CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 30 mei 2017 ( 1 )
Zaak C‑657/15 P
Viasat Broadcasting UK Ltd
tegen
TV2/Danmark A/S,
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Openbare omroep – Door de Deense autoriteiten ten uitvoer gelegde maatregelen ten behoeve van de Deense omroep TV2/Danmark – Begrip ,steunmaatregelen van de staten of met staatsmiddelen bekostigd’ – Altmark-arrest”
1.
Met haar hogere voorziening verzoekt Viasat Broadcasting UK Ltd (hierna: „Viasat”) om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie TV2/Danmark/Commissie ( 2 ), waarbij het Gerecht, ten eerste, besluit 2011/839/EU van de Commissie ( 3 ), nietig heeft verklaard voor zover de Europese Commissie daarin had geoordeeld dat de via het TV2‑fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden en, ten tweede, voor het overige, het beroep van TV2/Danmark A/S (hierna: „TV2 A/S”) tot gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit, heeft verworpen (TV2 A/S is een Deense naamloze omroepvennootschap die is opgericht om met boekhoudkundige en fiscale ingang van 1 januari 2003 de in 1986 opgerichte autonome overheidsonderneming TV2/Danmark (hierna: „TV2”) te vervangen). Deze zaak houdt verband met de zaken C‑649/15 P en C‑656/15 P, waarin ook hogere voorzieningen tegen het betreden arrest zijn ingesteld en waarin ik heden ook conclusie neem. De zaak is tevens verwant met de zaak die recentelijk heeft geleid tot het arrest van 8 maart 2017, Viasat Broadcasting UK/Commissie (C‑660/15 P, EU:C:2017:178).
I. Aan het geding ten grondslag liggende feiten
2.
Aangezien de feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen identiek zijn met diegene die ten grondslag liggen aan zaak C‑656/15 P, verwijs ik hiervoor naar de punten 2 tot en met 15 van mijn conclusie in die zaak, ook van heden.
II. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
3.
Om dezelfde reden verwijs ik naar de punten 16 tot en met 19 van mijn conclusie in zaak C‑656/15 P.
III. Hogere voorziening
4.
Tot staving van haar hogere voorziening voert Viasat twee middelen aan waarin zij stelt dat het Gerecht blijk zou hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, ten eerste door te oordelen dat de reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 die van TV2 Reklame via het TV2‑fonds waren overgedragen aan TV2 geen staatsmiddelen vormden en, ten tweede, door een onjuiste uitlegging te geven van de tweede voorwaarde die het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415, en, wat de in dit arrest door het Hof vereiste voorwaarden betreft: „Altmark-voorwaarden”).
5.
Overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, was het Hof van oordeel dat het na de schriftelijke behandeling voldoende was voorgelicht en dat een pleitzitting bijgevolg niet noodzakelijk was.
A. Eerste middel
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
6.
Viasat stelt in wezen dat het Gerecht, door in punt 220 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie in het bestreden besluit de reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 niet als „staatssteun” had moeten aanmerken, op grond dat deze inkomsten geen „staatsmiddelen” vormden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
7.
Viasat wordt ondersteund door de Commissie.
8.
TV2 A/S en het Koninkrijk Denemarken betwisten dit betoog. Zij stellen in wezen, ten eerste, dat de betreffende inkomsten geen staatsmiddelen en bijgevolg evenmin staatssteun vormden, aangezien zij niet van de Deense Staat afkomstig waren, maar van de activiteit van TV2. Ten tweede stellen zij dat de omstandigheid dat TV2 Reklame en het TV2‑fonds publieke lichamen waren die in handen waren en onder controle stonden van de Deense Staat in dat opzicht niet van invloed was en, ten derde, dat de beweringen van Viasat en de Commissie inzake de door de Deense Staat verrichte controle op de middelen van die entiteiten voortkwamen uit een verkeerde opvatting van het Deense recht. TV2 A/S betoogt tevens dat deze inkomsten TV2 geen enkel concurrentievoordeel hebben opgeleverd.
2. Beoordeling
9.
