CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
H. SAUGMANDSGAARD ØE
van 7 september 2017 ( 1 )
Zaak C‑687/15
Europese Commissie
tegen
Raad van de Europese Unie
„Beroep tot nietigverklaring – Extern optreden van de Europese Unie – Artikel 218, lid 9, VWEU – Bepaling van standpunten die namens de Unie zullen worden ingenomen in een krachtens een internationale overeenkomst opgericht lichaam – Externe bevoegdheid van de Europese Unie – Niet-passende rechtsvorm van de handeling waarbij de namens de Unie in te nemen standpunten worden bepaald – Conclusies van de Raad over de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 van de Internationale Telecommunicatie-unie”
I. Inleiding
1.
De Europese Commissie verzoekt het Hof om nietigverklaring van de op 26 oktober 2015 vastgestelde conclusies van de Raad van de Europese Unie over de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 (WRC‑15) van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU), aangezien de Raad in strijd zou hebben gehandeld met artikel 218, lid 9, VWEU door de krachtens dit artikel namens de Unie in te nemen standpunten in de vorm van conclusies vast te stellen, en niet in de vorm van een besluit, zoals door de Commissie was voorgesteld.
2.
In deze conclusie zal ik de redenen aangeven waarom het verzoek van de Commissie mijns inziens moet worden ingewilligd en de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 nietig moeten worden verklaard.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
3.
De Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, die verantwoordelijk is voor de informatie‑ en communicatietechnologie (ICT). In het kader van de ITU worden het radiospectrum en de satellietbanen wereldwijd toegewezen en worden de technische voorschriften uitgewerkt om de netwerken en technologieën onderling te kunnen verbinden. ( 2 )
4.
Krachtens haar Statuut bestaat de ITU uit lidstaten en sectorleden. Thans zijn 193 staten lid van de ITU, waaronder alle lidstaten van de Unie. De ITU telt ook ongeveer 800 sectorleden, hoofdzakelijk instellingen uit de private sector of universitaire instellingen. De Europese Unie is sectorlid van de ITU. Blijkens artikel 3, leden 2 en 3, van het ITU‑Statuut hebben sectorleden, anders dan de lidstaten, geen stemrecht bij de wereldconferenties van de ITU. ( 3 )
5.
Artikel 4 van het ITU‑Statuut met het opschrift „Akten van de Unie” bepaalt in de leden 1 en 3:
„1. De Akten van de Unie zijn:
–
dit Statuut van de Internationale Unie voor Telecommunicatie,
–
het Verdrag van de Internationale Unie voor Telecommunicatie, en
–
de Administratieve Reglementen.
[...]
3. De bepalingen van zowel dit Statuut als van het Verdrag worden verder aangevuld door die van de hierna genoemde Administratieve Reglementen, die het gebruik van de telecommunicatie reglementeren en bindend zijn voor alle lidstaten:
[...]
—
het Radioreglement.”
6.
Artikel 13 van het ITU‑Statuut met het opschrift „Radiocommunicatieconferenties en radiocommunicatie-assemblees” bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. Een mondiale radiocommunicatieconferentie kan het Radioreglement gedeeltelijk of, in uitzonderlijke gevallen, volledig herzien en kan elke aangelegenheid van mondiale aard behandelen die binnen haar bevoegdheid valt en betrekking heeft op haar agenda; de overige taken van de Conferentie zijn vermeld in het Verdrag.
2. Mondiale radiocommunicatieconferenties worden normaliter eens in de drie of vier jaar bijeengeroepen; overeenkomstig de toepassing van de desbetreffende bepalingen van het Verdrag hoeft een dergelijke Conferentie evenwel niet bijeen te worden geroepen of kan een extra Conferentie worden bijeengeroepen.”
B. Unierecht
7.
Artikel 10 van besluit nr. 243/2012/EU ( 4 ) met het opschrift „Internationale onderhandelingen” bepaalt in lid 1:
„Bij internationale onderhandelingen over spectrumaangelegenheden gelden de volgende beginselen:
a)
indien het onderwerp van de internationale onderhandelingen binnen de bevoegdheid van de Unie valt, wordt het standpunt van de Unie vastgesteld in overeenstemming met het [Unierecht];
b)
indien het onderwerp van de internationale onderhandelingen gedeeltelijk binnen de bevoegdheid van de Unie en gedeeltelijk binnen de bevoegdheid van de lidstaten valt, streven de Unie en de lidstaten naar een gemeenschappelijk standpunt overeenkomstig de vereisten van het beginsel van oprechte samenwerking.
Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea werken de Unie en de lidstaten samen overeenkomstig het beginsel van eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Unie en haar lidstaten.”
III. Voorgeschiedenis van het geding
8.
De Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 (hierna: „WRC‑15”) heeft plaatsgevonden in Genève van 2 tot 27 november 2015 met als doel het radioreglement te herzien. ( 5 )
9.
Een voorlopige agenda van de WRC‑15 was op de vorige Wereldradiocommunicatieconferentie, die van 2012 (hierna: „WRC‑12”), vastgesteld ( 6 ), waarna de Raad van de ITU de definitieve agenda van de WRC‑15 heeft bepaald. ( 7 )
10.
Op 29 mei 2015 heeft de Commissie bij de Raad een voorstel ingediend voor een besluit van de Raad betreffende het namens de Unie op de WRC‑15 in te nemen standpunt. ( 8 ) Het voorstel van de Commissie vermeldde als rechtsgrondslag artikel 114 VWEU juncto artikel 218, lid 9, VWEU.
11.
Artikel 1 van het voorstel van de Commissie luidt:
„De lidstaten die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie nemen deel aan de onderhandelingen over de herziening van het radioreglement die op de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 van de Internationale Unie voor Telecommunicatie worden gevoerd.
De tijdens de onderhandelingen en de goedkeuring van de herzieningen van het radioreglement namens de Unie in te nemen standpunten zijn vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.
Indien op de conferentie betreffende de in de bijlage genoemde zaken nieuwe voorstellen worden gedaan waarover nog geen standpunt van de Unie bestaat, wordt het standpunt van de Unie via coördinatie ter plaatse bepaald voordat de conferentie overgaat tot goedkeuring van herzieningen van het radioreglement. In dergelijke gevallen strookt het standpunt van de Unie met de beginselen in de bijlage bij dit besluit.”
12.
Tijdens zijn op 26 oktober 2015 in Luxemburg gehouden 3419e zitting heeft de Raad de hiernavolgende conclusies over de WRC‑15 (hierna: „bestreden handeling”) vastgesteld ( 9 ):
„DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
1.
