CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 6 juli 2017 ( 1 )
Zaak C‑650/15 P
Polyelectrolyte Producers Group GEIE (PPG)
SNF SAS
tegen
Europees Agentschap voor chemische stoffen
„Hogere voorziening – Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) – Zeer zorgwekkende stoffen – Opstelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV te worden opgenomen (lijst van autorisatieplichtige stoffen) – Besluit houdende identificatie van acrylamide als stof die voldoet aan de criteria voor opname in de lijst – Artikel 2, lid 8, onder b) – Vrijstelling – Begrip ‚tussenproduct’ – Motiveringsplicht – Evenredigheidsbeginsel”
1.
Deze hogere voorziening is ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 25 september 2015, PPG en SNF/ECHA ( 2 ) (hierna: „bestreden arrest”). In dat arrest heeft het Gerecht het door Polyelectrolyte Producers Group GEIE (hierna: „PPG”) en SNF SAS (hierna: „SNF”) ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (hierna: „ECHA” of „Agentschap”) (ED/68/2009) houdende identificatie van acrylamide (EG nr. 201 173 7) als een zeer zorgwekkende stof (hierna: „ZZS”) die voldoet aan de criteria van artikel 57 van de REACH-verordening ( 3 ) en tot opname ervan in de lijst van kandidaatstoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV van deze verordening te worden opgenomen (hierna: „litigieus besluit”), verworpen.
2.
De hogere voorziening biedt het Hof de mogelijkheid om artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening uit te leggen, dat locatiegebonden en vervoerde geïsoleerde tussenproducten vrijstelt van titel VII van deze verordening. Deze titel heeft betrekking op ZZS’en en bepaalt de regels en procedures die in de eerste plaats toepasselijk zijn op de identificatie ervan en hun uiteindelijke opname in de lijst van autorisatieplichtige stoffen en in de tweede plaats op de autorisatie ervan, nadat zij op deze lijst zijn opgenomen. Een dergelijke analyse verplicht het Hof het begrip „tussenproduct” te definiëren en vast te stellen of vormen van gebruik van stoffen als tussenproduct in aanmerking moeten worden genomen bij de identificatie van een ZZS.
REACH-verordening
3.
Het doel van de REACH-verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen. Dat omvat de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt, waarbij tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie worden vergroot. ( 4 )
4.
In overweging 12 is vermeld dat de REACH-verordening beoogt „te bevorderen en in sommige gevallen ervoor te zorgen dat [ZZS’en] uiteindelijk worden vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken wanneer geschikte economisch en technisch haalbare alternatieven voorhanden zijn”.
5.
In overweging 22 is opgemerkt dat het doel van de autorisatiebepalingen is „te zorgen voor de goede werking van de interne markt, en tegelijk te voorzien in een degelijke controle van de risico’s van [ZZS’en]”.
6.
Volgens overweging 41 moeten „[v]oor de werkbaarheid en wegens hun bijzondere aard [...] specifieke registratie-eisen worden vastgesteld voor tussenproducten”.
7.
Artikel 2 bevat de vrijstellingen van de werkingssfeer van de REACH-verordening. Artikel 2, lid 1, onder c), bepaalt dat de verordening niet van toepassing is op niet-geïsoleerde tussenproducten. Artikel 2, lid 8, bepaalt dat „[l]ocatiegebonden geïsoleerde tussenproducten en vervoerde geïsoleerde tussenproducten zijn vrijgesteld van:
a)
titel II, hoofdstuk 1, uitgezonderd de artikelen 8 en 9, en
b)
titel VII.”
8.
Artikel 3 bevat de volgende definities:
„1.
‚stof’: een chemisch element en de verbindingen ervan, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procedé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd;
[...]
15.
‚tussenproduct’: een stof die vervaardigd wordt voor en verbruikt wordt in of gebruikt wordt voor een chemische reactie, om omgezet te worden in een andere stof (hierna ‚synthese’ genoemd):
a)
‚niet-geïsoleerd tussenproduct’: een tussenproduct dat tijdens de synthese niet opzettelijk wordt verwijderd (behalve voor bemonstering) uit de apparatuur waarin de synthese plaatsvindt. Deze apparatuur omvat het reactievat, de bijbehorende apparatuur en alle apparatuur waar de stof of stoffen tijdens een continue stroming of een batchprocedé doorheen gaan alsook het buizenstelsel voor de overbrenging van het ene vat naar het andere ten behoeve van de volgende reactiestap, maar omvat niet de tanks of andere vaten waarin de stof of stoffen na de vervaardiging worden bewaard;
b)
‚locatiegebonden geïsoleerd tussenproduct’: een tussenproduct dat niet aan de criteria van een niet-geïsoleerd tussenproduct voldoet en dat wordt vervaardigd op de locatie waar een of meer andere stoffen uit dat tussenproduct worden gesynthetiseerd, door een of meer rechtspersonen;
c)
‚vervoerd geïsoleerd tussenproduct’: een tussenproduct dat niet aan de criteria van een niet-geïsoleerd tussenproduct voldoet en dat wordt vervoerd tussen of wordt geleverd aan andere locaties;
16.
‚locatie’: één plaats waar, indien er meer dan een fabrikant is van een of meer stoffen, bepaalde infrastructuur en faciliteiten worden gedeeld;
[...]”
9.
Titel VII betreft de autorisatieprocedure. Volgens artikel 55 heeft deze titel tot doel „de goede werking van de interne markt te waarborgen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de risico’s van [ZZS’en] naar behoren worden beheerst en dat deze stoffen gestaag worden vervangen door geschikte alternatieve stoffen of technieken, mits die economisch haalbaar en technisch uitvoerbaar zijn”. In artikel 56, lid 1, onder a), is het algemene beginsel vastgelegd dat een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker een in bijlage XIV (met als opschrift „Lijst van autorisatieplichtige stoffen”) opgenomen stof niet voor een bepaald gebruik in de handel mag brengen of zelf mag gebruiken, tenzij autorisatie is verleend voor vormen van gebruik ervan.
10.
Volgens artikel 57 kunnen de volgende stoffen in bijlage XIV worden opgenomen:
„a)
stoffen die overeenkomstig richtlijn 67/548/EEG[ ( 5 )] aan de criteria voor indeling als kankerverwekkend, categorie 1 of 2, voldoen;
b)
stoffen die overeenkomstig richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als mutageen, categorie 1 of 2, voldoen;
c)
stoffen die overeenkomstig richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als giftig voor de voortplanting, categorie 1 of 2, voldoen;
d)
stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn;
e)
stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII zeer persistent en zeer bioaccumulerend zijn;
f)
stoffen, zoals die welke hormoonontregelende eigenschappen hebben of die welke persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen of zeer persistente en zeer bioaccumulerende eigenschappen hebben, die niet aan de criteria onder d) en e) voldoen, ten aanzien waarvan wetenschappelijke aanwijzingen worden gevonden voor waarschijnlijke ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu die even zorgwekkend zijn als die van de stoffen die onder a) tot en met e) zijn vermeld en die per afzonderlijk geval volgens de procedure van artikel 59 worden vastgesteld.”
11.
Artikel 59, leden 2 tot en met 10, regelt de procedure die wordt toegepast voor de vaststelling van stoffen die aan de criteria van artikel 57 voldoen en voor de opstelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV te worden opgenomen:
„2. De [Europese] Commissie kan het Agentschap verzoeken een dossier overeenkomstig de desbetreffende punten van bijlage XV op te stellen voor stoffen die naar haar oordeel aan de criteria van artikel 57 voldoen. Het dossier kan, indien opportuun, beperkt blijven tot een verwijzing naar een vermelding in deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008. Het Agentschap stelt dit dossier ter beschikking van de lidstaten.
3. Elke lidstaat kan een dossier overeenkomstig bijlage XV opstellen voor stoffen die naar zijn oordeel aan de criteria van artikel 57 voldoen en dat dossier naar het Agentschap zenden. Het dossier kan, indien opportuun, beperkt blijven tot een verwijzing naar een vermelding in deel 3 van bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1272/2008. Het Agentschap stelt dit dossier binnen 30 dagen na ontvangst ter beschikking van de overige lidstaten.
4. Het Agentschap plaatst op haar website een bericht dat voor een stof een dossier overeenkomstig bijlage XV is opgesteld. Het Agentschap nodigt alle belanghebbende partijen uit om binnen een vastgestelde termijn hun opmerkingen aan het Agentschap te doen toekomen.
5. De overige lidstaten of het Agentschap kunnen binnen 60 dagen na de verspreiding opmerkingen over de identificatie van de stof met betrekking tot de criteria van artikel 57 in het dossier aan het Agentschap doen toekomen.
6. Indien het Agentschap geen opmerkingen ontvangt of maakt, neemt het de stof in de in lid 1 bedoelde lijst op. Het Agentschap kan die stof opnemen in zijn aanbevelingen, als bedoeld in artikel 58, lid 3.
7. Wanneer opmerkingen worden ontvangen of gemaakt, legt het Agentschap het dossier binnen 15 dagen na het verstrijken van de in lid 5 bedoelde termijn van 60 dagen aan het Comité lidstaten voor.
8. Indien het Comité lidstaten binnen 30 dagen na de voorlegging met eenparigheid van stemmen overeenstemming bereikt over de identificatie, neemt het Agentschap de stof in de in lid 1 bedoelde lijst op. Het Agentschap kan die stof opnemen in zijn aanbevelingen, als bedoeld in artikel 58, lid 3.
