale rechter een verzoek om een declaratoir vonnis strekkende tot nietigverklaring van een beding in de hypothecaire leningsovereenkomst had ingediend.
57.
Tegen de achtergrond van deze lessen dient de in het hoofdgeding aan de orde gestelde procedure van erkenning van zakelijke rechten, met inachtneming van de wettelijke context ervan, te worden onderzocht.
De mogelijkheid om de oneerlijkheid van bedingen in een overeenkomst ambtshalve te behandelen kan zich niet uitstrekken tot een procedure van erkenning van zakelijke rechten die losstaat van de procedure van toewijzing van een zaak
58.
In casu staat vast dat er geen sprake is van een procedure van tenuitvoerlegging van een betalingsbevel en evenmin van een procedure van gedwongen executie die nog niet is afgesloten en waarin het nog altijd opportuun lijkt zich uit te spreken over de oneerlijkheid van bedingen in de eerder ondertekende hypotheekovereenkomst.
59.
De voor de verwijzende rechterlijke instantie dienende procedure beoogt uitsluitend de uitoefening van een rechtsgeldig ingeschreven eigendomsrecht mogelijk te maken. Zoals deze rechterlijke instantie in antwoord op een door het Hof gestelde vraag heeft gepreciseerd, dient deze procedure uitsluitend tot bescherming van ingeschreven zakelijke rechten.
60.
Volgens mij moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de buitengerechtelijke verkoopprocedure en de vereenvoudigde procedure van artikel 41 LH.
61.
De buitengerechtelijke verkoopprocedure, waarmee de partijen volgens artikel 234 RH in de hypotheekakte moeten hebben ingestemd, dient te leiden tot het opstellen van een notariële akte die de overdracht van de eigendom van de onroerende zaak aan de verkrijger met zich meebrengt, met name door inschrijving bij het kadaster.
62.
De vereenvoudigde procedure van erkenning van zakelijke rechten, in casu de procedure van artikel 41 LH, die losstaat van de buitengerechtelijke verkoopprocedure bij de notaris, beoogt daarentegen de rechten van houders van met name – maar niet uitsluitend – in het kadaster ingeschreven zakelijke rechten te beschermen. Deze procedure houdt geen verband met een eventuele consumentenovereenkomst waarover de nationale rechter zich moet uitspreken, maar heeft uitsluitend tot doel na te gaan of er werkelijk sprake is van een ingeschreven zakelijk recht, teneinde dat recht te doen gelden.
63.
In het hoofdgeding vloeit het gebruik van de vereenvoudigde procedure incidenteel voort uit artikel 11 van de op 21 december 2004 tussen Sánchez López en Banco Santander gesloten overeenkomst, welk artikel de buitengerechtelijke notariële procedure toepasselijk verklaarde in geval van executie van een hypotheek.
64.
De procedure van artikel 41 LH, waarop de eerste en de derde prejudiciële vraag betrekking hebben, strekt evenwel tot bescherming van de uit de buitengerechtelijke verkoop voortvloeiende zakelijke rechten waarmee de eigenaar het daadwerkelijke bezit van de onroerende zaak verkrijgt.
65.
Laatstgenoemde procedure is niet gebaseerd op de litigieuze hypothecaire leningsovereenkomst, maar op de in het kadaster ingeschreven eigendomstitel. Na de buitengerechtelijke verkoopprocedure gaat de hypotheekovereenkomst immers teniet en vervalt de hypotheek waarmee de zaak is belast.
66.
In casu lijkt de notariële verkoopprocedure inderdaad te zijn afgesloten met de openbare verkoop en de toewijzing van de onroerende zaak.
67.
Met andere woorden, de in casu aan de orde gestelde vereenvoudigde procedure staat dus, zoals de Spaanse regering heeft benadrukt, los van de buitengerechtelijke verkoop en van elke andere hypothecaire executieprocedure.
68.
Het lijkt mij derhalve nogal duidelijk dat richtlijn 93/13 niet van toepassing kan worden verklaard op de litigieuze procedure, die betrekking heeft op het vaststellen van zakelijke rechten met het oog op de inroepbaarheid ervan en niet op de tenuitvoerlegging van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper.
69.
Bovendien heeft het Hof er meermaals aan herinnerd dat bij de analyse van elk geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, rekening moet worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure voor de verschillende nationale instanties. ( 23 )
70.
Zoals de Spaanse regering heeft benadrukt, had de schuldenares tijdens de buitengerechtelijke procedure van overdracht van de verhypothekeerde zaak de mogelijkheid om zich tegen die procedure te verzetten of de schorsing ervan te verlangen op grond van de aanwezigheid van een oneerlijk beding in de hypothecaire leningsovereenkomst, en om te verzoeken om vaststelling van voorlopige maatregelen houdende opschorting van de verkoop van de onroerende zaak waarvan zij eigenaar was.
71.