HERINNEREND AAN HET VOLGENDE
a)
beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap;
b)
de bepalingen van de kaderrichtlijn inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten, met name artikel 8 bis, lid 4;
c)
besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid;
d)
de conclusies van de Raad over de Europese standpunten voor de Wereldradiocommunicatieconferenties van 1992, 1997, 2000, 2003, 2007 en 2012;
e)
het belang van draadloze technologieën die het spectrum gebruiken om de [beleidsdoelen van de Unie] te bereiken in het kader van het vlaggenschipinitiatief ‚Een digitale agenda voor Europa’ van de EU 2020-strategie, dat moet uitmonden in snel breedbandinternet en in duurzame economische en sociale voordelen van een eengemaakte digitale markt;
f)
de conclusies van de Raad van 31 mei 2010 over een digitale agenda voor Europa;
2.
WIJZEND OP
•
het advies van februari 2015 van de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG) over gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen voor de WRC‑15;
3.
SPREEKT ZIJN BREDE STEUN UIT VOOR de volgende doelstellingen die dienen te worden verwezenlijkt tijdens WRC‑15 met het oog op een succesvolle tenuitvoerlegging van het desbetreffende beleid van de Unie:
a)
Wat betreft agendapunt 1.1:
i.
de frequentieband 1452‑1492 MHz alsmede de aangrenzende frequentiebanden 1427‑1452 MHz en 1492‑1518 MHz aanwijzen voor internationale mobiele telecommunicatie (IMT), waarbij passieve diensten in het bereik onder de 1427 MHz worden beschermd. Met die aanwijzing worden die frequentiebanden niet uitgesloten van gebruik in toepassingen, waaronder defensie, in diensten waarvoor zij zijn toegewezen, en wordt evenmin prioriteit in de radioregelgeving vastgesteld;
ii.
de frequentieband 3400‑3800 MHz op co‑primaire basis toewijzen aan de mobiele diensten en aanwijzen voor IMT, daarbij rekening houdend met de belangrijke rol van deze frequentieband voor satellietcommunicatie;
iii.
steun verlenen aan het niet-wijzigen van de toewijzingen in de frequentieband 470‑694 MHz in Europa;
iv.
de frequentiebanden 5350‑5470 MHz en 5725‑5850 MHz niet op co‑primaire basis toewijzen aan mobiele diensten, en deze frequentiebanden en de frequentieband 5850‑5925 MHz evenmin aanwijzen voor IMT, waarbij verder onderzoek naar deze drie frequentiebanden dient te worden verricht met het oog op eventueel gebruik voor Radio Local Area Networks en waarbij wordt gewaarborgd dat het primaire gebruik ervan in elk geval wordt beschermd.
b)
Wat betreft agendapunt 1.2:
i.
de onderste rand van de frequentieband vastleggen op 694 MHz en steunen van de ITU‑R‑aanbevelingen voor beschermingsniveaus voor omroepdiensten in het bereik onder 694 MHz op basis van de resultaten van door de Europese Conferentie van post‑ en telecommunicatieadministraties (CEPT) verricht onderzoek;
ii.
evenwichtige co‑existentie waarborgen van draadloze breedband en omroepdiensten, en geen aanvullende beperkingen opleggen die verder gaan dan de GE‑06‑overeenkomst voor de bescherming van omroepdiensten op de frequentieband 694‑790 MHz;
iii.
evenwichtige toegang waarborgen tussen mobiele diensten en ARNS (luchtvaartradionavigatiediensten) aan de grenzen van de oostelijke lidstaten, teneinde het gebruik van mobiele diensten in alle [landen van de Unie] te faciliteren door middel van passende bepalingen in de radioregelgeving, en tegelijkertijd de kleinste doeltreffende scheidingsafstand tussen ARNS en IMT te begunstigen en de rechten van de oostelijke EU‑lidstaten op dit punt te steunen;
c)
Wat betreft agendapunt 1.18: de frequentieband 77,5‑78 GHz toewijzen aan radiolocatiediensten om het gebruik van die frequentieband voor radarapparatuur voor motorvoertuigen te faciliteren, waarbij geen buitensporige beperkingen mogen worden ingevoerd, en erkennen dat de bescherming van radioastronomiestations gehandhaafd moet blijven;
d)
Wat betreft agendapunt 10: een agendapunt voor de WRC‑19 ondersteunen waarin de behoefte aan spectrum voor mobiele 5G‑systemen aan de orde komt, waarbij het accent ten aanzien van het bereik boven de 6 GHz wordt gelegd op nieuwe toewijzingen en een gemeenschappelijke benadering met het oog op voorafgaand aan de WRC‑19 uit te voeren compatibiliteitsstudies;
4.
VERZOEKT DE LIDSTATEN OM:
•
de in lid 3 vervatte doelstellingen te verwezenlijken en de beginselen van besluit 243/2012/EU tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid in acht te nemen bij de onderhandelingen over desbetreffende wijzigingen in het ITU‑radioreglement tijdens de WRC‑15.
5.
VERZOEKT DE COMMISSIE:
•
spoedig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van de WRC‑15 en over de middelen die ervoor moeten zorgen dat bij de Europese voorbereiding van de volgende conferentie, die in 2019 plaatsvindt (WRC‑19), de beleidsmaatregelen en beginselen van de Unie ten volle worden ondersteund.”
13.
Bij de vaststelling van de bestreden handeling heeft de Commissie de volgende verklaring afgelegd, die is opgenomen in de notulen van de zitting van de Raad:
„De Commissie betreurt het dat de Raad conclusies heeft vastgesteld ter voorbereiding van de [WRC-2015], in plaats van overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, een besluit vast te stellen. Volgens de Commissie is deze handelwijze in strijd met het Verdrag en met de jurisprudentie van het Hof [...]. De Commissie behoudt zich wat dat betreft al haar rechten voor.”
IV. Conclusies van partijen
14.
De Commissie verzoekt het Hof:
–
de conclusies van de Raad over de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 (WRC‑15) van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU), zoals vastgesteld op 26 oktober 2015 tijdens de 3419e zitting in Luxemburg, nietig te verklaren;
–
de Raad in de kosten te verwijzen.
15.
De Raad verzoekt het Hof:
–
het beroep in zijn geheel te verwerpen;
–
de Commissie in de kosten te verwijzen.
16.
De Tsjechische Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
V. Beroep
A. Ontvankelijkheid van het beroep
17.
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de Raad in zijn verweerschrift de ontvankelijkheid van dit beroep tot nietigverklaring in twijfel heeft getrokken met als argument dat uit de stellingen in het verzoekschrift van de Commissie lijkt voort te vloeien dat de bestreden handeling volgens haar niet het oogmerk had rechtsgevolgen tot stand te brengen, welk standpunt volgens de Raad onverenigbaar zou zijn met het instellen van een beroep tot nietigverklaring tegen deze handeling krachtens artikel 263 VWEU.