Het eerste middel dat door Viasat is aangevoerd lijkt op het middel dat door de Commissie is aangevoerd tot staving van haar hogere voorziening in de zaak C‑656/15 P, Commissie/TV2/Danmark, omdat elk van deze partijen de wijze betwist waarop het Gerecht in dit geval het begrip „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU heeft uitgelegd en toegepast.
10.
De analyse die ik in mijn conclusie van heden maak van het enige middel dat door de Commissie is aangevoerd in de zaak C‑656/15 P, kan mutatis mutandis ook worden toegepast op het eerste middel van Viasat in de onderhavige zaak. Ik zal mij hier dus beperken tot een samenvatting van die beoordeling. Voor een uitgebreidere uiteenzetting van die analyse verwijs ik naar de punten 24 tot en met 97 van die conclusie.
11.
Wat in de eerste plaats de toerekenbaarheid van de maatregel betreft, wordt in casu niet betwist dat de overheid moet worden geacht bij de vaststelling van deze maatregel betrokken te zijn geweest. ( 4 )
12.
Wat, in de tweede plaats, het vereiste betreft dat het voordeel rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen is bekostigd, houdt dit, zoals uit vaste rechtspraak van het Hof naar voren komt, niet in dat in alle gevallen moet worden aangetoond dat staatsmiddelen zijn overgedragen, om een aan een of meerdere ondernemingen verleend voordeel te kunnen aanmerken als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. ( 5 )
13.
Met deze overwegingen in het achterhoofd zal ik onderzoeken of het Gerecht, door te oordelen dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het litigieuze besluit de via het TV2‑fonds van TV2 Reklame aan TV2 overgedragen reclame-inkomsten van 1995 en 1995 aan te merken als „staatssteun”, dit begrip „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, juist heeft uitgelegd.
14.
Zoals Viasat terecht in herinnering brengt, heeft het Hof in het arrest van 16 mei 2002, Commissie/Frankrijk, Stardust Marine (C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 37) geoordeeld dat „uit de rechtspraak van het Hof volgt dat [artikel 107, lid 1, VWEU] alle geldelijke middelen omvat die de overheid daadwerkelijk kan gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of deze middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van de staat. Dus ook al zijn de bedragen die overeenkomen met de betrokken maatregel niet permanent in het bezit van de schatkist, dan nog volstaat het feit dat zij constant onder staatscontrole, en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, om ze als staatsmiddelen aan te merken.” ( 6 )
15.
Het Hof heeft in punt 38 van dat arrest geoordeeld dat „de Commissie, door in de bestreden beschikking te verklaren dat de middelen van overheidsbedrijven zoals Crédit Lyonnais en haar dochterondernemingen onder staatscontrole vielen en dus ter beschikking van de staat stonden, het begrip ‚staatsmiddelen’ in de zin van [artikel 107, lid 1, VWEU] niet verkeerd [heeft] uitgelegd. De staat is immers perfect in staat, door haar dominerende invloed op deze ondernemingen het gebruik van hun middelen te sturen om, in voorkomend geval, specifieke voordelen voor andere ondernemingen te financieren”.
16.
In casu staat vast dat de Staat (het Koninkrijk Denemarken) enig aandeelhouder was van de naamloze vennootschap TV2 Reklame, aangezien het kapitaal van de vennootschap bij de staat was geplaatst en de minister van Cultuur de statuten van de vennootschap en de wijzigingen ervan moest goedkeuren. De Staat had dus volledige controle over TV2 Reklame. ( 7 )
17.
Ik ben het met Viasat eens dat de overdracht van de betrokken middelen via het TV2‑fonds niets afdoet aan hun aard van „staatsmiddelen”, aangezien ook het TV2‑fonds een openbare onderneming is die door de Deense staat wordt gecontroleerd.
18.
Het feit dat, zoals de zojuist door mij aangehaalde rechtspraak aangeeft, de middelen van een publieke vennootschap die volledig in handen is van en onder controle staat van de staat, „staatsmiddelen” zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, lijkt mij een voldoende reden om in overweging te geven het bestreden arrest te vernietigen. Volledigheidshalve zal ik andere redenen onderzoeken die mij tot dezelfde conclusie zullen brengen.
a) De oorsprong van de fondsen is niet bepalend
19.