9. Indien het Comité lidstaten geen overeenstemming met eenparigheid van stemmen bereikt, stelt de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van het advies van het Comité lidstaten een ontwerpvoorstel op over de identificatie van de stof. Het uiteindelijke besluit over de identificatie van de stof wordt genomen volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.
10. Het Agentschap publiceert en actualiseert de in lid 1 bedoelde lijst onverwijld op zijn website nadat er een besluit over de opneming van een stof is genomen.”
Voorgeschiedenis van de gedingen
Litigieus besluit
12.
PPG is een Europees economisch samenwerkingsverband dat de belangen behartigt van bedrijven die polyelektrolyten, polyacrylamide of andere acrylamide bevattende polymeren vervaardigen of invoeren. SNF is een vennootschap die is aangesloten bij PPG.
13.
Acrylamide is een monomeer dat wordt gebruikt om door polymerisatie polyacrylamide te vormen. ( 6 ) Polyacrylamide wordt meestal gebruikt bij de behandeling van water, in de papierindustrie, in de mijnbouw, in de aardolie-industrie, in de landbouw, als additief voor textiel en in cosmetica en producten voor persoonlijke hygiëne.
14.
Op 25 augustus 2009 heeft het Koninkrijk der Nederlanden ECHA een door hem opgesteld dossier toegestuurd betreffende de identificatie van acrylamide als een kankerverwekkende en mutagene stof die voldoet aan de criteria van artikel 57, onder a) en b), van de REACH-verordening, teneinde deze stof te plaatsen op de lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV bij deze verordening te worden opgenomen (hierna: „lijst van kandidaatstoffen”). Op 31 augustus 2009 heeft ECHA op zijn website een bericht geplaatst waarbij het belanghebbenden uitnodigde, hun opmerkingen over dat dossier in te dienen. ECHA heeft ook de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten uitgenodigd om hun opmerkingen hierover in te dienen.
15.
Op 27 november 2009 heeft het Comité lidstaten, waaraan het dossier overeenkomstig artikel 59, lid 7, van de REACH-verordening was voorgelegd, met eenparigheid van stemmen overeenstemming bereikt over de identificatie van acrylamide als ZZS, op grond dat acrylamide voldeed aan de in artikel 57, onder a) en b), van deze verordening genoemde criteria.
16.
Op 22 december 2009 heeft de uitvoerend directeur van ECHA het litigieuze besluit vastgesteld. Op 30 maart 2010 heeft ECHA de lijst van kandidaatstoffen gepubliceerd, waarin ook acrylamide was opgenomen.
Procedures voor het Gerecht en het Hof
17.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 juni 2010, hebben PPG en SNF beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
18.
Bij beschikking van 21 september 2011, PPG en SNF/ECHA ( 7 ), heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
19.
Bij arrest van 26 september 2013, PPG en SNF/ECHA ( 8 ), heeft het Hof deze beschikking vernietigd, de zaak terugverwezen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
Bestreden arrest
20.
Na het arrest van het Hof heeft het Gerecht het door ECHA opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid afgewezen en de zaak ten gronde behandeld. ( 9 )
21.
Met hun eerste middel hadden PPG en SNF aangevoerd dat het litigieuze besluit in strijd was met artikel 2, lid 8, onder b), en artikel 59 van de REACH-verordening. Zij hebben gesteld dat acrylamide een tussenproduct is, dat krachtens artikel 59 is vrijgesteld van identificatie als een ZZS. Het Gerecht heeft dat argument afgewezen. Het heeft geoordeeld dat de kwalificatie van een stof als tussenproduct volgens de definitie van dat begrip in artikel 3, lid 15, afhangt van de doelstelling die met de vervaardiging en het gebruik ervan wordt nagestreefd. Het feit dat een stof in een bepaald geval de status van tussenproduct heeft, betekent niet dat deze stof van de identificatieprocedure van artikel 59 zou moeten worden vrijgesteld.
22.
Met hun tweede middel hadden PPG en SNF aangevoerd dat ECHA een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door te erkennen dat niet alle vormen van gebruik van acrylamide gebruik als tussenproduct zijn. Het Gerecht heeft geoordeeld dat ECHA over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt voor de beoordeling van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten. In het door het Koninkrijk der Nederlanden overeenkomstig bijlage XV bij de REACH-verordening opgestelde dossier staat dat 99 % van de in de Europese Unie gebruikte acrylamide werd gebruikt als tussenproduct bij de vervaardiging van polyacrylamides voor meerdere toepassingen en dat andere vormen van gebruik bestonden als agens in voegmiddelen en bij de bereiding van polyacrylamidegels op locatie; en dat niet de conclusie kon worden getrokken dat acrylamide bij alle vormen van gebruik die door het Koninkrijk der Nederlanden in zijn dossier zijn vermeld, werd gebruikt als tussenproduct.
23.
Aangaande het derde middel (vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel) heeft het Gerecht geoordeeld dat (i) de mogelijkheid om niet op te treden; (ii) de vaststelling van beperkingen op grond van titel VIII van de REACH-verordening; en (iii) de regels inzake de bescherming van werknemers, niet konden worden beschouwd als maatregelen die even geschikt of minder belastend zouden zijn dan de identificatie van acrylamide als ZZS.
24.
Met hun vierde middel hadden PPG en SNF aangevoerd dat ECHA het beginsel van gelijke behandeling had geschonden door acrylamide minder gunstig te behandelen dan andere stoffen die zich in een identieke situatie bevinden en niet zijn geïdentificeerd als ZZS’en. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het volgens artikel 59, leden 2 en 3, de Commissie en de lidstaten zijn die de stoffen kiezen die in bijlage XIV dienen te worden opgenomen. ECHA kan niet, althans niet zonder zijn bevoegdheden te overschrijden, stoffen identificeren zonder dat er door een lidstaat of op verzoek van de Commissie een dossier is opgesteld. Hieruit volgt dat ECHA het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden door acrylamide wel en andere vermeend vergelijkbare stoffen niet als een ZZS te identificeren. Er was dienaangaande geen verdere motivering vereist.
25.
In zijn arrest van 25 september 2015 heeft het Gerecht het beroep derhalve in zijn geheel verworpen.
Hogere voorziening voor het Hof en conclusies van partijen
26.
Bij verzoekschrift in hogere voorziening, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 december 2015, verzoeken PPG en SNF het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de zaak af te doen en het litigieuze besluit nietig te verklaren of, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen. Zij verzoeken het Hof tevens ECHA te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure voor het Gerecht.
27.
PPG en SNF voeren in hogere voorziening zes middelen aan, die als volgt kunnen worden samengevat. Met het eerste middel in hogere voorziening wordt gesteld dat er sprake is van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de definitie van „tussenproduct” in artikel 3, lid 15, van de REACH-verordening. Met het tweede middel in hogere voorziening wordt niet-nakoming van de motiveringsplicht door het Gerecht aangevoerd, aangezien het heeft nagelaten het argument te behandelen dat artikel 2, lid 8, onder b), locatiegebonden geïsoleerde tussenproducten en vervoerde geïsoleerde tussenproducten in hun geheel vrijstelt van titel VII. Met het derde middel in hogere voorziening wordt geklaagd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat tussenproducten niet zijn vrijgesteld van artikel 59 van de REACH-verordening. Met het vierde middel in hogere voorziening wordt gesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat ECHA geen kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door de gegevens in bijlage XV niet in aanmerking te nemen. Volgens het vijfde middel in hogere voorziening is blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de evenredigheid van het litigieuze besluit. Met het zesde middel in hogere voorziening wordt niet-nakoming van de motiveringsplicht gesteld, aangezien het Gerecht de door PPG en SNF voorgestelde minder belastende maatregelen niet heeft behandeld.
28.
ECHA verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen, het bestreden arrest te bevestigen en PPG en SNF te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure voor het Gerecht. De Europese Commissie verzoekt het Hof de middelen in hogere voorziening af te wijzen. Het Koninkrijk der Nederlanden ondersteunt ECHA in hogere voorziening.
29.
PPG en SNF, ECHA en de Europese Commissie hebben ter terechtzitting van 11 januari 2017 mondelinge opmerkingen gemaakt.
Inleidende opmerkingen
30.
Deze hogere voorziening heeft in wezen betrekking op de reikwijdte van de vrijstelling voor geïsoleerde tussenproducten van de autorisatieprocedure voor ZZS’en in titel VII van de REACH-verordening.
31.
De REACH-verordening stelt een geïntegreerd systeem in voor de controle op chemische stoffen, met inbegrip van de registratie, de beoordeling en de autorisatie. ( 10 ) Volgens het voorstel van de Commissie voor een verordening (i) houdt de registratie in dat „het bedrijfsleven [...] informatie [verzamelt] over de stoffen en [...] die [gebruikt] om de stoffen veilig te beheren”; (ii) zorgt de beoordeling ervoor dat „erop [kan] worden vertrouwd dat het bedrijfsleven zijn plichten vervult [...]”; (iii) heeft de autorisatie betrekking op ZZS’en waarvan „de gebruiksrisico’s worden beoordeeld en [waarvoor] een gebruiksvergunning [wordt] verleend als de risico’s afdoende beheerst zijn of de sociaaleconomische voordelen zwaarder wegen dan de risico’s en er geen geschikte substituten of alternatieve technieken zijn”; en (iv) dienen de beperkingen „als vangnet om risico’s te beheren die niet afdoende elders in het REACH-systeem worden behandeld”. ( 11 )
32.