18.
Na de toelichting die de Commissie in haar memorie van repliek in het bijzonder over de rechtsgevolgen van de bestreden handeling heeft gegeven, heeft de Raad in zijn memorie van dupliek evenwel aangegeven dat daarmee zijn aanvankelijk uitgesproken twijfel over de ontvankelijkheid van het beroep was weggenomen.
19.
De uitwisseling van standpunten tussen partijen over de ontvankelijkheid van dit beroep geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen.
20.
Krachtens artikel 263 VWEU gaat het Hof de rechtmatigheid na van handelingen van de instellingen „die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben”. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn voor beroep vatbare handelingen in de zin van deze bepaling alle door de instellingen vastgestelde handelingen, ongeacht de vorm, die tot doel hebben dwingende rechtsgevolgen tot stand te brengen. ( 10 )
21.
Het lijdt geen enkele twijfel dat een besluit van de Raad waarbij overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU de namens de Unie in te nemen standpunten worden vastgesteld, een handeling is die beoogt rechtsgevolgen tot stand te brengen in de zin van artikel 263 VWEU. ( 11 ) Tegen dat besluit kan dus op grond van dit laatste artikel een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld.
22.
In casu zijn partijen het er enerzijds over eens dat de bestreden handeling, weliswaar in de vorm van „conclusies”, door de Raad met name overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU ( 12 ) is vastgesteld, en anderzijds dat deze handeling rechtsgevolgen beoogt tot stand te brengen, voor zover zij er krachtens deze bepaling toe strekt de namens de Unie in het kader van de WRC‑15 in te nemen standpunten vast te stellen. Op dit punt merkt de Raad op dat de bestreden handeling „in wezen” een besluit van de Raad is. ( 13 ) Bovendien moet worden vastgesteld dat geen van de lidstaten die aan de zijde van de Raad hebben geïntervenieerd, de ontvankelijkheid van dit beroep aanvecht.
23.
Gelet hierop ben ik van mening dat de bestreden handeling beoogt rechtsgevolgen tot stand te brengen in de zin van artikel 263 VWEU en dat de juridische kwalificatie „conclusies” niet kan inhouden dat deze handeling aan de rechtmatigheidstoetsing die het Hof krachtens dit artikel verricht, wordt onttrokken. Ten overvloede vermeld ik hier nog bij dat het Hof in het verleden een beroep gericht tegen conclusies van de Raad die rechtsgevolgen beoogden tot stand te brengen, reeds ontvankelijk heeft geacht. ( 14 )
24.
Ik kom derhalve tot de slotsom dat het beroep tot nietigverklaring van de bestreden handeling ontvankelijk is en het Hof krachtens artikel 263 VWEU bevoegd is de rechtmatigheid van deze handeling te toetsen.
25.
Omwille van de duidelijkheid wil ik erop wijzen dat dit geenszins betekent dat handelingen van de Raad die in de vorm van „conclusies” zijn vastgesteld, in het algemeen vatbaar kunnen zijn voor een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU.
B. Ten gronde
1. Voorwerp van het beroep
26.
Ter ondersteuning van haar beroep voert de Commissie één middel aan, namelijk dat de Raad, door in plaats van een besluit, zoals was voorgesteld door de Commissie, de conclusies over de WRC‑15 van de ITU vast te stellen, in strijd heeft gehandeld met artikel 218, lid 9, VWEU.
27.
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de Commissie en de Raad het er enerzijds over eens zijn dat de agendapunten van de WRC‑15 ten aanzien waarvan in de bestreden handeling de namens de Unie in te nemen standpunten zijn bepaald, onder de externe bevoegdheid van de Unie vielen, en anderzijds dat voor het vaststellen van deze handeling artikel 114 VWEU de materiële rechtsgrondslag, en artikel 218, lid 9, VWEU de procedurele rechtsgrondslag was. Voorts menen zij dat de aard van de bevoegdheid van de Unie, namelijk of deze exclusief is of met de lidstaten wordt gedeeld, niet van invloed is op de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU. Zij verschillen echter van mening over de vraag of de Raad bij de vaststelling van de bestreden handeling wel de in die laatste bepaling neergelegde procedurele vereisten heeft nageleefd en, indien dat niet het geval is, welke gevolgen dat voor de geldigheid van die handeling zou hebben.
28.
Daarentegen betwisten bepaalde lidstaten die aan de zijde van de Raad geïntervenieerd hebben, de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU op het onderhavige geval, waarbij zij met name betogen dat de Unie niet over de vereiste externe bevoegdheid beschikt om de Raad overeenkomstig die bepaling de namens de Unie in te nemen standpunten over de in de bestreden handeling bedoelde agendapunten van de WRC‑15, te kunnen laten vaststellen.
29.
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat volgens artikel 40, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de conclusies van het verzoek tot voeging slechts kunnen strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen. Bovendien aanvaardt de interveniënt volgens artikel 129, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie het geding in de stand waarin het zich op het ogenblik van zijn interventie bevindt. In die context heeft het Hof vastgesteld dat een partij die krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegelaten tot interventie in een bij het Hof van Justitie aanhangig geding, het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de partijen ten principale, niet mag wijzigen. Derhalve zijn alleen de argumenten van een interveniënt die passen binnen het door die conclusies en die middelen afgebakende kader, ontvankelijk. ( 15 )
30.
Ik ben van mening dat de door de interveniërende lidstaten in dit beroep aangevoerde argumentatie over de niet-toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU en het ontbreken van de externe bevoegdheid van de Unie, het voorwerp van het geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de partijen ten principale, kan wijzigen. Deze conclusies en middelen betreffen immers uitsluitend de vraag of de in artikel 218, lid 9, VWEU neergelegde procedurele vereisten bij de vaststelling van de bestreden handeling zijn nageleefd.
31.
Derhalve moeten mijns inziens de door de interveniërende lidstaten aangevoerde argumenten over de niet-toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU en het ontbreken van de externe bevoegdheid van de Unie, in beginsel dus direct niet-ontvankelijk worden verklaard. ( 16 ) Op dit punt dient in aanmerking te worden genomen dat geen van de interveniërende lidstaten gebruik heeft gemaakt van de hun ter beschikking staande mogelijkheid om krachtens artikel 263, tweede alinea, VWEU tegen de bestreden handeling een beroep tot nietigverklaring in te stellen met als argument dat de Raad zijn bevoegdheden had overschreden.
32.
Volledigheidshalve en voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU en de externe bevoegdheid van de Unie in casu ambtshalve moeten worden onderzocht ( 17 ), zal ik hierna de redenen aangeven waarom ik van mening ben dat deze bepaling bij de vaststelling van de bestreden handeling toepassing vindt en dat de Unie over de vereiste externe bevoegdheid beschikt om die handeling door de Raad te kunnen laten vaststellen.
2. Toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU en bestaan van een externe bevoegdheid van de Unie
a) Eventuele noodzaak van een exclusieve externe bevoegdheid van de Unie
33.
Volgens artikel 218, lid 9, VWEU stelt de Raad, op voorstel van de Commissie of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, een besluit vast tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.
34.
Blijkens de rechtspraak van het Hof is artikel 218, lid 9, VWEU van toepassing op standpunten die namens de Unie worden ingenomen in het kader van de deelneming van de Unie – door haar instellingen of, in voorkomend geval, door tussenkomst van haar lidstaten die gezamenlijk in haar belang optreden – aan de vaststelling van handelingen met rechtsgevolgen binnen het betrokken internationale lichaam. ( 18 ) Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de omstandigheid dat de Unie geen partij is bij het betrokken internationale verdrag haar op zich niet belet om artikel 218, lid 9, VWEU toe te passen. ( 19 )
35.
Volgens het beginsel van bevoegdheidstoedeling, neergelegd in artikel 5, leden 1 en 2, VEU ( 20 ), veronderstelt het feit dat de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU de namens de Unie in te nemen standpunten vaststelt dat er sprake is van een externe bevoegdheid van de Unie. ( 21 ) Ik zie evenwel geen enkele reden om, zoals de Tsjechische Republiek en de Franse Republiek betogen, van mening te zijn dat deze externe bevoegdheid noodzakelijkerwijs exclusief in de zin van artikel 3, lid 2, VWEU moet zijn.
36.
In de eerste plaats bevat de formulering van artikel 218, lid 9, VWEU geen aanwijzing in die zin.
37.
Bovendien maakt artikel 216 VWEU waarin de externe bevoegdheid van de Unie wordt neergelegd, ook geen onderscheid naargelang de externe bevoegdheid van de Unie gedeeld wordt of exclusief is. Onder deze bepaling valt immers zowel de gedeelde externe als de exclusieve externe bevoegdheid van de Unie. ( 22 ) Bij gebreke van enige aanwijzing in tegengestelde zin moet hetzelfde worden geacht te gelden voor artikel 218 VWEU, gelet op het feit dat beide bepalingen zijn neergelegd in dezelfde titel V van het vijfde deel van het VWEU dat als opschrift heeft „Internationale overeenkomsten”.
38.
In de tweede plaats vindt de stelling dat de toepasselijkheid van dit artikel zou afhangen van een exclusieve externe bevoegdheid ook geen steun in een teleologische uitlegging van deze bepaling.
39.
Wat de context en de doelstelling van artikel 218, lid 9, VWEU betreft, heeft het Hof vastgesteld dat dit artikel in afwijking van de procedure die in artikel 218, leden 1 tot en met 8, VWEU wordt beschreven voor het onderhandelen over en het sluiten van een internationale overeenkomst door de Unie, voorziet in een vereenvoudigde procedure voor het bepalen van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in het kader van haar deelneming aan de vaststelling, binnen de bij de betrokken internationale overeenkomst opgerichte beslissende instantie, van handelingen die die overeenkomst toepassen of uitvoeren. ( 23 ) Met andere woorden, de in artikel 218, lid 9, VWEU voorziene procedure heeft als oogmerk om de Unie op een voortvarender en dus doeltreffender wijze bij de toepassing of uitvoering van een bestaande internationale overeenkomst te betrekken. Ik zie geen reden waarom deze vereenvoudigde procedure niet van toepassing zou moeten zijn wanneer een externe bevoegdheid wordt gedeeld. ( 24 )
40.
Bovendien kan, ongeacht de aard van de bevoegdheid van de Unie, het vaststellen van de namens de Unie in te nemen standpunten op grond van artikel 218, lid 9, VWEU, een bijdrage leveren aan de eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Unie en de lidstaten ( 25 ) en aan de naleving van het beginsel van de loyale samenwerking, zoals neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU, doordat hierdoor wordt belet dat de lidstaten eenzijdige maatregelen nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. ( 26 ) Dat geldt in het bijzonder wanneer de Unie, zoals in casu, niet de hoedanigheid heeft van volwaardig lid van de betrokken internationale organisatie, namelijk de ITU, en derhalve door tussenkomst van haar lidstaten binnen de instellingen van die organisatie moet optreden. ( 27 ) Ik wil er op dit punt aan herinneren dat een handeling waarin het standpunt van de Unie overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU wordt bepaald, bindend is voor de lidstaten en hen verplicht om dat standpunt te verdedigen. ( 28 )
41.
In de derde plaats zou de door de Tsjechische Republiek en de Franse Republiek verdedigde stelling het lastiger maken om de belangen van de Unie in het kader van de uitvoering van een internationale overeenkomst te beschermen, hetgeen moeilijk te verenigen is met de door de Verdragen nagestreefde doelstelling die, mijns inziens, gericht is op een hoge mate van betrokkenheid van de Unie op het internationale vlak. ( 29 )
42.
In de vierde plaats heeft het Hof weliswaar nog niet eerder de gelegenheid gehad zich expliciet over de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU uit te spreken ingeval een bevoegdheid tussen de Unie en de lidstaten wordt gedeeld, maar dat neemt niet weg dat het Hof dit, mijns inziens, wel impliciet heeft gedaan in het arrest Duitsland/Raad (C‑399/12). ( 30 ) Immers, in punt 66 van dat arrest heeft het Hof ermee ingestemd dat de Raad het bestreden besluit op grondslag van artikel 218, lid 9, VWEU had vastgesteld, terwijl het in punt 51 van het arrest had vastgesteld dat de zaak het gemeenschappelijk landbouwbeleid betrof. Ik herinner eraan dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid krachtens artikel 4, lid 2, onder d), VWEU onder de door de Unie met de lidstaten gedeelde bevoegdheid valt. ( 31 )
43.
Kortom, ik ben, net als de Commissie en de Raad ( 32 ), van mening dat de aard van de bevoegdheid van de Unie niet van invloed is op de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU.
b) Bestaan van een externe bevoegdheid van de Unie
44.
Krachtens artikel 216, lid 1, VWEU beschikt de Unie over een externe bevoegdheid, met name wanneer het sluiten van een overeenkomst gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen.
45.
Ik ben van mening dat er geen reden is om te veronderstellen dat de Unie in het onderhavige geval niet over de vereiste externe bevoegdheid beschikt om de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU de namens de Unie in te nemen standpunten zoals deze in de bestreden handeling zijn vermeld, te kunnen laten vaststellen.
46.