In punt 208 van het bestreden arrest heeft het Gerecht, verrassenderwijs, uit de in punt 201 van datzelfde arrest aangehaalde rechtspraak ( 8 ), gelezen in samenhang met de arresten van 16 mei 2000, Ladbroke Racing/Commissie (C‑83/98 P, EU:C:2000:248) en 12 december 1996, Air France/Commissie (T‑358/94, EU:T:1996:194) afgeleid dat van derden afkomstige middelen staatsmiddelen konden vormen, op voorwaarde dat die ofwel door de eigenaars ervan vrijwillig ter beschikking van de staat zijn gesteld (zoals was gedaan door de deposanten van de Caisse des dépôts et consignations-participations in dat arrest Air France/Commissie), ofwel door de eigenaars ervan zijn achtergelaten (zoals de niet-opgevraagde winsten van de wedders in de zaak die heeft geleid tot dat arrest Ladbroke Racing/Commissie), alvorens hieruit in de punten 211 en 212 van het bestreden arrest te concluderen dat de reclame-inkomsten waarvan in casu sprake is afkomstig waren van adverteerders die reclamezendtijd op TV2 hadden gekocht en dat deze middelen bijgevolg niet konden worden geacht onder de controle van de Deense Staat te vallen, omdat zij noch vrijwillig ter beschikking van de staat waren gesteld door hun eigenaren, noch waren achtergelaten door hun eigenaren en feitelijk door de staat werden beheerd.
20.
Om twee redenen deel ik deze conclusie waartoe de in de punten 202 tot en met 212 van het bestreden arrest gevolgde redenering heeft geleid niet om twee redenen.
21.
Ten eerste, anders dan in het bestreden arrest is vermeld, zijn de oorsprong van een specifiek middel en de oorspronkelijk particuliere aard ervan (in casu het geld dat is betaald door ondernemingen die wilden adverteren op TV2) niet van belang bij de beantwoording van de rechtsvraag of fondsen die in andere handen zijn overgegaan en in het bezit zijn van en onder controle staan van een entiteit die volledig in handen is van de staat, al dan niet „staatsmiddelen” zijn. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (met name in de punten 208, 211 en 212 van het bestreden arrest) door de nadruk te leggen op andere elementen dan de middelen zelf (en meer bepaald de oorsprong ervan). ( 9 )
22.
Ten tweede tracht het Gerecht, in punt 208 van het bestreden arrest, onterecht uit de twee arresten van het Hof af te leiden dat een van de twee „nieuwe” en aanvullende voorwaarden (zie punt 19 van deze conclusie) moet zijn vervuld om van derden afkomstige middelen te kunnen aanmerken als „staatsmiddelen”.
23.
De boven aangehaalde rechtspraak bevat namelijk geen enkel bewijs waaruit kan worden afgeleid – zoals het bestreden arrest suggereert – dat de middelen van publieke ondernemingen enkel als „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU moeten worden aangemerkt indien zij hetzij vrijwillig ter beschikking van de staat zijn gesteld, hetzij door hun eigenaren zijn achtergelaten en feitelijk door de staat worden beheerd.
24.
Dat blijkt in ieder geval nergens uit de in de omstandigheden van deze zaak relevante rechtspraak, namelijk het arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, Stardust Marine, C‑482/99, EU:C:2002:294, punten 37 en 38, dat overigens dateert van na de twee arresten waarop het bestreden arrest zich tracht te baseren.
25.
Terwijl de tweede van de door het Gerecht gesuggereerde voorwaarden (die van de verlaten middelen) kennelijk geen enkel verband vertoont met de omstandigheden van het geval, botst de eerste voorwaarde (de vrijwillige terbeschikkingstelling) bovendien zelfs met de recentere rechtspraak van het Gerecht (arrest van 27 september 2012, Frankrijk/Commissie, T‑139/09, EU:T:2012:496, waartegen geen hogere voorziening is ingesteld, punten 63 en 64). ( 10 )
b) De controle van de overheid is bepalend
26.