De REACH-verordening is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel, zoals dat is vastgelegd in artikel 191 VWEU. ( 12 ) In overeenstemming met dat beginsel en teneinde een voldoende hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens, alsmede voor het milieu te waarborgen, moet zorgvuldig aandacht worden besteed aan ZZS’en. ( 13 )
33.
In titel VII van de REACH-verordening is de autorisatieprocedure voor ZZS’en vastgelegd.
34.
De eerste fase bestaat erin de ZZS’en overeenkomstig artikel 57 te identificeren. ZZS’en zijn de stoffen die zijn vermeld in hetzij artikel 57, onder a) tot en met e), wegens hun kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting giftige eigenschappen of omdat zij persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn of zeer persistent en zeer bioaccumulerend, hetzij artikel 57, onder f), dat alle andere stoffen omvat „ten aanzien waarvan wetenschappelijke aanwijzingen worden gevonden voor waarschijnlijke ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu die even zorgwekkend zijn als die van de stoffen die onder a) tot en met e) zijn vermeld”. ( 14 )
35.
In artikel 59 is de procedure voor de identificatie van deze stoffen vastgesteld.
36.
Om te beginnen wordt door een lidstaat of door ECHA (in laatstgenoemd geval, na een verzoek van de Commissie) een dossier overeenkomstig bijlage XV opgesteld. Dat dossier moet de identiteit van de betrokken stof bevatten, een motivering van de voorgestelde indeling van de betrokken stof en de beschikbare informatie betreffende het gebruik en de blootstelling, evenals informatie betreffende alternatieve stoffen en technieken. ECHA stelt dit dossier ter beschikking van de lidstaten. ( 15 ) Vervolgens plaatst ECHA op zijn website een bericht dat voor een stof een dossier overeenkomstig bijlage XV is opgesteld en nodigt het alle belanghebbende partijen uit om binnen een vastgestelde termijn hun opmerkingen te doen toekomen. ( 16 ) Indien er geen opmerkingen worden ontvangen, is de derde stap dat de stof overeenkomstig artikel 59, lid 6, wordt opgenomen in de lijst van kandidaatstoffen. Indien ECHA opmerkingen ontvangt, moet het het dossier voorleggen aan het Comité lidstaten. ECHA zal de stof pas opnemen in de lijst van kandidaatstoffen nadat dat comité met eenparigheid van stemmen overeenstemming heeft bereikt of nadat de Commissie een ontwerpvoorstel heeft opgesteld en er een definitief besluit is genomen in overeenstemming met de in artikel 133, lid 3, bedoelde comitéprocedure. ( 17 )
37.
Uit artikel 59, lid 1, van de REACH-verordening blijkt duidelijk dat het doel van de eerste fase is om ZZS’en te identificeren en om de lijst op te stellen van kandidaatstoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV te worden opgenomen.
38.
De tweede fase van de procedure bestaat erin bepaalde kandidaatstoffen in bijlage XIV, met als opschrift „Lijst van autorisatieplichtige stoffen”, op te nemen. Om te beginnen doet ECHA aanbevelingen voor ZZS’en die met voorrang moeten worden opgenomen in bijlage XIV. ( 18 ) Vervolgens kan de Commissie op grond van de aanbeveling van ECHA besluiten om een stof uit de lijst van kandidaatstoffen op te nemen in de lijst van autorisatieplichtige stoffen van bijlage XIV. Dat besluit wordt genomen overeenkomstig de procedure die is vastgesteld in artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van besluit 1999/468/EG. ( 19 ) In dat besluit worden van elke stof de identiteit vermeld, de in artikel 57 bedoelde intrinsieke eigenschap of eigenschappen ervan die de identificatie motiveren en mogelijk toepasselijke overgangsregelingen, (in voorkomend geval) herbeoordelingstermijnen voor bepaalde vormen van gebruik en eventueel van de autorisatieplicht vrijgestelde vormen van gebruik of categorieën van gebruik, en de eventuele voorwaarden voor die vrijstellingen. ( 20 )
39.
De derde fase van de autorisatie procedure bestaat in de verlening van autorisaties voor de in bijlage XIV opgenomen stoffen. Autorisaties moeten bij ECHA worden aangevraagd door de fabrikant(en), importeur(s) en/of downstreamgebruiker(s) van de stof. ( 21 ) De Commissie stelt de autorisatiebesluiten vast op basis van de in artikel 64 opgenomen procedure.
40.
ZZS’en die zijn opgenomen in bijlage XIV, mogen niet voor een bepaald gebruik in de handel worden gebracht of worden gebruikt door fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers tenzij er autorisatie voor is verleend of die stoffen binnen bepaalde beperkte, in de verordening vermelde, categorieën vallen. ( 22 ) Geneesmiddelen, levensmiddelen of diervoeder en locatiegebonden geïsoleerde tussenproducten en vervoerde geïsoleerde tussenproducten zijn krachtens artikel 2, leden 5 en 8, van de REACH-verordening echter vrijgesteld van titel VII.
41.
De wisselwerking tussen de eerste fase van de identificatieprocedure, zoals uiteengezet in de punten 35 tot en met 37 hierboven, en de vrijstelling voor geïsoleerde tussenproducten van autorisatie, zoals vastgesteld in artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening, vormt de kern van deze hogere voorziening.
42.
Tegen deze achtergrond zal ik thans de onderhavige hogere voorziening onderzoeken. Van de zes middelen in hogere voorziening komt het mij voor dat het eerste en het derde middel eerst moeten worden onderzocht, omdat zij betrekking hebben op de reikwijdte van de vrijstelling van tussenproducten van titel VII van de REACH-verordening.
Eerste middel in hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de definitie van „tussenproducten”
Samenvatting van de relevante passages van het bestreden arrest
43.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat een stof de status van tussenproduct kan hebben, niet inhoudt dat hij is vrijgesteld van de identificatie als zeer zorgwekkend op grond van de procedure van artikel 59 van de REACH-verordening. ( 23 )
44.
Het Gerecht heeft de vormen van gebruik van acrylamide als agens in voegmiddelen door polymerisatie en bij de bereiding van elektroforesegels op polyacrylamidebasis onderzocht. Het heeft geoordeeld dat wanneer acrylamide wordt gebruikt als voegmiddel, het geen gebruik als tussenproduct betreft, maar veeleer een eindgebruik van de stof. ( 24 ) De punten 2 en 4 van de „definitie van tussenproducten zoals overeengekomen tussen de Commissie, de lidstaten en ECHA op 4 mei 2010” ( 25 ) bevestigen deze conclusie. ( 26 ) Bij de bereiding van elektroforesegels op polyacrylamidebasis is de onderliggende bedoeling van de vervaardiging van handmatige afgietsels – een van de stappen van het elektroforeseprotocol – niet om een polyacrylamide te vervaardigen, maar om de moleculen op analytische wijze door elektroforese te scheiden. ( 27 ) In elk geval houdt het feit dat acrylamide in alle drie registraties van deze stof in de databank van geregistreerde stoffen van ECHA werd geïdentificeerd als tussenproduct, niet in dat deze stof uitsluitend als tussenstof wordt gebruikt. ( 28 )
45.
Het Gerecht heeft uiteengezet dat terwijl een stof in de zin van de REACH-verordening wordt gedefinieerd door zijn intrinsieke eigenschappen, een tussenproduct wordt gedefinieerd op basis van de door de vervaardiging en het gebruik van de stof nagestreefde doelstelling. ( 29 ) Het feit dat een stof de status van tussenproduct kan hebben, houdt derhalve niet in dat hij is vrijgesteld van de identificatie als zeer zorgwekkend op grond van de procedure van artikel 59 van de REACH-verordening. ( 30 )
Argumenten van partijen
46.
Met hun eerste middel in hogere voorziening voeren PPG en SNF aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn uitlegging van de definitie van „tussenproduct”, zoals uiteengezet in artikel 3, lid 15, van de REACH-verordening. Dat middel valt uiteen in drie onderdelen.
47.
In de eerste plaats voeren PPG en SNF aan dat de uitlegging die het Gerecht aan tussenproducten heeft gegeven, in strijd is met de duidelijke bewoordingen van de bepalingen betreffende tussenproducten in de REACH-verordening. Acrylamide voldoet aan de definitie van tussenproducten aangezien het wordt vervaardigd voor en wordt verbruikt in een chemische reactie om omgezet te worden in polyacrylamide. Het gebruik ervan om polyacrylamide te vormen, dat vervolgens wordt gebruikt als agens in voegmiddelen of voor de bereiding van elektroforesegels zou derhalve niet mogen worden uitgesloten van deze definitie. Het eindgebruik van de door synthese bereide stof of het chemische proces na de synthese is niet relevant voor de definitie van tussenproducten.
48.
In de tweede plaats is de uitlegging die het Gerecht aan tussenproducten heeft gegeven, in strijd met de doelstellingen van de bepalingen van de REACH-verordening betreffende tussenproducten. Tussenproducten vormen een specifieke categorie stoffen die onder de vrijstellingen van artikel 2, lid 8, van de REACH-verordening vallen omdat zij niet in dezelfde mate risico’s opleveren als stoffen waaraan de blootstelling aanzienlijk is.
49.