Op dit punt moet worden vastgesteld dat de standpunten die in de bestreden handeling zijn vastgesteld, het beheer van het radiospectrum en het gebruik van radiofrequenties betreffen, een gebied dat in hoge mate door de Uniewetgever uit hoofde van zijn op artikel 114 VWEU gebaseerde bevoegdheid is gereglementeerd. ( 33 ) Een aantal handelingen van de Unie op dit gebied verwijst expliciet naar de werkzaamheden van de ITU betreffende het beheer van het radiospectrum, en naar het radioreglement. ( 34 ) Voorts heeft de Commissie op grond van beschikking nr. 676/2002 (radiospectrumbeschikking) ( 35 ) verschillende technische maatregelen vastgesteld die de harmonisatie regelen van de voorwaarden over de beschikbaarheid en het efficiënte gebruik van het radiospectrum, waaronder een aantal betrekking heeft op de frequentiebanden zoals bedoeld in de bestreden handeling. ( 36 )
47.
Wat betreft de agendapunten van de WRC‑15 waarvoor de bestreden akte de namens de Unie in te nemen standpunten heeft vastgesteld, heeft de Commissie in haar voorstel voor een besluit van de Raad van 29 mei 2015 de redenen uiteengezet waarom zij van mening is dat elk van deze agendapunten rechtstreeks van invloed kan zijn op het Unierecht of de strekking daarvan kan wijzigen en zij derhalve onder de externe bevoegdheid van de Unie krachtens artikel 216, lid 1, VWEU vallen. ( 37 )
48.
De bij het Hof door de interveniërende lidstaten ingediende opmerkingen kunnen mijns inziens de beoordeling van de Commissie dat de Unie een externe bevoegdheid bezit om de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU de namens de Unie in te nemen standpunten zoals die in de bestreden handeling zijn verwoord, te kunnen laten vaststellen, niet in twijfel trekken.
49.
Om te beginnen kan, anders dan de Bondsrepubliek Duitsland lijkt te veronderstellen, een externe bevoegdheid van de Unie niet afhangen van het feit dat de Unie rechtshandelingen heeft vastgesteld die de in de bestreden handeling bedoelde frequentiebanden geheel dekken. Volgens de bewoordingen van artikel 216, lid 1, VWEU wordt hierin immers alleen vereist dat het sluiten van de betrokken overeenkomst „gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen”.
50.
Het Hof was met betrekking tot de identieke formulering neergelegd in artikel 3, lid 2, VWEU ( 38 ) van oordeel dat er een risico bestaat dat door de lidstaten aangegane internationale verbintenissen gemeenschappelijke regels van de Unie aantasten of de strekking ervan wijzigen, waardoor een exclusieve externe bevoegdheid van de Unie gerechtvaardigd kan zijn wanneer deze verbintenissen binnen de werkingssfeer van die regels vallen. Op dit punt heeft het Hof gepreciseerd dat voor de vaststelling dat er een dergelijk risico is, het door de internationale verbintenissen bestreken gebied en het door de Unieregeling bestreken gebied elkaar niet volledig hoeven te dekken en dat meer bepaald dergelijke internationale verbintenissen de regels van de Unie kunnen aantasten of de strekking ervan wijzigen wanneer die verbintenissen behoren tot een gebied dat reeds goeddeels wordt bestreken door dergelijke regels. ( 39 ) Ik ben van mening dat deze redenering ook volledig toepassing vindt, wanneer wordt beoordeeld of het sluiten van een internationale overeenkomst gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking ervan wijzigen in de zin van artikel 216, lid 1, VWEU. Zoals uit het bovenstaande blijkt, wordt het beheer van het radiospectrum en het gebruik van de radiofrequenties grotendeels bestreken door de gemeenschappelijke regels van de Unie. ( 40 )
51.
Wat in de tweede plaats betreft de argumenten van de Franse Republiek over het gebruik van het radiospectrum voor doeleinden van nationale defensie en openbare veiligheid, moet worden opgemerkt dat de handelingen van de Unie over het beheer en het gebruik van het radiospectrum weliswaar geen afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om hun radiospectrum in het belang van de openbare orde en veiligheid en voor defensiedoeleinden te organiseren en te gebruiken ( 41 ), maar dat de enkele omstandigheid dat het radiospectrum in zijn algemeenheid van invloed is op de werking van de nationale defensie en de openbare veiligheid niet maakt dat de externe bevoegdheid van de Unie wordt uitgesloten.
52.
Mijns inziens is in het kader van het onderhavige beroep niet aangetoond dat de herzieningen van het radioreglement die zijn overwogen in de in de bestreden handeling vermelde agendapunten van de WRC‑15, zodanige concrete invloed hebben op de nationale defensie of de openbare veiligheid van de lidstaten dat de bevoegdheid van de Unie daardoor wordt uitgesloten.
53.
Wat in de derde plaats betreft het door de Tsjechische Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek ingeroepen artikel 10 van besluit nr. 243/2012, zie ik in het onderhavige geval geen onverenigbaarheid tussen deze bepaling en de toepassing van artikel 218, lid 9, VWEU. Uit artikel 10, lid 1, onder a), van besluit nr. 243/2012 blijkt immers dat, indien bij internationale onderhandelingen over spectrumaangelegenheden het onderwerp van de internationale onderhandelingen binnen de bevoegdheid van de Unie valt, het standpunt van de Unie wordt vastgesteld in overeenstemming met het Unierecht. ( 42 ) Dat is nu precies de situatie in het onderhavige geval. Ik wil daarbij opmerken dat deze bepaling niets vermeldt over de aard van de bevoegdheid van de Unie.
54.
Anders dan de Tsjechische Republiek en de Franse Republiek stellen, ben ik van mening dat artikel 10, lid 1, onder b), van besluit nr. 243/2012 niet van toepassing is op de vaststelling van de bestreden handeling. Deze bepaling betreft volgens haar bewoordingen immers de situatie waarin het onderwerp van de internationale onderhandelingen „gedeeltelijk binnen de bevoegdheid van de Unie en gedeeltelijk binnen de bevoegdheid van de lidstaten valt”. Mijns inziens weerspiegelt deze formulering rechtstreeks de rechtspraak van het Hof over situaties waarin het onderwerp van de internationale onderhandelingen deels tot de bevoegdheid van de Unie en deels tot die van de lidstaten behoort, een situatie waarnaar ook overweging 34 van besluit nr. 243/2012 verwijst. ( 43 ) Mijns inziens betreft artikel 10, lid 1, onder b), dus niet het geval dat een bevoegdheid wordt gedeeld, maar veeleer de situatie waarin de Unie voor bepaalde aspecten van een internationale overeenkomst geen bevoegdheid heeft. Dat is in casu echter niet het geval.