Ik denk dat het Gerecht, in de punten 212, 214 en 215 van het bestreden arrest, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het begrip „controle” te beperkt uit te leggen bij de beantwoording van de vraag of de Deense Staat, via het TV2‑fonds, controle uitoefende op de middelen die van TV2 Reklame werden overgedragen aan TV2.
27.
Het Gerecht vermeldt in het bestreden arrest (punt 182) namelijk zelf dat uit artikel 29, lid 2, van de wet van 1994 voortvloeit dat het TV2‑fonds werd gestijfd door de winst uit reclame op TV2. Uit hetzelfde artikel komt tevens naar voren dat de minister van Cultuur degene was die besloot welk aandeel van de winst van TV2 Reklame aan het TV2‑fonds moest worden overgedragen. Zoals het Gerecht in punt 181 van het bestreden arrest heeft uiteengezet en zoals wordt vermeld in overweging 81 van het bestreden besluit, kon het aandeel van de verzamelde winst van TV2 Reklame dat niet aan het TV2‑fonds werd overgedragen door de minister van Cultuur – met goedkeuring van de commissie voor Financiën van het Folketing (Deens parlement) – worden gebruikt voor de aflossing van een eerder geactiveerde staatsgarantie of voor culturele doeleinden (zie artikel 33 van de wet van 1994 ( 11 )).
28.
De Staat beschikte dan ook over alle rechten op en een volledige controle over de winst van TV2 Reklame en het vloeide rechtstreeks uit de wetgeving voort dat deze middelen voor een ander doel dan de overdracht ervan naar het TV2‑fonds konden worden gebruikt.
29.
Aangezien de minister van Cultuur kon beslissen dat de middelen voor een ander doel dan een overdracht naar het TV2‑fonds werden gebruikt, moet worden geconcludeerd dat de Staat deze middelen controleerde, ongeacht de wijze waarop de minister van Cultuur, in werkelijkheid, heeft besloten deze middelen in een bepaald jaar te gebruiken.
30.
Bovendien kon alleen de minister van Cultuur besluiten welk bedrag voor een bepaald jaar vanuit het TV2‑fonds naar TV2 moest worden overgedragen, aanzien de middelen enkel van het TV2‑fonds naar TV2 konden worden overgedragen in overeenstemming met het door de minister van Cultuur vastgestelde begrotingskader. ( 12 )
31.
Het Gerecht heeft derhalve blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, ten eerste, bij zijn beoordeling of al dan niet sprake is van staatsmiddelen, geen rekening te houden met het feit dat de Staat beschikte over alle rechten op en volledige controle had over de middelen van TV2 Reklame en kon besluiten of deze middelen naar het TV2‑fonds moesten worden overgedragen dan wel voor andere, bijvoorbeeld culturele, doeleinden moesten worden gebruikt en, ten tweede, geen rekening te houden met het feit dat de Staat de middelen van het TV2‑fonds totaal controleerde en derhalve eenzijdig kon besluiten op welk moment deze middelen aan TV2 moesten worden overgedragen, alsmede voor welk bedrag.
c) Het Gerecht heeft een onjuiste uitlegging gegeven van het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160)
32.
Ter onderbouwing van zijn argumentatie dat de Deense autoriteiten onvoldoende overheidscontrole uitoefenden om de betrokken middelen als „staatsmiddelen” te kunnen aanmerken, heeft het Gerecht de onderhavige zaak vergeleken met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160).
33.
Ik denk daarentegen ( 13 ) (net als Viasat) dat de twee zaken feitelijk en rechtens duidelijk verschillen.
34.
In het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), was volgens het Hof namelijk geen sprake van „staatssteun”, omdat de voordelen die aan de producenten van groene energie werden toegekend, uitsluitend werden gefinancierd door particuliere elektriciteitsbedrijven door middel van fondsen die de Staat op geen enkel moment controleerde en die derhalve „nooit de private sector verlieten” (zie de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2000:585, punt 166). Zo had ook het arrest van 5 maart 2009, UTECA (C‑222/07, EU:C:2009:124; tevens door het Gerecht aangehaald in het bestreden arrest), net als de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), betrekking op een situatie waarin de betrokken middelen op geen enkel moment de private sfeer hadden verlaten.