In de derde plaats stellen PPG en SNF dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te beroepen op aanhangsel 4 bij het ECHA-richtsnoer voor tussenproducten, ter ondersteuning van zijn uitlegging van de definitie van „tussenproduct”.
50.
ECHA werpt tegen dat de definitie van „tussenproduct” strikt moet worden uitgelegd aangezien die het uitgangspunt voor de vrijstelling van deze stoffen van de werkingssfeer van sommige bepalingen van de REACH-verordening vormt. Om een stof aan te merken als tussenproduct in de zin van artikel 3, lid 15, moet het voornaamste doel van de omzetting van deze stof zijn, een bijdrage te leveren aan de structuur van een andere stof waarvan de vervaardiging wordt beoogd. Bovendien zijn tussenproducten onderworpen aan minder strenge registratievereisten wanneer zij worden gebruikt onder strikt gecontroleerde voorwaarden op een „locatie” als bedoeld in artikel 3, lid 16. Wanneer een stof wordt gebruikt voor een specifiek eindgebruik, op de plaats waar dat eindgebruik geacht wordt plaats te vinden (bijvoorbeeld het gebruik van acrylamide als voegmiddel), is dat gebruik derhalve geen gebruik als tussenproduct. Verder is het ECHA-richtsnoer voor tussenproducten door het Gerecht alleen gebruikt tot staving van zijn conclusies.
51.
Voor de Commissie volstaat het enkele feit dat een stof wordt getransformeerd in een andere niet om deze als een tussenproduct in te delen. Zonder te suggereren dat sprake is van een subjectief criterium, voert de Commissie aan dat het doel van de vervaardiging alsmede het gebruik van de stof en het doel van de chemische reactie in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of deze stof kan worden aangemerkt als tussenproduct. Zij voegt daaraan toe dat het gebruik van een stof als tussenproduct irrelevant is voor de identificatie ervan als een ZZS op grond van artikel 59 van de REACH-verordening. Verder zijn de beweringen van PPG en SNF over het gebruik van het ECHA-richtsnoer door het Gerecht onjuist.
Beoordeling
52.
In wezen werpt het eerste middel in hogere voorziening de vraag op naar de definitie van „tussenproducten” volgens de REACH-verordening en naar het verband van dat begrip met het begrip „stoffen”.
53.
„Stof” is het kernbegrip om de werkingssfeer van de REACH-verordening af te bakenen. Overweging 1 vermeldt als doelstellingen van de verordening „een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu [...] waarborgen, alsmede het vrije verkeer van stoffen als zodanig, [...] en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie [...] vergroten”. Zowel het hoge niveau van bescherming van de gezondheid van de mens als de efficiënte werking van de interne markt voor stoffen moet worden bereikt door onderlinge aanpassing van de stoffenwetgeving. ( 31 ) De kern van de definitie van „stof” volgens artikel 3, lid 1 („een chemisch element en de verbindingen ervan, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan”), is onveranderd gebleven sinds de eerdere teksten die zijn gewijzigd of ingetrokken bij deze verordening ( 32 ) en de eerste richtlijn betreffende gevaarlijke stoffen ( 33 ). Deze definitie vormt de „hoeksteen van REACH, aangezien stoffen het belangrijkste voorwerp van REACH-bepalingen vormen”. ( 34 ) Bovendien zijn de definities van de meeste begrippen van de REACH-verordening, zoals „polymeer”, „monomeer” en „tussenproduct”, rechtstreeks gebaseerd op het begrip „stof”.
54.
Wanneer een stof als zeer zorgwekkend wordt beschouwd, hetgeen inhoudt dat deze bijzonder gevaarlijk is wegens de intrinsieke eigenschappen ervan, kan deze stof worden opgenomen in bijlage XIV van de REACH-verordening, „Lijst van autorisatieplichtige stoffen”, volgens de procedure die is beschreven in de punten 33 tot en met 38 hierboven. De identificatie van ZZS’en overeenkomstig artikel 57 richt zich niet op de voorgenomen vormen van gebruik van stoffen, maar alleen op hun intrinsieke eigenschappen.
55.
„Tussenproduct” is gedefinieerd in artikel 3, lid 15. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat een tussenproduct (i) een stof is; (ii) die vervaardigd wordt voor een chemische reactie; (iii) en verbruikt wordt in of gebruikt wordt voor deze chemische reactie; (iv) om omgezet te worden in een andere stof. Met betrekking tot geïsoleerde tussenproducten, zoals acrylamide in het onderhavige geval, geldt nog een bijkomende voorwaarde voordat de stof volgens de REACH-verordening als tussenproduct in aanmerking kan komen: de procedure moet plaatsvinden op een „locatie”, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 16, of de stof moet worden vervoerd tussen of worden geleverd aan andere „locaties”. De ratio legis is in dit geval het vermijden van risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu door te waarborgen dat tussenproducten alleen in beheerste omstandigheden worden gebruikt.
56.
Het verschil tussen het begrip stof en het begrip tussenproduct is dat het laatstgenoemde wordt vervaardigd voor een chemische reactie en wordt gebruikt om een andere stof te vormen. Laatstgenoemde definitie omvat derhalve zowel (i) de doelstelling van de vervaardiging alsook het verbruik of gebruik van tussenproducten, namelijk een chemische reactie en (ii) de doelstelling van de chemische reactie zelf, namelijk de vorming van een andere stof. Voor geïsoleerde tussenproducten omvat de definitie ook nog het begrip „locatie”.
57.
Het onderzoek dat hier moet worden verricht, is tweeledig: (i) of er al dan niet sprake is van een stof en (ii) of de doelstelling en de voorwaarden van de vervaardiging, het gebruik en de chemische reactie van deze stof al dan niet overeenkomen met die van de definitie van een tussenproduct volgens de REACH-verordening. Zoals PPG en SNF ter terechtzitting hebben erkend, moet het uitgangspunt voor de analyse het begrip „stof” zijn; eerst moet de stof worden geïdentificeerd en vervolgens moet worden bezien op welke wijze deze stof wordt gebruikt, teneinde na te gaan of dat overeenkomt met de definitie van „tussenproduct”. Ik zal hier een syllogisme gebruiken: alle tussenproducten zijn vormen van gebruik van stoffen, maar alleen bepaalde vormen van gebruik van stoffen zijn tussenproduct; bijgevolg kan een stof zowel vormen van gebruik als tussenproduct en als niet-tussenproduct hebben.
58.
Uit het bovenstaande volgt dat de bij de REACH-verordening vastgestelde definitie van tussenproducten is gebaseerd op de doelstelling van de vervaardiging en het gebruik van de betrokken stof. Dat wordt zowel in de tekst van de verordening als in de doelstelling ervan weerspiegeld.
59.
In de tekst van artikel 3, lid 15, worden derhalve de uitdrukkingen „vervaardigd voor” en „om” gebruikt om een „tussenproduct” te definiëren. In het kader van de autorisatieprocedure hebben de bepalingen inzake tussenproducten tot doel bepaalde vormen van gebruik van stoffen vrij te stellen van het autorisatievereiste, om alle aandacht te kunnen richten op de vormen van gebruik die het grootste risico vormen. ( 35 ) Deze doelstelling moet worden uitgelegd overeenkomstig het algemene doel van de REACH-verordening en van de autorisatieprocedure, dat wil zeggen het beheersen van risico’s van ZZS’en in het kader van het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. ( 36 )
60.
Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de REACH-verordening een tussenproduct „op basis van de door de vervaardiging en het gebruik van een stof nagestreefde doelstelling” definieert. Deze benadering is zowel in overeenstemming met de bewoordingen als met het doel van deze verordening.
61.
PPG en SNF betogen voorts dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het gebruik van acrylamide in voegmiddelen en voor de bereiding van elektroforesegels als vormen van eindgebruik te categoriseren en niet als vormen van gebruik van acrylamide als tussenproduct.
62.
In zijn motivering met betrekking tot toepassingen in voegmiddelen en voor de bereiding van elektroforesegels (punten 54 tot en met 58 van het bestreden arrest) wijst het Gerecht het karakter van gebruik als tussenproduct van deze vormen van gebruik af. Deze motivering is gebaseerd op het argument dat het hoofddoel van de chemische reactie niet de vorming van polyacrylamide is maar de afdichtingsfunctie of de analytische scheiding van moleculen door elektroforese.
63.
Zoals ik het bestreden arrest uitleg, heeft het Gerecht de reikwijdte van de definitie in artikel 3, lid 15, niet uitgebreid en evenmin als extra criterium aan de definitie van tussenproducten toegevoegd dat de door synthese bereide stof geen eindgebruik heeft, zoals PPG en SNF aanvoeren. Het Gerecht heeft daarentegen de definitie van tussenproducten, met inachtneming van de doelstelling die met de vervaardiging en het gebruik van een stof wordt nagestreefd, naar de letter toegepast. Zoals het Gerecht immers terecht heeft opgemerkt, is de doelstelling van het gebruik van acrylamide in deze twee gevallen niet de vervaardiging van polyacrylamide, maar van een voegmiddel of van elektroforese. Het Gerecht heeft derhalve als feit vastgesteld dat deze twee vormen van gebruik geen vormen van gebruik als tussenproduct waren, maar vormen van eindgebruik.
64.