55.
Kortom, ik ben van mening dat de Unie in het onderhavige geval over de vereiste externe bevoegdheid beschikte.
56.
Geen van de partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, betwist dat in casu aan de andere toepassingsvoorwaarden van artikel 218, lid 9, VWEU is voldaan, namelijk in de eerste plaats dat de WRC‑15 kan worden beschouwd als een „krachtens een overeenkomst opgericht lichaam” ( 44 ), in de tweede plaats dat de in de agenda van de WRC‑15 overwogen herzieningen kunnen worden aangemerkt als „handelingen met rechtsgevolgen” ( 45 ) en in de derde plaats dat deze herzieningen geen „handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst” zijn. Ook ik meen dat alle toepassingsvoorwaarden van artikel 218, lid 9, VWEU zijn vervuld.
57.
Bijgevolg was de Raad volgens mij bevoegd om overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU de namens de Unie in te nemen standpunten, zoals die in de bestreden handeling worden vermeld, vast te stellen. ( 46 )
58.
Bijgevolg moet worden vastgesteld of de Raad de procedurele vereisten van deze bepaling bij de vaststelling van de bestreden handeling heeft nageleefd.
3. Enige middel
59.
Met haar enige middel betoogt de Commissie dat de Raad door de bestreden handeling in de vorm van conclusies vast te stellen, en niet in de vorm van een besluit, zoals de Commissie had voorgesteld, in strijd heeft gehandeld met artikel 218, lid 9, VWEU.
60.
De Raad voert aan dat hij bij de vaststelling van de bestreden handeling wel degelijk deze bepaling heeft nageleefd en stelt dat het feit dat de standpunten van de Unie over de WRC‑15 in de vorm van conclusies zijn vastgesteld, geen schending is van wezenlijke vormvoorschriften die de nietigverklaring van die conclusie kunnen meebrengen. Volgens hem had de Commissie overigens niet aangetoond dat deze standpunten duidelijk anders hadden kunnen zijn, indien zij in de vorm van een besluit waren vastgesteld.
61.
Om de hierna uiteengezette redenen ben ik van mening dat het verzoek van de Commissie moet worden ingewilligd en de bestreden handeling wegens schending van artikel 218, lid 9, VWEU nietig moet worden verklaard.
62.
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat volgens de bewoordingen van artikel 218, lid 9, VWEU de namens de Unie in de zin van deze bepaling in te nemen standpunten door de Raad worden vastgesteld in de vorm van een „besluit”. Door de bestreden handeling in de vorm van conclusies vast te stellen heeft de Raad dus een andere rechtsvorm gebruikt dan die waarin het Verdrag voorziet.
63.
Net als de Commissie ben ik van mening dat deze omstandigheid niet slechts als een formaliteit kan worden beschouwd. Zoals ik hierna uiteen zal zetten, is de keuze van de rechtsvorm van een handeling van de Unie namelijk enerzijds bepalend voor de aard en de rechtsgevolgen van de handeling ( 47 ), en anderzijds voor de bij de vaststelling van die handeling te volgen procedure. ( 48 )
64.
In de tweede plaats acht ik de omstandigheid dat de aanpak die de Raad in casu heeft gevolgd bij de vaststelling van de namens de Unie in te nemen standpunten met betrekking tot de WRC‑15, overeen zou komen met de bij de vorige wereldradiocommunicatieconferenties gevolgde aanpak ( 49 ), niet relevant voor de analyse in het kader van dit beroep. Zoals het Hof heeft vastgesteld, kan immers een gewone praktijk van de Raad niet van de in het Verdrag vervatte voorschriften afwijken en kan deze derhalve ook geen precedent creëren dat de Unie-instellingen bindt. ( 50 ) Voorts moet worden vastgesteld dat de eerdere door de Raad ingeroepen praktijk in de meeste gevallen betrekking heeft op de periode vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, waarbij artikel 218, lid 9, VWEU in zijn huidige versie is ingevoerd. ( 51 )
65.
Wat in de derde plaats betreft het door de Raad ingeroepen arrest IBM/Commissie ( 52 ), moet worden opgemerkt dat het Hof weliswaar stellig in dit arrest heeft vastgesteld dat de vorm waarin de handelingen of besluiten zijn gegoten in principe van geen belang is voor de vraag of de nietigverklaring in rechte kan worden gevorderd, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de vorm van een handeling van de Unie niet van belang is voor de rechtmatigheid van de betrokken handeling.
66.
Op dit punt meen ik dat het feit dat een instelling van de Unie afwijkt van de in de Verdragen voorziene rechtsvorm een schending van wezenlijke voorvoorschriften kan zijn, die eventueel de nietigverklaring van de handeling meebrengt, met name wanneer deze afwijking twijfels kan scheppen over de aard van die handeling of de bij de vaststelling ervan te volgens procedure. In dat geval komt de rechtszekerheid immers in gevaar en wordt het Hof gehinderd om zijn juridische toetsing van de rechtmatigheid van de betrokken handeling ten volle uit te oefenen. ( 53 )
67.
Mijns inziens is er in het onderhavige geval inderdaad sprake van dergelijke twijfels. In het bijzonder ben ik om de hierna uiteengezette redenen van mening dat de keuze van de Raad om de handeling in de vorm van conclusies vast te stellen, en niet in de vorm van een besluit, grote twijfels heeft gecreëerd wat betreft de aard van de betrokken handeling enerzijds, en de bij de vaststelling van die handeling te volgen procedure anderzijds.
a) Twijfels omtrent de aard van de bestreden handeling
68.
Artikel 288 VWEU maakt een onderscheid tussen verschillende soorten rechtshandelingen van de Unie, waarbij aan iedere rechtshandeling haar eigen kenmerken wat betreft de strekking, de toepasbaarheid en de rechtsgevolgen hiervan worden toegekend. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat de aard van een handeling van de Unie duidelijk kan worden vastgesteld.
69.
Uit de door de interveniërende lidstaten ingediende opmerkingen blijkt mijns inziens echter dat er grote onzekerheid bestaat over de aard van de bestreden handeling.
70.
De Raad betoogt dat de bestreden handeling „in wezen” een besluit van de Raad is waarbij de overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU namens de Unie in te nemen standpunten worden vastgesteld, maar deze stelling wordt door de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland bestreden. Volgens de eerste twee lidstaten is deze handeling namelijk een overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van besluit nr. 243/2012 vastgesteld gemeenschappelijk standpunt van de Unie en de lidstaten, terwijl de Bondsrepubliek Duitsland meent dat het om conclusies van de Raad gaat. Voorts betoogt de Raad dat de bestreden handeling een bindend karakter heeft, terwijl de Tsjechische Republiek van mening is dat uitsluitend bepaalde delen van die handeling, die aspecten bestrijken die volgens deze interveniërende partij onder de bevoegdheid van de Unie vallen, juridisch bindend zijn. De Bondsrepubliek Duitsland beschouwt de bestreden handeling als niet bindende conclusies. ( 54 )
71.