35.
De verschillen tussen deze zaak en het dossier dat heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160) kunnen met twee andere elementen worden benadrukt.
36.
Ten eerste heeft de onderhavige zaak betrekking op overdrachten van middelen vanuit een overheidsbedrijf naar aanleiding van een jaarlijks door de minister van Cultuur genomen beslissing, terwijl het in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), ging over een algemene wettelijke bepaling inzake overdrachten waartoe bepaalde ondernemingen werden verplicht ten behoeve van een andere categorie (hoofdzakelijk particuliere) marktdeelnemers.
37.
Ten tweede had, in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), de betrokken vennootschap (PreussenElektra) niet als taak gekregen een steunmaatregel te beheren, aangezien geen sprake was van een compensatieregeling waardoor de vennootschappen die de meerkosten droegen op die grond werden gecompenseerd.
38.
De oplossing die in voornoemd arrest is gekozen kan dus niet worden toegepast in een situatie waarin de staat een afzonderlijke juridische entiteit, zoals TV2 Reklame, heeft opgericht en haar heeft opgedragen een steunmaatregel te beheren. ( 14 )
39.
De feiten in het onderhavige geval lijken daarentegen erg veel op die in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a. (C‑206/06, EU:C:2008:413). ( 15 )
40.
Een overheidsbedrijf (SEP) had tot taak de prijstoeslagen te innen die de Nederlandse Staat ter bestrijding van de niet-marktconforme kosten bij wet had opgelegd aan de afnemers van elektriciteit. In de praktijk werd deze toeslag betaald aan de netbeheerder, die de opbrengst jaarlijks aan SEP moest overdragen. Deze laatste behield vervolgens 400 miljoen Nederlandse guldens (NLG) (181512086,40 EUR) ter dekking van de niet-marktconforme kosten die in 2000 waren ontstaan en droeg het meerdere af aan de minister.
41.
Het Hof heeft in die zaak allereerst geoordeeld dat het van weinig belang was dat deze aangewezen vennootschap (SEP) tegelijkertijd de ontvangen belastingen centraliseerde, de verzamelde middelen beheerde en een deel van deze middelen toegewezen kreeg, omdat het mogelijk was de verschillende functies van SEP te onderscheiden en het gebruik van de middelen te controleren, waaruit volgens het Hof volgde dat „zolang de aangewezen vennootschap het bedrag van 400 miljoen NLG (181512086,40 EUR) niet aan zichzelf heeft toegewezen en daarover aldus de vrije beschikking krijgt, dit bedrag onder staatscontrole blijft en dus ter beschikking blijft van de bevoegde nationale autoriteiten, wat volstaat om deze middelen als staatsmiddelen aan te merken (zie in die zin arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie [‚Stardust Marine’] C‑482/99, Jurispr. blz. I‑4397, punt 37)”.
42.
Het Hof heeft vervolgens benadrukt dat de maatregel die in deze zaak aan de orde is, verschilde van die in het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160) „waarin het Hof, in punt 59, heeft geoordeeld dat de aan particuliere elektriciteitsbedrijven opgelegde verplichting om tegen vastgestelde minimumprijzen elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen af te nemen, geen enkele rechtstreekse of zijdelingse overdracht van staatsmiddelen aan de producenten van dit soort elektriciteit meebracht. In die zaak waren de ondernemingen door de staat niet belast met het beheer van staatsmiddelen, maar waren zij verplicht om met hun eigen financiële middelen aankopen te verrichten” (arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a.,C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 74).
43.
Net als in de zaak die heeft geleid tot dat laatste arrest, is TV2 Reklame een onafhankelijke overheidsinstelling die is opgericht met het doel middelen te innen door de verkoop van advertentieruimte op TV2 en door de Staat gemachtigd om deze middelen te beheren.
44.
Dezelfde redenering geldt overigens ten aanzien van het TV2‑fonds, aangezien dat een overheidsinstelling is en de minister verder kon beschikken over de middelen van het fonds.
45.