Het is juist dat enige variaties in het woordgebruik in het bestreden arrest, zoals het gebruik van de woorden „bedoeling”, „nagestreefde doelstelling” of „doelstelling die wordt nagestreefd”, tot de gedachte zou kunnen leiden dat het Gerecht heeft gepoogd een subjectieve beoordeling van de doelstelling aan de definitie van „tussenproducten” toe te voegen. Mijns inziens toont een globale lezing van de betwiste passages evenwel aan dat dat niet het geval is. Het incidentele gebruik van deze woorden tast de motivering van het Gerecht derhalve niet aan.
65.
Of toepassingen als voegmiddel en de bereiding van elektroforesegels al dan niet vormen van gebruik van acrylamide zijn, en zo ja welke vorm van gebruik, is een vraag van feitelijke aard. Het zou dus zo kunnen worden gezien dat rekwirantes het Hof hier verzoeken om tot een andere vaststelling van de feiten te komen. Afgezien van een verdraaiing van de feiten (die niet wordt gesteld) kan in hogere voorziening echter niet tegen de vaststelling van de feiten door het Gerecht worden opgekomen. Zelfs wanneer het – voor rekwirantes gunstiger – zo zou worden gezien dat zij veeleer trachten op te komen tegen de juridische kwalificatie van deze feiten door het Gerecht en de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden, volgt uit de zojuist door mij gegeven analyse dat ik van mening ben dat het Gerecht het recht juist heeft toegepast. ( 37 )
66.
Ik wijs de argumenten van PPG en SNF derhalve af.
67.
Aangaande de verwijzing in punt 55 van het bestreden arrest naar aanhangsel 4 bij het ECHA-richtsnoer voor tussenproducten, betogen PPG en SNF dat het Gerecht zijn eigen beoordeling van de deugdelijkheid van dat document vanuit juridisch oogpunt had moeten maken en dat het zich baseert op onderdelen die irrelevant zijn voor het onderhavige geval.
68.
Ik ben van mening dat dat argument moet worden afgewezen. Mijns inziens heeft het Gerecht een juiste uilegging aan tussenproducten gegeven. Voorts heeft het feit dat het een onderdeel van het ECHA-richtsnoer voor tussenproducten aanhaalt ter ondersteuning van zijn conclusies met betrekking tot het gebruik van acrylamide als voegmiddel, geen gevolgen voor het dictum van het bestreden arrest. Het argument kan derhalve de vernietiging van het bestreden arrest niet rechtvaardigen. ( 38 )
69.
Ik wijs dat argument en het eerste middel in hogere voorziening derhalve af.
Derde middel in hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de vrijstelling van tussenproducten van artikel 59 van de REACH-verordening
Samenvatting van de relevante passages van het bestreden arrest
70.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat acrylamide, als een „stof” in de zin van artikel 3, lid 1, van de REACH-verordening, kan worden onderworpen aan de identificatieprocedure van artikel 59. ( 39 ) Hoewel artikel 2, lid 8, onder b), van deze verordening locatiegebonden geïsoleerde tussenproducten en vervoerde geïsoleerde tussenproducten vrijstelt van titel VII, houdt het feit dat een stof de status van tussenproduct kan hebben, niet in dat deze is vrijgesteld van de identificatieprocedure. ( 40 ) Het feit dat het door het Koninkrijk der Nederlanden opgestelde dossier met betrekking tot de identificatie van acrylamide als een kankerverwekkende en mutagene stof alleen verwijst naar voorbeelden van gebruik van deze stof als tussenproduct, is niet relevant voor de doelstellingen van de identificatie van deze stof als ZZS die aan de criteria van artikel 57 voldoet. Dat feit zou evenwel relevant kunnen worden in latere stadia van de autorisatieprocedure. ( 41 )
Argumenten van partijen
71.
Met hun derde middel in hogere voorziening klagen PPG en SNF dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn uitlegging van de vrijstelling voor tussenproducten van titel VII van de REACH-verordening inzake autorisatie. Dat middel in hogere voorziening valt uiteen in drie onderdelen.
72.
In de eerste plaats stellen PPG en SNF dat het oordeel van het Gerecht dat tussenproducten niet zijn vrijgesteld van artikel 59, in strijd is met de duidelijke bedoeling van de wetgever en de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 2, lid 8, onder b), dat alle tussenproducten uitsluit van titel VII.
73.
In de tweede plaats voeren zij aan dat het Gerecht artikel 59 onjuist heeft uitgelegd, aangezien de algemene verwijzing in dat artikel naar „stoffen”, de toepassing van de specifieke vrijstellingen voor tussenproducten niet kan uitsluiten. Aangezien het Gerecht heeft erkend dat tussenproducten niet aan autorisatie zijn onderworpen, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vervolgens niet tot het besluit te komen dat vormen van gebruik als tussenproduct evenmin aan artikel 59 zijn onderworpen. Of een stof van bepaalde bepalingen is vrijgesteld, moet bovendien worden nagegaan voordat, en niet nadat, deze bepalingen erop worden toegepast. Rekwirantes betogen tevens dat de procedure van artikel 59 niet louter is bedoeld om stoffen met de in artikel 57 vermelde eigenschappen te identificeren, maar ook om een lijst vast te stellen van kandidaatstoffen die uiteindelijk in bijlage XIV zullen worden opgenomen.
74.
In de derde plaats betogen PPG en SNF dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat tussenproducten niet zijn vrijgesteld van artikel 57. Het feit dat een stof zorgwekkende intrinsieke eigenschappen bezit die zijn vermeld in artikel 57, houdt niet in dat de uitdrukkelijke vrijstelling in artikel 2, lid 8, onder b), kan worden genegeerd. De doelstelling om stoffen te identificeren die de intrinsieke eigenschappen bezitten die zijn vermeld in artikel 57, is daarenboven niet om al deze stoffen te identificeren, maar alleen de stoffen die zullen worden opgenomen in bijlage XIV.
75.
ECHA betoogt dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening niet kan voorkomen dat het acrylamide als een ZZS identificeert. De totstandkomingsgeschiedenis, de strekking en de toepassing van dat artikel in de praktijk ondersteunen dat standpunt. Daarenboven vormt artikel 2, lid 8, onder b), een uitzondering op het vereiste om autorisatie aan te vragen, zodat dit strikt moet worden uitgelegd.
76.
Aangaande de artikelen 57 en 59 voert ECHA aan dat het Gerecht terecht tot de conclusie is gekomen dat acrylamide een stof vormt die kan worden onderworpen aan de identificatieprocedure, ongeacht de vraag of het alleen als tussenproduct wordt gebruikt. Bovendien duiden de bewoordingen van deze artikelen erop dat de identificatie en opname van een stof in de lijst van kandidaatstoffen, niet onvermijdelijk leidt tot de opname ervan in bijlage XIV.
77.
De Commissie stelt dat de vrijstelling in artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening moet worden uitgelegd als een vrijstelling van alle bepalingen in titel VII die verwijzen naar het gebruik van een stof als tussenproduct. Zij voegt daaraan toe dat andere vormen van gebruik, zoals in geneesmiddelen en in levensmiddelen of diervoeder, krachtens artikel 2, lid 5, zijn vrijgesteld van titel VII, maar er niet aan in de weg staan dat een stof wordt geïdentificeerd en wordt opgenomen in de lijst van kandidaatstoffen. Volgens de Commissie hebben PPG en SNF niet duidelijk gemaakt hoe een stof, die zowel als tussenproduct en als niet-tussenproduct wordt gebruikt, moet worden behandeld indien hun uitlegging van artikel 2, lid 8, onder b), zou worden aanvaard.
Beoordeling
78.
Het derde middel in hogere voorziening betreft de reikwijdte en de gevolgen van de vrijstelling in artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening. In wezen heeft elk van de drie onderdelen van het derde middel in hogere voorziening betrekking op deze vraag. Ik zal die dan ook gezamenlijk bespreken.
79.
In de eerste plaats moet in gedachten worden gehouden dat uitzonderingen op een beginsel volgens vaste rechtspraak strikt moeten worden uitgelegd. ( 42 ) Deze conclusie geldt a fortiori wanneer het beginsel beschermend van aard is. In casu beoogt de autorisatieprocedure de risico’s van ZZS’en voor de gezondheid van de mens en het milieu te beheersen. In dat kader is het voorzorgsbeginsel, dat aan de REACH-verordening ten grondslag ligt, bijzonder relevant.
80.
In de tweede plaats is de vrijstelling van artikel 2, lid 8, een gedeeltelijke vrijstelling. Enkel locatiegebonden en vervoerde geïsoleerde tussenproducten worden vrijgesteld van hoofdstuk 1 van titel II (uitgezonderd de artikelen 8 en 9) en van titel VII van de REACH-verordening. Deze vrijstelling verschilt derhalve van de algemene vrijstellingen van de werkingssfeer van deze verordening in artikel 2, leden 1 en 2, voor radioactieve stoffen, stoffen, mengsels en artikelen die onder douanetoezicht vallen, niet-geïsoleerde tussenproducten, het vervoer van gevaarlijke stoffen en afvalstoffen.
81.
In de derde plaats heeft de vrijstelling in artikel 2, lid 8, onder a) en b), mijns inziens om de volgende redenen betrekking op specifieke vormen van gebruik van stoffen.
82.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, moet de definitie van tussenproducten in de REACH-verordening worden uitgelegd met inachtneming van de doelstelling van de vervaardiging en het gebruik van de betrokken stof. ( 43 ) Hieruit volgt dat de vrijstelling van titel VII voor (locatiegebonden en vervoerde geïsoleerde) tussenproducten op dezelfde wijze moet worden uitgelegd. De vrijstelling is verbonden met het gebruik en moet aldus worden uitgelegd dat zij betrekking heeft op vormen van gebruik van stoffen als tussenproduct.