Vast staat in elk geval dat de onderhavige zaak verschilt van de zaken waarvan het Hof tot nu toe kennis heeft moeten nemen, aangezien in casu de verwijzingsbeslissing geen enkel feitelijk gegeven bevat op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verwijzende rechterlijke instantie een ander beding van de litigieuze overeenkomst dan het beding inzake de buitengerechtelijke executieprocedure voor ogen had dat als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 kan worden beschouwd.
72.
Zo betrof de tweede prejudiciële vraag in de zaak Aziz uitdrukkelijk contractuele bedingen inzake vervroegde beëindiging en het bedrag van moratoire rentes. ( 24 ) In de zaak Finanmadrid EFC bleek uit de verwijzingsbeslissing dat er twijfel bestond over de mogelijke oneerlijkheid van een aantal bedingen van de in die zaak aan de orde zijnde overeenkomst. ( 25 )
73.
De nationale rechter is weliswaar gehouden de oneerlijkheid van alle binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallende bedingen ambtshalve te toetsen, zelfs zonder uitdrukkelijk verzoek in die zin, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt ( 26 ), maar dient wel te vermelden of er twijfel bestaat over de mogelijke oneerlijkheid van een ander beding van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst.
74.
Er zij immers aan herinnerd dat richtlijn 93/13 tot doel heeft, het opnemen van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers te voorkomen (vierde overweging), die bedingen eventueel uit die overeenkomsten te schrappen en, tot slot, te voorkomen dat genoemde bedingen de consument binden (eenentwintigste overweging).
75.
Aangezien de overeenkomst die wordt geacht het vermeend oneerlijke beding te bevatten, maar niet het voorwerp van de bij de rechter a quo aanhangige procedure is, als gevolg van de definitieve overdracht van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onroerende zaak geen rechtsgevolgen meer heeft, lijkt het niet meer opportuun om met name de noodzaak van het opnemen of schrappen van een dergelijk beding te onderzoeken.
76.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat de door richtlijn 93/13 toegekende bescherming niet impliceert dat de rechter bevoegd is zich over de oneerlijkheid van een beding in een hypotheekovereenkomst uit te spreken in het kader van een van de hypothecaire executieprocedure losstaande procedure die de doeltreffendheid van het eigendomsrecht op de betrokken onroerende zaak beoogt te waarborgen.
77.
Een ander oordeel zou volgens mij niet noodzakelijkerwijs opportuun zijn voor de betrokken consument, noch wenselijk vanuit de invalshoek van de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel en van de reeds verworven eigendomsrechten.
78.
Ten eerste lijkt een vaststelling dat de betrokken procedure onverenigbaar is met richtlijn 93/13, niet noodzakelijkerwijs te worden gerechtvaardigd door de bescherming van de betrokken consument, welke bescherming, zoals gezegd, tenslotte het hoofddoel van richtlijn 93/13 is.
79.
Ofschoon de verwijzingsbeslissing grote leemtes aangaande de situatie van verweerster in het hoofdgeding vertoont, blijkt uit de door Banco Santander en de Spaanse regering ter kennis van het Hof gebrachte feiten dat, ofschoon de toewijzing van de betrokken onroerende zaak op 23 februari 2012 in een notariële akte was vastgelegd en op 12 april 2012 in het kadaster was ingeschreven, Sánchez López Banco Santander heeft verzocht in de betrokken woning te kunnen blijven wonen op grond van het op 17 januari 2013 op nationaal niveau gesloten akkoord tot instelling van een Sociaal onroerendgoedfonds. Op 19 november 2015 hebben Sánchez López en Banco Santander een aan dat akkoord onderworpen overeenkomst gesloten, die Sánchez López met name toestaat als huurder in de woning te blijven wonen tegen een huurprijs van ongeveer 90 EUR. Daaruit blijkt dat zij niet de wens te kennen heeft gegeven om de eerder door haar ondertekende hypotheekovereenkomst te betwisten, ofschoon zij, naar alle waarschijnlijkheid, kon doen. Evenzo wijst niets erop dat deze consument van plan is geweest de definitieve aard van de eigendomsoverdracht van de door haar bewoonde woning te betwisten, welke overdracht voortvloeit uit de toewijzing die op 15 december 2011 heeft plaatsgevonden en op 12 april 2012 in het kadaster is ingeschreven.
80.
Met andere woorden, het is niet zeker dat de betwisting van deze procedure een „voordeel” kan opleveren voor de betrokken consument. Doordat het oneerlijk verklaarde beding de consument niet bindt, zou de buitengerechtelijke executie van de hypotheek ongeldig kunnen worden verklaard, waardoor de consument die niet aan zijn betalingsverplichting voldeed, opnieuw door de hypothecaire leningsovereenkomst zou zijn gebonden. Aangezien er geen ander mogelijk oneerlijk beding in de overeenkomst kan worden gevonden, zou in casu de oorspronkelijke overeenkomst immers opnieuw van kracht worden, zonder wijziging van de aflossingsbedingen. Er zij evenwel aan herinnerd dat het recht van de consument op effectieve bescherming ook de mogelijkheid behelst om rechten juist niet te doen gelden. ( 27 )
81.
Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de nietigverklaring van de in casu aan de orde zijnde hypotheekovereenkomst de betrokken consument in een nog nadeliger positie plaatst, doordat de toewijzing van de onroerende zaak ongedaan zou worden gemaakt en de nadien tussen Banco Santander en Sánchez López gesloten sociale huurovereenkomst dus zou vervallen.
82.
Ten tweede, indien het de rechter wordt toegestaan ambtshalve de eventuele oneerlijkheid te behandelen van bedingen in een eerder gesloten overeenkomst die geen rechtsgevolgen meer heeft – het verhypothekeerde goed is definitief overgedragen – zou dat neerkomen op het betwisten, uit hoofde van de doeltreffendheid van richtlijn 93/13, van een zakelijk eigendomsrecht dat niet op een consumentenovereenkomst, maar op de buitengerechtelijke toekenning van een titel is gebaseerd.
83.
In casu is het opmerkelijk dat het ter discussie gestelde zakelijke recht ongeveer vier jaar vóór de prejudiciële verwijzingsbeslissing in deze zaak in het kadaster is ingeschreven. Indien in het hoofdgeding blijkt dat Banco Santander de houder van dit recht is, zou het om een heel andere entiteit kunnen gaan die de zaak sinds de inschrijving ervan in het kadaster heeft verkregen.
84.
Het lijkt derhalve in strijd met het rechtszekerheids- en het eigendomsbeginsel om, uit hoofde van de doeltreffendheid van richtlijn 93/13, verworven eigendommen te betwisten indien er geen sprake meer is van het verbieden van een oneerlijk beding in een nog geldende overeenkomst tussen een verkoper en een consument.
Conclusie
85.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Juzgado de Primera Instancia de Jerez de la Frontera te beantwoorden als volgt:
„Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is niet van toepassing op een procedure als die van artikel 41 van de Ley Hipotecaria (hypotheekwet) en artikel 250, lid 1, van de Ley 1/2000, de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 inzake burgerlijke rechtsvordering), van 7 januari 2000, aangezien deze procedure niet de toetsing en/of de tenuitvoerlegging van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument beoogt, maar gewoon tot doel heeft de doeltreffendheid van een rechtsgeldig verkregen en in het kadaster ingeschreven eigendomsrecht te waarborgen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
( 3 ) Zie met name arresten van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164); 30 april 2014, Barclays Bank (C‑280/13, EU:C:2014:279); 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García (C‑169/14, EU:C:2014:2099), en 21 januari 2015, Unicaja Banco en Caixabank (C‑482/13, C‑484/13, C‑485/13 en C‑487/13, EU:C:2015:21); beschikking van 16 juli 2015, Sánchez Morcillo en Abril García (C‑539/14, EU:C:2015:508), en arresten van 29 oktober 2015, BBVA (C‑8/14, EU:C:2015:731), en 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60).
( 4 ) BOE nr. 7, van 8 januari 2000, blz. 575‑728; hierna: „LEC”.
( 5 ) BOE nr. 58, van 27 februari 1946.
( 6 ) BOE nr. 106, van 16 april 1947.
( 7 ) BOE nr. 116, van 15 mei 2013, blz. 36373; hierna: „wet 1/2013”.
( 8 ) Zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C‑667/13, EU:C:2015:151, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 9 ) Zie met name arresten van 10 september 2014, Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 48en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punt 39).
( 10 ) Zie met name arresten van 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C‑168/05, EU:C:2006:675, punt 36), en 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 11 ) Zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 58).
( 12 ) Zie met name arresten van 10 september 2014, Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 49), en 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punt 48).
( 13 ) Zie met name arresten van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punt 49).
( 14 ) Ik beschik in casu over geen enkel gegeven dat doet twijfelen aan de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
( 15 ) Zie met name arresten van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 59), en 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2016:98, punt 46).
( 16 ) Zie met name arrest van 10 september 2014, Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punten 60 en 68).
( 17 ) Zie met name arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punten 57 en 60).
( 18 ) Zie arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punt 47).
( 19 ) Zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 47), en 10 september 2014, Kušionová (C‑34/13, EU:C:2014:2189, punt 56).
( 20 ) Zie in die zin arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punten 59‑61).
( 21 ) Zie met name arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punt 52).
( 22 ) Arrest van 14 maart 2013 (C‑415/11, EU:C:2013:164, punten 26 en 27).
( 23 ) Arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 49en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 24 ) Arrest van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punten 65e.v.).
( 25 ) Arrest van 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2016:98, punt 22).
( 26 ) Zie met name arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM (C‑243/08, EU:C:2009:350, punt 32).
( 27 ) Zie met name arresten van 21 februari 2013, Banif Plus Bank (C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 35), en 14 april 2016, Sales Sinués en Drame Ba (C‑381/14 en C‑385/14, EU:C:2016:252, punt 25).
Full & Egal Universal Law Academy