Net als in de hierboven in voetnoot 14 aangehaalde arresten, heeft de wetgever een regeling ingesteld op grondslag waarvan het overheidsbedrijf (in casu TV2 Reklame) profiteert van een compensatie voor de steun die zij beheert, in dit geval in de vorm van het recht om advertentieruimte van TV2 te verkopen.
46.
Daarbij komt het feit dat TV2 Reklame niet verplicht was tot inkoop met haar eigen financiële middelen bij TV2, anders dan het geval was in het arrest van 13 mei 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160). Uit de Deense wetgeving komt daarentegen naar voren dat TV2 advertentieruimte ter beschikking moest stellen van TV2 Reklame en dat TV2 Reklame dus niet verplicht was deze advertentieruimte van TV2 te kopen tegen een vooraf vastgestelde prijs, zoals het geval was in het genoemde arrest.
47.
Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de onderhavige zaak vergelijkbaar was met die welke heeft geleid tot het arrest van 13 mei 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), een onjuiste uitlegging die een wezenlijke rol heeft gespeeld in de motivering van het Gerecht ter nietigverklaring van het litigieuze besluit.
d) Geen verschil wat betreft de oorsprong van de middelen die zijn ontleend aan de bijdrage en de reclame-inkomsten
48.
Zoals Viasat opmerkt, komt uit het voorgaande naar voren dat voor de juiste kwalificatie van de middelen van het TV2‑fonds van wezenlijk belang is dat die van TV2 Reklame als „staatsmiddelen” worden aangemerkt, omdat zij, net als de inkomsten uit de omroepbijdrage, na de overdracht aan het TV2‑fonds staatsmiddelen blijven. Derhalve kunnen alle middelen van het TV2‑fonds als „staatsmiddelen” worden aangemerkt.
49.
Het door het Gerecht gemaakte onderscheid tussen de oorsprong van de reclame-inkomsten die via het TV2‑fonds van TV2 Reklame aan TV2 zijn overgedragen en die van de middelen die zijn ontleend aan de omroepbijdrage die van het TV2‑fonds aan TV2 zijn overgedragen, is in casu logisch noch gerechtvaardigd.
50.
Het is moeilijk te vatten waarin de middelen die afkomstig zijn uit de wettelijk verplichte betaling door particuliere gebruikers voor toegang tot publieke televisiekanalen zich onderscheiden van de betaling door particuliere adverteerders voor advertentieruimte in deze media. In beide gevallen betreft het van derden afkomstige middelen die aan een publieke onderneming zijn betaald, ongeacht of het Danmarks Radio of TV2 Reklame betrof, in ruil voor een tegenprestatie.
51.
Uit de onjuiste rechtsopvattingen waarop ik ben ingegaan komen de redenen naar voren waarom het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat deze twee soorten middelen verschillend moesten worden behandeld, ofschoon zij zich wat betreft hun oorsprong in dezelfde situatie bevonden.
52.
Het eerste middel moet derhalve worden aanvaard.
B. Tweede middel
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
53.
Viasat stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, in punt 106 van het bestreden arrest, te oordelen dat het litigieuze besluit berust op een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de strekking van de tweede Altmark-voorwaarde.
54.
Volgens Viasat had het Gerecht, daar het een beroep tot nietigverklaring betrof, alleen de motivering van dit besluit moeten onderzoeken, zonder zijn toetsing te baseren op de uitlegging die de Commissie in de loop van het geding aan dat besluit had gegeven. Viasat betoogt in dat verband dat, anders dan het Gerecht in de punten 97, 99 en 104 tot en met 106 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, in de relevante overwegingen van dat besluit nergens staat dat de tweede Altmark-voorwaarde „het concept efficiëntie van de begunstigde van de compensatie [omvat]”. Volgens Viasat heeft deze voorwaarde, die bepaalt dat de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend vooraf op objectieve en transparante wijze worden vastgesteld, tot doel te voorkomen dat onrechtmatig een beroep wordt gedaan op het begrip „openbare dienst”. Viasat is echter van mening dat het optreden van het Deense parlement niet volstaat om deze voorwaarde te vervullen.
55.
Viasat wordt ondersteund door de Commissie.
56.
TV2 A/S en het Koninkrijk Denemarken betwisten de ontvankelijkheid van dit tweede middel.