83.
De totstandkomingsgeschiedenis van deze vrijstelling wijst in deze richting. Zo is in het Witboek dat aan de procedure tot vaststelling van de REACH-verordening is voorafgegaan, in paragraaf 2.3, met het opschrift „Kernpunten van de voorgestelde strategie”, vermeld dat voor toepassingen die geen reden tot zorg geven, algemene vrijstellingen van de vergunningprocedure voor ZZS’en kunnen worden verleend. ( 44 ) In het voorstel van de Commissie voor een verordening wordt dat beginsel herhaald en uiteengezet dat „[v]oor bepaalde vormen van gebruik [...] vrijstelling van de vergunningplicht [kan] worden verleend”, waardoor „de vergunningsprocedure [kan] worden toegespitst op de vormen van gebruik die waarschijnlijk het grootste gevaar vormen”. ( 45 ) In beide documenten is duidelijk vermeld dat de vrijstellingen van autorisatie betrekking hebben op vormen van gebruik van stoffen.
84.
Bovendien was in het oorspronkelijke ontwerp van de REACH-verordening de vrijstelling van autorisatie voor tussenproducten opgenomen in titel VII. Artikel 53, lid 5, onder g), van de voorgestelde verordening bepaalde dat (alleen) de eerste twee leden van dat artikel, betreffende de autorisatie, niet van toepassing waren op „gebruik als locatiegebonden geïsoleerd tussenproduct of als vervoerd geïsoleerd tussenproduct”. ( 46 ) Het Europees Parlement heeft, met de formeel geuite bedoeling om alle vrijstellingen die de werkingssfeer van de REACH-verordening raakten omwille van de duidelijkheid in één artikel aan het begin van het document onder te brengen, de vrijstelling met betrekking tot tussenproducten verplaatst en met de andere vrijstellingen van de werkingssfeer van deze verordening in artikel 2 samengevoegd. ( 47 ) De artikelen 57 en 59 zijn daarentegen ongewijzigd gebleven sinds het oorspronkelijke ontwerp van de voorgestelde verordening. ( 48 ) Zij hebben betrekking op stoffen, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1.
85.
Hieruit volgt dat een gecombineerde lezing van artikel 2, lid 8, onder b), artikel 3, lid 1, en lid 15, onder b) en (c), en titel VII van de REACH-verordening tot de conclusie leidt dat de vrijstelling van titel VII voor locatiegebonden en vervoerde geïsoleerde tussenproducten een met het gebruik verbonden vrijstelling is, dat het specifiek voorgenomen gebruik van een stof omvat.
86.
Bij de toepassing van de vrijstelling in artikel 2, lid 8, onder b), moet de redenering derhalve als volgt zijn: (i) de autorisatieprocedure heeft betrekking op stoffen; (ii) de toepassing van deze procedure vereist dat vooraf is voldaan aan de criteria van artikel 57 voor identificatie als een ZZS ( 49 ); (iii) deze identificatie is alleen afhankelijk van de intrinsieke eigenschappen van stoffen en niet van het voorgenomen gebruik ervan; (iv) op een stof die als ZZS is geïdentificeerd, is de autorisatieprocedure van toepassing, al kan de formele opname ervan in de lijst van autorisatieplichtige stoffen worden uitgesteld naargelang de prioriteit die ECHA eraan toekent ( 50 ); echter: (v) wanneer de geïdentificeerde ZZS’en vormen van gebruik als tussenproduct hebben, zijn deze vormen van gebruik vrijgesteld van de werkingssfeer van titel VII van deze verordening; en ten slotte (vi) indien een stof meerdere vormen van gebruik kent, waarvan er maar één is vrijgesteld, is de vrijstelling alleen toepasselijk op de hoeveelheid die is bedoeld voor het vrijgestelde gebruik. ( 51 )
87.
Uit het bovenstaande volgt dat de artikelen 57 en 59 van de REACH-verordening betrekking hebben op stoffen met bepaalde intrinsieke eigenschappen en niet op vormen van gebruik van stoffen. Artikel 2, lid 8, onder b), stelt daarentegen slechts specifieke vormen van gebruik (als een geïsoleerd tussenproduct) vrij van titel VII. De gevolgen van die vrijstelling kunnen niet verder strekken dan de werkingssfeer ervan. Derhalve kan artikel 2, lid 8, onder b), tussenproducten alleen vrijstellen van de artikelen van deze titel die betrekking hebben op vormen van gebruik van stoffen, en niet van de artikelen die betrekking hebben op de intrinsieke eigenschappen van stoffen.
88.
Ik concludeer derhalve dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat het feit dat een stof de status van tussenproduct kan hebben, niet inhoudt dat hij is vrijgesteld van identificatie als ZZS op grond van de procedure van artikel 59. ( 52 )
89.
Ik ben derhalve van mening dat het derde middel in hogere voorziening moet worden afgewezen.
Tweede middel in hogere voorziening: niet-nakoming van de motiveringsplicht
Samenvatting van de relevante passages van het bestreden arrest
90.
In punt 64 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat locatiegebonden geïsoleerde tussenproducten en vervoerde geïsoleerde tussenproducten krachtens artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening van titel VII zijn vrijgesteld. Het heeft dan ook onderzocht of deze vrijstelling tot gevolg had dat het litigieuze besluit onrechtmatig was voor zover acrylamide hierbij als ZZS was geïdentificeerd. ( 53 )
91.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat een stof in een bepaald geval de status van tussenproduct heeft, deze stof niet van de identificatieprocedure van artikel 59 kan vrijstellen. ( 54 )
Argumenten van partijen
92.
Ter ondersteuning van hun tweede middel in hogere voorziening voeren PPG en SNF aan dat het Gerecht de motiveringsplicht niet heeft nageleefd door hun argumenten met betrekking tot artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening niet te behandelen. Zij stellen dat in het bestreden arrest niet is verklaard waarom de duidelijke en ondubbelzinnige vrijstelling van titel VII voor locatiegebonden geïsoleerde tussenproducten en vervoerde geïsoleerde tussenproducten, daarmee niet ook de toepassing van artikel 59 uitsloot.
93.
ECHA stelt dat de redenering van het Gerecht duidelijk is en rekwirantes in staat stelt te begrijpen waarom hun argumenten zijn afgewezen. ECHA verwijst dienaangaande naar de punten 65 tot en met 70 van het bestreden arrest.
94.
De Commissie is van mening dat het Gerecht naar behoren heeft uiteengezet waarom een stof die als tussenproduct wordt gebruikt, desalniettemin op grond van artikel 59 van de REACH-verordening kan worden geïdentificeerd.
Beoordeling
95.
De verplichting om arresten te motiveren vloeit voort uit artikel 36 van het Statuut van het Hof, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut op het Gerecht van toepassing is. Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van een arrest van het Gerecht diens redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. ( 55 )
96.
Zoals ik het bestreden arrest opvat, heeft het Gerecht de werkingssfeer van de vrijstelling van artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening als zodanig behandeld.
97.
Het Gerecht heeft zijn redenering duidelijk uiteengezet in de punten 65 tot en met 70 van het bestreden arrest. Het heeft geoordeeld dat acrylamide een stof in de zin van artikel 3, lid 1, van de REACH-verordening is en dat het feit dat deze stof in een bepaald geval de status van tussenproduct heeft, deze stof niet van de identificatieprocedure kan vrijstellen.
98.
Mijns inziens is de motivering van het Gerecht zo duidelijk en voldoende gedetailleerd weergegeven, dat PPG en SNF hun hogere voorziening kunnen instellen en het Hof in hogere voorziening arrest kan wijzen.
99.
Ik concludeer derhalve dat het Gerecht zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd en dat het tweede middel in hogere voorziening ongegrond is.
Vierde middel in hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de verplichting van ECHA om de gegevens in het dossier overeenkomstig bijlage XV in aanmerking te nemen
Samenvatting van de relevante passages van het bestreden arrest
100.
Het vierde middel in hogere voorziening is gericht op de afwijzing door het Gerecht van rekwirantes’ grief dat de identificatie van acrylamide op grond van artikel 59 gebaseerd had moeten zijn op alle informatie in het door het Koninkrijk der Nederlanden opgestelde dossier overeenkomstig bijlage XV, met inbegrip van de informatie over de vormen van gebruik en de blootstelling. Het Gerecht heeft geoordeeld dat zelfs indien dat dossier alleen zou verwijzen naar voorbeelden van het gebruik van acrylamide als tussenproduct, dat niet relevant was voor de doelstellingen van de identificatie van acrylamide als ZZS, gelet op het feit dat deze informatie geen betrekking had op de intrinsieke eigenschappen van acrylamide. De informatie over de vormen van gebruik van acrylamide zou in latere stadia van de procedure relevant kunnen worden, namelijk in het kader van de procedure voor het verlenen van autorisaties voor specifieke vormen van gebruik. De conclusie kan in elk geval niet luiden dat alle vormen van gebruik van acrylamide waarnaar in dat dossier wordt verwezen, vormen van gebruik als tussenproduct zijn.
Argumenten van partijen
101.