Vastgesteld moet derhalve worden dat de Raad en de interveniërende lidstaten diepgaand van mening verschillen zowel over de vraag of de bestreden handeling een handeling van de Unie dan wel een door de Unie en de lidstaten gezamenlijk vastgestelde „hybride” handeling is, als over de bindende werking van die handeling.
72.
Hoewel voor mij buiten kijf staat dat de bestreden handeling, zoals uit de titel zelf ervan blijkt, een handeling van een instelling van de Unie, namelijk de Raad, is en bedoeld is om rechtsgevolgen tot stand te brengen ( 55 ), blijven er mijns inziens twijfels bestaan over de precieze aard ervan. Deze twijfels zijn des te groter aangezien de Raad bij de vaststelling van de bestreden handeling is afgeweken van de door de Commissie voorgestelde rechtsvorm ( 56 ), namelijk de rechtsvorm die uitdrukkelijk in artikel 218, lid 9, VWEU is bepaald. ( 57 ) Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat, hoewel het bindende karakter van een besluit van de Raad rechtstreeks voortvloeit uit artikel 288 VWEU ( 58 ), de Verdragen zwijgen over de aan de conclusies van de Raad te verbinden gevolgen. Zoals de Commissie aangeeft, heeft de Raad door de bestreden handeling in de vorm van conclusies vast te stellen, namelijk een rechtsvorm gekozen die niet is voorzien in de Verdragen en in het algemeen aan niet-bindende handelingen is voorbehouden. ( 59 )
73.
De met betrekking tot de aard van de bestreden handeling vastgestelde twijfels kunnen mijns inziens niet worden weggenomen door de inhoud van deze handeling te onderzoeken.
74.
In de eerste plaats vermelden, zoals de Commissie benadrukt, de door de Raad op 26 oktober 2015 vastgestelde conclusies, anders dan het voorstel van de Commissie van 29 mei 2015 dat naar artikel 218, lid 9, VWEU verwees ( 60 ), niet op welke materiële of procedurele rechtsgrondslag deze conclusies berusten. ( 61 )
75.
Volgens de rechtspraak van het Hof maakt de verplichting om de rechtsgrondslag van een handeling te vermelden deel uit van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht waarmee enerzijds wordt verzekerd dat het Hof zijn rechterlijk toezicht kan uitoefenen en anderzijds dat de lidstaten en de belanghebbenden de voorwaarden kennen waaronder de instellingen van de Unie het Verdrag hebben toegepast. ( 62 )
76.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat ingevolge het rechtszekerheidsbeginsel elke handeling die rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen, haar verbindendheid dient te ontlenen aan een Unierechtelijke bepaling die in deze handeling expliciet als rechtsgrondslag moet worden vermeld en die de rechtsvorm bepaalt waarin de handeling dient te worden verricht. ( 63 ) Hoewel het ontbreken van een verwijzing naar een bepaalde verdragsbepaling nog geen wezenlijk gebrek hoeft te zijn, mits de rechtsgrondslag van een handeling aan de hand van andere gegevens kan worden bepaald, is een dergelijke uitdrukkelijke verwijzing echter volstrekt noodzakelijk wanneer de betrokkenen en het Hof bij gebreke daarvan in onzekerheid worden gelaten omtrent de juiste rechtsgrondslag. ( 64 )
77.
Deze zaak valt mijns inziens juist onder die laatste situatie. De opmerkingen van de interveniërende lidstaten laten immers duidelijk zien dat de betrokkenen in onzekerheid worden gelaten omtrent de juiste rechtsgrondslag van de bestreden handeling en dus omtrent de aard van die handeling.
78.
In de tweede plaats wordt de onzekerheid omtrent de aard van die handeling mijns inziens versterkt door de woordkeus in de bestreden handeling. Hoewel uit de titel en artikel 1 van het voorstel van de Commissie van 29 mei 2015 duidelijk blijkt dat het daarbij om de namens de Europese Unie op de WRC‑15 in te nemen standpunten gaat ( 65 ), beperken, zoals de Commissie stelt, de door de Raad op 26 oktober 2015 vastgestelde conclusies zich immers ertoe om „zijn brede steun uit [te spreken] voor” de in deze conclusies omschreven doelstellingen en om „de lidstaten [te verzoeken] [deze] doelstellingen te verwezenlijken en de beginselen van [besluit nr. 243/2012] in acht te nemen bij de onderhandelingen over desbetreffende wijzigingen in de ITU‑radioreglementen tijdens de WRC‑15”. ( 66 )
79.
Ik ben van mening dat in aanmerking nemend dat de Raad bij de vaststelling van de bestreden handeling heeft gekozen voor een andere rechtsvorm dan die waarin artikel 218, lid 9, VWEU voorziet en het feit dat deze bepaling niet als rechtsgrondslag voor die handeling wordt vermeld, de „afgezwakte” formulering in de bestreden handeling, met name in vergelijking met de formulering in het door de Commissie ingediende voorstel, de twijfels over de aard van deze handeling en dus over de omvang van de krachtens het Unierecht op de lidstaten rustende verplichting om de in de bestreden handeling vastgestelde standpunten te verdedigen, kan versterken. ( 67 )
b) Twijfels omtrent de bij de vaststelling van de bestreden handeling te volgen procedure
80.
De keuze van de Raad om de bestreden handeling in de vorm van conclusies en niet in de vorm van een besluit vast te stellen heeft ook twijfels doen rijzen omtrent de bij de vaststelling van die handeling te volgen procedure.
81.
Overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU worden de besluiten tot bepaling van de namens de Unie in te nemen standpunten vastgesteld door de Raad op voorstel van de Commissie of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de Raad die besluiten krachtens artikel 16, lid 3, VEU met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vaststelt. ( 68 )
82.
Daarentegen vermelden de Verdragen niets over de procedure die moet worden gevolgd bij de vaststelling van conclusies van de Raad, aangezien dit een rechtsvorm is waarin de Verdragen niet hebben voorzien. ( 69 )
83.
In deze zaak betoogt de Raad echter dat, ook al is de bestreden handeling in de vorm van conclusies vastgesteld, de procedure waarin artikel 218, lid 9, VWEU voorziet, wel degelijk bij de vaststelling van die handeling van toepassing is en daadwerkelijk is gevolgd.
84.
Mijns inziens faalt dit argument.
85.