57.
Ten gronde betwist TV2 A/S dat het Gerecht zijn beoordeling van de strekking van de tweede Altmark-voorwaarde louter heeft gebaseerd op de uitlegging die de Commissie in het schriftelijke gedeelte van de procedure aan het litigieuze besluit heeft gegeven. Het zou zijn beoordeling daarentegen hebben gebaseerd op zowel de motivering van het litigieuze besluit als op de uitlegging die de Commissie hieraan in de loop van het geding heeft gegeven. TV2 A/S is in ieder geval van mening dat, overeenkomstig de tweede Altmark-voorwaarde, de parameters ter berekening van de compensatie op objectieve en transparante wijze vooraf waren vastgesteld.
2. Beoordeling
58.
Ik ben het met TV2 A/S en het Koninkrijk Denemarken eens dat dit middel niet-ontvankelijk is.
59.
Viasat beweert individueel en rechtstreeks te zijn geraakt door de conclusies van het bestreden arrest inzake de tweede Altmark-voorwaarde.
60.
Zij geeft echter tegelijkertijd toe dat dit gedeelte van het bestreden arrest, op zichzelf genomen, niet van invloed is op het dictum ervan (punten 30 en 31 van haar hogere voorziening).
61.
Aangezien het dictum van het bestreden arrest Viasat in het gelijk stelt en geen enkel gegeven bevat inzake de tweede Altmark-voorwaarde, heeft Viasat immers niet het vereiste belang op grond waarvan het Hof de motivering van het bestreden arrest inzake deze tweede voorwaarde kan toetsen.
62.
De vaststelling volstaat dat een dergelijk middel, naast het feit dat het niet strekt tot de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht zoals vermeld in het dictum ervan en dus alleen op deze grond niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, enkel zin zou hebben indien het eerste middel van de hogere voorziening van TV2 A/S in de zaak C‑649/15 P, TV2/Danmark/Commissie, inzake de toepassing van de vierde Altmark-voorwaarde, werd aanvaard – hetgeen volgens mijn conclusie in die zaak van heden niet het geval is – zodat het in ieder geval als niet ter zake dienend moet worden beschouwd.
63.
Het betoog van Viasat dat dit middel ten gronde door het Hof kan worden onderzocht op grond dat zij rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de motivering van het bestreden arrest inzake de tweede Altmark-voorwaarde, ofschoon het Gerecht haar in het dictum van het bestreden arrest in het gelijk stelt, doet niet aan deze beoordeling af.
64.
Dit middel is dan ook niet-ontvankelijk en in ieder geval niet ter zake dienend.
65.
Subsidiair moet worden opgemerkt dat Viasat, in zaak C‑660/15 P, in haar hogere voorziening ook had beweerd dat de tweede Altmark-voorwaarde niet was geëerbiedigd.
66.
Ondertussen is die hogere voorziening door het Hof afgewezen in het arrest van 8 maart 2017, Viasat Broadcasting UK/Commissie (C‑660/15 P, EU:C:2017:178). Volgens het Hof „heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat artikel 106, lid 2, VWEU de Commissie niet de verplichting oplegt om rekening te houden met de tweede en de vierde Altmark-voorwaarde om uit te maken of een steunmaatregel van de staat krachtens die bepaling verenigbaar is met de interne markt”.
67.
Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen.
C. Gevolg van de vernietiging van het bestreden arrest
68.
Aangezien verzoekster in eerste aanleg met haar vierde middel in eerste aanleg, aangevoerd tot staving van de derde subsidiaire vordering, de Commissie verweet blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat zij de bedragen die afkomstig waren uit de reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 die via het TV2‑fonds aan verzoekster waren overgedragen had beschouwd als staatssteun, en gelet op mijn beoordeling bij het eerste middel van de hogere voorziening, is duidelijk dat het Hof aldus zelf uitspraak moet doen en de derde, subsidiair door verzoekster in eerste aanleg ingediende vordering, ten gronde moet afwijzen.
IV. Kosten
69.