PPG en SNF betogen dat de conclusie van het Gerecht is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. De informatie over de vormen van gebruik van een stof is een in de regelgeving opgenomen eis waaraan het dossier overeenkomstig bijlage XV moet voldoen. ECHA is verplicht deze informatie in aanmerking te nemen. In het geval van acrylamide toonde de informatie aan dat deze stof alleen werd gebruikt als tussenproduct, een feit dat relevant is voor de toepassing van de vrijstelling in artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening.
102.
ECHA voert aan dat het Gerecht terecht tot de conclusie is gekomen dat het gedurende de eerste fase van de autorisatieprocedure, die betrekking heeft op de identificatie van een stof, niet gehouden is om informatie over het gebruik van een stof in aanmerking te nemen. In het dossier overeenkomstig bijlage XV is in elk geval opgemerkt dat er twee vormen van gebruik van acrylamide waren die geen gebruik als tussenproduct inhielden.
Beoordeling
103.
De opstelling van een dossier overeenkomstig bijlage XV is een vormvoorschrift van de procedure op grond van artikel 59 van de REACH-verordening. Het doel van deze procedure is de identificatie van stoffen die de intrinsieke eigenschappen bezitten waarnaar in artikel 57 wordt verwezen en die derhalve aan autorisatie kunnen worden onderworpen.
104.
De verplichte inhoud van een dossier overeenkomstig bijlage XV is in de REACH-verordening zelf vastgelegd. Het bevat drie onderdelen: (i) het voorstel; (ii) de motivering en (iii) de informatie over de blootstelling, alternatieve stoffen en risico’s. Het voorstel vormt het wezenlijke onderdeel van het dossier, aangezien het de identiteit van de betrokken stof en de voorgestelde identificatie ervan overeenkomstig de in artikel 57 vastgestelde criteria omvat. Ook de motivering is van fundamenteel belang, aangezien deze de gronden voor de identificatie van stoffen bevat.
105.
De informatie over het gebruik, de blootstelling, alternatieve stoffen en risico’s is ook verplicht gesteld, maar het komt mij voor dat de rol daarvan een aanvullende is. In de eerste plaats moet alleen de „beschikbare” informatie over het gebruik en de blootstelling worden verstrekt. ( 56 ) Er bestaat geen verplichting om onderzoek te verrichten dat verder gaat dan de beschikbare informatie om een dossier overeenkomstig bijlage XV op te stellen. In de tweede plaats wordt het begrip „gebruiks- en blootstellingscategorie”, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 38 ( 57 ), verscheidene malen gebruikt in deze verordening. Het is bijvoorbeeld relevant voor titel II, inzake de registratie van stoffen, in het kader van de informatie die voor algemene registratiedoeleinden moet worden ingediend (artikel 10; zie eveneens bijlage VI), en voor bijlage I, houdende algemene bepalingen voor de beoordeling van stoffen en de opstelling van chemische veiligheidsrapporten. Mijns inziens volgt uit het aanvullende karakter van deze informatie en uit het feit dat deze informatie niet geacht wordt uitputtend te zijn, dat de rol ervan in bijlage XV pas aan de orde is wanneer vrijstellingen van bepaalde vormen van gebruik worden overwogen. Deze informatie speelt geen rol bij de (voorafgaande) beoordeling of een bepaalde stof moet worden geïdentificeerd als een ZZS.
106.
Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat zelfs indien in het dossier overeenkomstig bijlage XV „enkel voorbeelden van vormen van gebruik van deze stof als tussenproduct worden genoemd, [...] dit niet relevant [is] voor de identificatie van acrylamide als [ZZS] [...], omdat deze gegevens geen betrekking hebben op de intrinsieke eigenschappen van acrylamide”. ( 58 ) Zowel artikel 57 als bijlage XV is inderdaad duidelijk op dat punt: stoffen worden als zeer zorgwekkend geïdentificeerd, wanneer zij de eigenschappen bezitten die in artikel 57 zijn vermeld. ( 59 ) Deze bepaling verwijst voor de doelstellingen van de identificatie niet naar vormen van gebruik van stoffen. Vormen van gebruik worden juist elders in aanmerking genomen, namelijk in artikel 56, waarin het algemene beginsel is vastgelegd dat in bijlage XIV opgenomen stoffen niet in de handel mogen worden gebracht of worden gebruikt en waarin ook uitzonderingen op dat beginsel zijn opgenomen. Dat stadium heeft betrekking op het opnemen van stoffen in bijlage XIV (artikel 58), of in hoofdstuk 2 van titel VII, dat betrekking heeft op de verlening van autorisaties.
107.
Ik ben derhalve van mening dat het vierde middel in hogere voorziening moet worden afgewezen.
Vijfde en zesde middel in hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting en niet-nakoming van motiveringsplicht bij de beoordeling van de evenredigheid van het bestreden arrest
Samenvatting van de relevante passages van het bestreden arrest
108.
Het Gerecht heeft het betoog van PPG en SNF dat het litigieuze besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel afgewezen. In de eerste plaats heeft het geoordeeld dat de identificatie van acrylamide als een ZZS niet kennelijk ongeschikt was ten opzichte van de doelstellingen om de gezondheid van de mens en van het milieu te beschermen. In de tweede plaats heeft het geoordeeld dat het litigieuze besluit niet verder strekte dan noodzakelijk was voor de verwezenlijking van deze doelstellingen. Met name vormt de vrijstelling van identificatie voor vormen van gebruik als tussenproduct niet een minder belastende maatregel die tevens geschikt is voor de verwezenlijking van dezelfde doelstellingen. De wetgever heeft in artikel 2, lid 1, onder c), en artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening veeleer specifieke regels voor tussenproducten ingevoerd.
Argumenten van partijen
109.
Ter ondersteuning van hun vijfde middel in hogere voorziening, dat subsidiair wordt aangevoerd, betogen PPG en SNF dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van het evenredigheidsbeginsel. Het zou een minder belastende maatregel zijn geweest indien in het litigieuze besluit uitdrukkelijk zou zijn uiteengezet dat „identificatie en opneming in de lijst van kandidaatstoffen geen enkele invloed heeft op het gebruik van tussenproducten”. Die oplossing heeft immers het voordeel dat de vrijstelling voor tussenproducten in artikel 2, lid 8, onder b), in overeenstemming wordt gebracht met de identificatieprocedure van artikel 59.
110.
Met hun zesde middel in hogere voorziening voeren PPG en SNF voorts aan dat de beoordeling van het Gerecht in de tweede volzin van punt 93, hen niet in staat stelt te begrijpen waarom deze maatregel niet een minder belastende maatregel is, die ECHA derhalve had moeten vaststellen.
111.
ECHA voert aan dat het Gerecht het evenredigheidsbeginsel niet rechtens onjuist heeft toegepast. ECHA dient op een gebied dat zijnerzijds politieke, economische en sociale keuzen vergt en waarop het ingewikkelde beoordelingen dient te verrichten, over een ruime beoordelingsbevoegdheid te beschikken. Bovendien heeft het Gerecht op dat punt aan zijn motiveringsplicht voldaan. De verwijzing in punt 93 van het bestreden arrest naar de door de wetgever van de Unie ingevoerde specifieke regels met betrekking tot tussenproducten, namelijk artikel 2, lid 1, onder c), en artikel 2, lid 8, onder b), en de verwijzing naar punt 48 waren voldoende.
112.
De Commissie stelt dat het Gerecht de vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel door ECHA ten volle heeft behandeld. Bovendien is het door PPG en SNF voorgestelde alternatief overbodig omdat de gevolgen die het sorteert, rechtstreeks uit artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening zelf voortvloeien. Het met andere woorden herhalen van hetgeen reeds in wetgeving is vastgelegd, is geen „maatregel” en het is evenmin een „minder belastende” maatregel, gelet op het feit dat de voorgestelde toevoeging geen juridische of praktische gevolgen heeft.
Beoordeling
113.
In de punten 81 tot en met 94 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel van PPG en SNF onderzocht.
114.
In de eerste plaats heeft het Gerecht dat beginsel en de beperkingen die uit de ruime beoordelingsbevoegdheid van ECHA op dat gebied voor het rechterlijk toezicht voortvloeien, correct omschreven. ( 60 ) Het Gerecht is vervolgens ingegaan op het betoog dat het litigieuze besluit niet geschikt was om de doelstellingen van de REACH-verordening te verwezenlijken. ( 61 ) Ten slotte is het nagegaan of het litigieuze besluit verder strekte dan voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen noodzakelijk was en heeft het de door PPG en SNF voorgestelde minder belastende alternatieve maatregelen beoordeeld. ( 62 ) Het is tot de conclusie gekomen dat het litigieuze besluit niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.
115.
Het vijfde middel in hogere voorziening van PPG en SNF heeft betrekking op de beoordeling door het Gerecht van een van de vermeend minder belastende maatregelen die, zoals zij stellen, desalniettemin de verwezenlijking van de met de REACH-verordening nagestreefde doelstellingen mogelijk zou hebben gemaakt.
116.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht dat argument afgewezen op grond dat de vrijstelling voor tussenproducten uitdrukkelijk wordt behandeld in artikel 2, lid 8, onder b), van de REACH-verordening. Ik ben het zowel met het Gerecht als met de Commissie eens dat, aangezien dat inderdaad de situatie rechtens is, de zogenaamd „alternatieve maatregel” geen praktisch of juridisch gevolg zou hebben gehad. Deze maatregel zou in het kader van de evenredigheidstoetsing derhalve zonder betekenis zijn geweest. Hij zou kortom volstrekt zinloos zijn geweest.
117.