Krachtens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van datzelfde Reglement van overeenkomstige toepassing is op de procedure in hogere voorziening, draagt elk van de partijen haar eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Daar Viasat op het eerste middel in het gelijk is gesteld maar op het tweede middel in het ongelijk is gesteld, denk ik dat TV2 A/S haar eigen kosten dient te dragen en 50 % van de kosten van Viasat, en partijen voor het overige hun eigen kosten dienen te dragen.
70.
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Het Koninkrijk Denemarken draagt als interveniënt voor het Gerecht zijn eigen kosten.
V. Conclusie
71.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
–
het arrest van het Gerecht van 24 september 2015, TV2/Danmark/Commissie (T‑674/11, EU:T:2015:684) vernietigen, voor zover daarbij besluit 2011/839/EU van de Commissie van 20 april 2011 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregelen (C 2/03) ten behoeve van TV2/Danmark nietig is verklaard louter omdat de Commissie daarin heeft geoordeeld dat de via het TV2‑fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden;
–
de derde, subsidiaire vordering van verzoekende partij in eerste aanleg ten gronde afwijzen;
–
de hogere voorziening afwijzen voor het overige; en
–
beslissen dat TV2 Danmark A/S 50 % van de kosten van Viasat Broadcasting UK Ltd draagt en, voor het overige, de andere partijen hun eigen kosten dragen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Arrest van 24 september 2015, TV2/Danmark/Commissie (T‑674/11: hierna: „bestreden arrest”, EU:T:2015:684).
( 3 ) Besluit van 20 april 2011 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel (C 2/03) ten behoeve van TV2/Danmark (PB 2011, L 340, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”).
( 4 ) Zie arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, Stardust Marine (C‑482/99, EU:C:2002:294 Frankrijk/Commissie, punt 52); 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a. (C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 17), alsmede beschikking van 22 oktober 2014, Elcogás (C‑275/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2314, punt 22).
( 5 ) Zie met name arresten van 16 mei 2002, Franrijk/Commissie Stardust Marine (C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 36); 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE (C‑677/11, EU:C:2013:348, punt 34), en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a. (C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 19).
( 6 ) Het Hof verwijst naar het arrest van 16 mei 2000, Frankrijk/Ladbroke Racing en Commissie (C‑83/98 P, EU:C:2000:248, punt 50). Zie ook voetnoot 15 van mijn conclusie in zaak C‑656/15 P van heden.
( 7 ) Dat blijkt uit artikel 31, lid 1, van de Bekendtgørelse af lov om radio- og fjernsynsvirksomhed (Deense gecodificeerde wet nr. 578 betreffende radio‑ en televisie-activiteiten van 24 juni 1994 (hierna: „wet van 1994”). Zie ook overwegingen 80, 89 en 90 van de eerdere beschikking.
( 8 ) Arresten van 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE (C‑677/11, EU:C:2013:348, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 januari 2013, Aiscat/Commissie (T‑182/10, EU:T:2013:9, punt 104).
( 9 ) Zie in dat opzicht mijn conclusie in zaak C‑656/15 P van heden (punten 46 e.v.).
( 10 ) Zie mijn conclusie in zaak C‑656/15 P van heden, punt 59.
( 11 ) Zie ook de overwegingen 81 en 84 van de eerdere beschikking.
( 12 ) Zie artikel 30 van de wet van 1994, aangehaald in voetnoot 28 van mijn conclusie in zaak C‑656/15 P van heden.
( 13 ) Net als Bacon, K., European Union Law of State Aid, Oxford University Press, 2017, die na zijn commentaar op het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), verder gaat met het standpunt dat „[a] rather different example of the analysis of payments from private parties was the advertising revenues paid to the Danish broadcaster TV2, which the [General] Court held were not State resources despite the fact that the Danish authorities could restrict the percentage of those revenues that was transferred to TV2” (cursivering van mij).
( 14 ) Arresten van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a. (C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 74); 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a. (C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 35), alsmede beschikking van 22 oktober 2014, Elcogás, C‑275/13, niet gepubliceerd (EU:C:2014:2314, punt 32).
( 15 ) Zie met name overweging 74. Zie tevens beschikking van 22 oktober 2014, Elcogás (C‑275/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2314, punt 32).
Full & Egal Universal Law Academy