Hieruit volgt dat het vijfde middel in hogere voorziening ongegrond is.
118.
Met het zesde middel in hogere voorziening betogen PPG en SNF dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen. Zij stellen met name dat de tweede volzin van punt 93 van het bestreden arrest hen niet in staat stelt te begrijpen waarom de maatregel die zij voorstellen, niet een minder belastende maatregel is die ECHA had moeten nemen.
119.
Ik aanvaard deze stelling niet.
120.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, heeft het Gerecht gemotiveerd waarom het de grief van PPG en SNF heeft afgewezen. Het is juist dat deze motivering is beperkt tot één volzin. Ik merk evenwel op dat het argument waarop het Gerecht heeft gereageerd, ook in maar één volzin was geformuleerd in punt 92 van het verzoek tot nietigverklaring. Het is vaste rechtspraak dat „de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, niet inhoudt dat het elk argument van rekwirant gedetailleerd moet beantwoorden”. ( 63 ) Door de benadering van het Gerecht konden de belanghebbenden kennis nemen van de gronden voor de genomen beslissing en kon het Hof zijn rechterlijke controle uitoefenen, zoals door de rechtspraak van het Hof wordt vereist. ( 64 )
121.
Het zesde middel in hogere voorziening moet derhalve worden afgewezen.
122.
Ik concludeer derhalve dat de hogere voorziening in zijn geheel moet worden afgewezen.
Kosten
123.
Overeenkomstig de artikelen 137, 138, 140 en 184 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, in samenhang gelezen, moeten PPG en SNF, als partijen die op alle punten in hogere voorziening in het ongelijk zijn gesteld, in de kosten worden verwezen.
Conclusie
124.
In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
–
de hogere voorziening af te wijzen;
–
Polyelectrolyte Producers Group GEIE en SNF SAS te verwijzen in hun eigen kosten en die van het Europees Agentschap voor chemische stoffen;
–
het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Commissie te verwijzen in hun eigen kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) T‑268/10 RENV, EU:T:2015:698.
( 3 ) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1). De voor de feiten van het hoofdgeding relevante versie van de REACH-verordening is de versie die is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 552/2009 van de Commissie van 22 juni 2009 (PB 2009, L 164, blz. 7). Het is die versie die ik hieronder zal weergegeven.
( 4 ) Overweging 1 en artikel 1.
( 5 ) Richtlijn van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 1967, 196, blz. 1). Deze richtlijn is inmiddels ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB 2008, L 353, blz. 1).
( 6 ) Volgens de meertalige chemische terminologiedatabank van ECHA is polymerisatie de vorming van polymeren uit eenvoudiger (monomere) moleculen door additie.
( 7 ) T‑268/10, EU:T:2011:508.
( 8 ) C‑625/11 P, EU:C:2013:594.
( 9 ) De beoordeling door het Gerecht van de ontvankelijkheid wordt weergegeven in de punten 29‑61 van het bestreden arrest.
( 10 ) Arrest van 10 september 2015, FCD en FMB (C‑106/14, EU:C:2015:576, punt 32).
( 11 ) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de vergunningverlening en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Chemicaliënagentschap en tot wijziging van richtlijn 1999/45/EG en verordening (EG) [inzake persistente verontreinigende organische stoffen], COM(2003) 644 definitief, blz. 12 (hierna: „voorstel van de Commissie voor een verordening”).
( 12 ) Artikel 1, lid 3, van de REACH-verordening.
( 13 ) Overweging 69 van de REACH-verordening.
( 14 ) Arrest van 10 september 2015, FCD en FMB (C‑106/14, EU:C:2015:576, punt 35).
( 15 ) Artikel 59, leden 2 en 3, van de REACH-verordening en bijlage XV daarbij. De overige lidstaten of ECHA kunnen binnen zestig dagen na de verspreiding van het dossier opmerkingen indienen over de identificatie van de stof (artikel 59, lid 5).
( 16 ) Artikel 59, lid 4, van de REACH-verordening.
( 17 ) Artikel 59, leden 7‑9, van de REACH-verordening.
( 18 ) Artikel 58, lid 3, van de REACH-verordening.
( 19 ) Besluit van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 1999, L 184, blz. 23). Zie artikelen 58, lid 1, en 133, lid 4, van de REACH-verordening. Artikel 5 bis is in besluit 1999/468/EG ingevoegd bij besluit 2006/512 van de Raad van 17 juli 2006 tot wijziging van besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 2006, L 200, blz. 11).
( 20 ) Artikel 58, leden 1 en 2, van de REACH-verordening.
( 21 ) Artikel 62 van de REACH-verordening.
( 22 ) Zie artikel 56, lid 1, onder b) tot en met e), en artikel 56, leden 2‑5, van de REACH-verordening.
( 23 ) Punt 66 van het bestreden arrest.
( 24 ) Punt 54 van het bestreden arrest.
( 25 ) Aanhangsel 4 bij het Richtsnoer voor tussenproducten, 2010, ECHA-2010-G-17-NL (hierna: „ECHA-richtsnoer voor tussenproducten”).
( 26 ) Punt 55 van het bestreden arrest.
( 27 ) Punt 58 van het bestreden arrest.
( 28 ) Punt 59 van het bestreden arrest.
( 29 ) Punten 66 en 67 van het bestreden arrest.
( 30 ) Punt 66 van het bestreden arrest.
( 31 ) Overwegingen 2 en 3.
( 32 ) Artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (PB 1976, L 262, blz. 201); artikel 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico’s van bestaande stoffen (PB 1993, L 84, blz. 1); artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB 1999, L 200, blz. 1).
( 33 ) Artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 67/548/EEG.
( 34 ) Werkdocument van de diensten van de Commissie, Algemeen verslag over REACH, SWD(2013) 25 final., blz. 17.
( 35 ) Zie in deze zin het voorstel van de Commissie voor een verordening, blz. 33.
( 36 ) Artikelen 1 en 55 van de REACH-verordening.
( 37 ) Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van wat het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof krachtens artikel 256 VWEU bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden [zie arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, EU:C:1994:211, punten 48 en 49), en 19 juli 2012, Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a. (C‑628/10 P en C‑14/11 P, EU:C:2012:479, punt 84)].
( 38 ) Zie in deze zin arrest van 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta (C‑496/99 P, EU:C:2004:236, punt 68en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 39 ) Punt 65 van het bestreden arrest.
( 40 ) Punten 66 en 67 van het bestreden arrest.
( 41 ) Punt 69 van het bestreden arrest.
( 42 ) Arresten van 10 november 2016, Baštová (C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 59en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 29 maart 2012, Commissie/Polen (C‑185/10, EU:C:2012:181, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 43 ) Zie punten 55 en 58 hierboven.
( 44 ) Commissie van de Europese Gemeenschappen, Strategie voor een toekomstig beleid voor chemische stoffen, COM(2001) 88 definitief, blz. 8 en 19.
( 45 ) Zie het voorstel van de Commissie voor een verordening, blz. 33.
( 46 ) Zie het voorstel van de Commissie voor een verordening, blz. 108.
( 47 ) Zie het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de vergunningverlening en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Chemicaliënagentschap en tot wijziging van richtlijn 1999/45/EG en verordening (EG) over persistente organische stoffen, [2003/0256(COD)], A6‑0315/2005, blz. 523 en 524.
( 48 ) Zie artikelen 54 en 56 van het voorstel van de Commissie voor een verordening.
( 49 ) Arrest van 15 maart 2017, Hitachi Chemical Europe en Polynt/ECHA (C‑324/15 P, EU:C:2017:208, punt 35).
( 50 ) Arrest van 15 maart 2017, Hitachi Chemical Europe en Polynt/ECHA (C‑324/15 P, EU:C:2017:208, punt 35).
( 51 ) Zie Bergkamp, L., „Key concepts and scope”, The European Union REACH Regulation for chemicals, Oxford University Press, 2013, blz. 59. PPG en SNF hebben ter terechtzitting inderdaad erkend dat wanneer een stof zowel als tussenproduct en als niet-tussenproduct wordt gebruikt, „bijvoorbeeld 50 % als tussenproduct en 50 % als andere vorm van gebruik”, alleen de vormen van gebruik als tussenproduct krachtens artikel 2, lid 8, onder b), zijn vrijgesteld.
( 52 ) Punt 66 van het bestreden arrest.
( 53 ) Punt 64 van het bestreden arrest.
( 54 ) Punt 66 van het bestreden arrest.
( 55 ) Zie onder andere arrest van 11 april 2013, Mindo/Commissie (C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 29).
( 56 ) Zie in die zin beschikking van 4 september 2014, Cindu Chemicals e.a./ECHA (C‑289/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2175, punt 51).
( 57 ) Artikel 3, lid 24, voorziet in een afzonderlijke definitie van het begrip „gebruik” en artikel 3, lid 37, van het begrip „blootstellingsscenario”.
( 58 ) Punt 69 van het bestreden arrest.
( 59 ) Zie punt 34 hierboven.
( 60 ) Punten 81 en 82 van het bestreden arrest. Zie ook arrest van 21 juli 2011, Etimine (C‑15/10, EU:C:2011:504, punten 60, 124 en 125).
( 61 ) Punten 84‑87 van het bestreden arrest.
( 62 ) Punten 88‑93 van het bestreden arrest.
( 63 ) Arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 91en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 64 ) Arrest van 11 april 2013, Mindo/Commissie (C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 29).
Full & Egal Universal Law Academy