In dit verband hebben de Verdragen immers een stelsel van verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende instellingen van de Unie ingevoerd, waarbij aan elke instelling binnen de institutionele structuur van de Unie ter verwezenlijking van de aan de Unie opgedragen doelstellingen haar eigen taak wordt toebedeeld. Zo bepaalt artikel 13, lid 2, VEU dat elke instelling van de Unie handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld en volgens de daarin bepaalde procedures, voorwaarden en doelstellingen. In deze bepaling komt het beginsel van het institutionele evenwicht tot uitdrukking, dat kenmerkend is voor de institutionele structuur van de Unie en dat gebiedt dat elke instelling bij de uitoefening van haar bevoegdheden die van de andere instellingen eerbiedigt. ( 70 )
86.
In die context was het Hof van oordeel, en wel verschillende keren, dat de regels voor de wilsvorming van de instellingen van de Unie zijn vastgelegd in de Verdragen en niet ter beschikking staan van de lidstaten noch van de instellingen zelf. ( 71 ) Mijns inziens geldt deze redenering ook voor de bepalingen van het Verdrag waarin wordt voorgeschreven welke rechtsvorm een handeling van de Unie moet hebben. ( 72 )
87.
Bijgevolg zijn de lidstaten niet vrij om bepaalde aspecten van de in de Verdragen bepaalde procedures die hun aanstaan uit te kiezen en andere aspecten te negeren. Deze zaak laat goed zien waarom die „à la carte”‑aanpak onhoudbaar is. Het feit dat de Raad van de in artikel 218, lid 9, VWEU bepaalde rechtsvorm is afgeweken, wekt immers twijfels op omtrent de bij de vaststelling van de bestreden handeling te volgen procedure, met name aangaande de rol van de Commissie en de wijze waarop binnen de Raad moet worden gestemd.
88.
Wat in de eerste plaats de rol van Commissie betreft, rijst om te beginnen de vraag of de bestreden handeling daadwerkelijk kan worden geacht „op voorstel van de Commissie” te zijn vastgesteld, zoals artikel 218, lid 9, VWEU bepaalt, aangezien deze handeling een andere rechtsvorm heeft dan de rechtsvorm in het door de Commissie ingediende voorstel. ( 73 ) Was voorts de Commissie verplicht om een voorstel voor de conclusies van de Raad in te dienen of moest dat voorstel veeleer uitgewerkt en ingediend worden door het voorzitterschap van de Raad, zoals dat in het algemeen de praktijk is bij de conclusies van de Raad? Had ten slotte de Commissie het recht om overeenkomstig artikel 293, lid 2, VWEU haar voorstel te wijzigen of in te trekken, wanneer de Raad de rechtsvorm van de handeling had gewijzigd?
89.
Zoals deze vragen laten zien, heeft de aanpak van de Raad afbreuk gedaan aan de rol van de Commissie bij de vaststelling van de bestreden handeling en derhalve het door de Verdragen ingevoerde institutionele evenwicht in gevaar gebracht.
90.
Wat in de tweede plaats betreft de wijze waarop binnen de Raad moet worden gestemd, erkent de Raad enerzijds dat de bestreden handeling „in beginsel” met gekwalificeerde meerderheid wordt vastgesteld. Anderzijds heeft de Raad, zoals de Commissie stelt, inderdaad gekozen voor een rechtsvorm die in het algemeen is voorbehouden aan handelingen die door de Raad met „consensus” worden vastgesteld. Voorts merkt de Raad op dat de tussen de lidstaten bestaande sterke eensgezindheid over de door de Unie na te streven doeleinden op de WRC‑15 het mogelijk heeft gemaakt om tot een eenstemmige overeenkomst te komen nadat de voorbehouden van een aantal lidstaten binnen het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) waren weggenomen. Ten slotte vermeldt de Raad nog daarbij dat uit artikel 293, lid 1, VWEU voortvloeit dat de Raad met eenparigheid van stemmen moest beslissen, omdat de Commissie tijdens de discussie die tot de vaststelling van de bestreden handeling heeft geleid, haar voorstel niet heeft gewijzigd om met de wijzigingen waarover de Raad het bijna eens was geworden, rekening te houden. ( 74 )
91.
De argumenten van de Raad kunnen niet worden aanvaard.
92.
De Verdragen verzetten zich stellig er niet tegen dat een handeling die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden vastgesteld, in voorkomend geval met de steun van alle lidstaten wordt vastgesteld. ( 75 ) Daarbij ben ik mij wel degelijk bewust van de noodzaak voor het voorzitterschap van de Raad om in de geest van een goede samenwerking, bij de onderhandelingen in het kader van een stemprocedure met gekwalificeerde meerderheid, de wensen van de afgevaardigden van de lidstaten die krachtens de Verdragen niet het recht hebben de vaststelling van de betrokken handeling te blokkeren, zo veel mogelijk in aanmerking te nemen en te honoreren.
93.
Toch blijft het de Raad niet toegestaan om door een handeling als „conclusies” aan te merken bij de lidstaten twijfels te scheppen omtrent de mogelijkheid om de vaststelling van die handeling te blokkeren. Die aanpak zou namelijk ten gevolge kunnen hebben dat de stemprocedure met gekwalificeerde meerderheid wordt omzeild of opzij wordt gezet en de doeltreffendheid van de stemprocedure binnen de Raad dus in gevaar wordt gebracht. ( 76 ) Mijns inziens is die kans met name aanwezig, wanneer, zoals in casu, de Raad afwijkt van de uitdrukkelijk in de Verdragen bepaalde rechtsvorm doordat hij een handeling in de vorm van conclusies, en niet in de vorm van een besluit, vaststelt.
94.
In die context wil ik benadrukken dat de keuze tussen de stemprocedure met gekwalificeerde meerderheid en die met eenparigheid van stemmen of bij consensus van groot belang is, aangezien daaruit gevolgen kunnen voortvloeien voor de inhoud van de betrokken handeling. ( 77 ) Zoals advocaat-generaal Sharpston terecht heeft opgemerkt „[is] [e]en besluit waar eenieder zich in kan vinden of waar niemand tegen is, […] niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als een besluit waar een gekwalificeerde meerderheid achter staat. Zo kan het zijn dat de inhoud van een besluit dat op een gekwalificeerde meerderheid kan rekenen, moet worden afgezwakt om zonder tegenstand met eenparigheid van stemmen te kunnen worden goedgekeurd.” ( 78 )
95.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat de Raad in de omstandigheden van het onderhavige geval, door van de in de Verdragen bepaalde rechtsvorm af te wijken, twijfels heeft geschapen over de aard van de bestreden handeling en over de bij de vaststelling van die handeling te volgen procedure. Deze afwijking levert dan ook schending van artikel 218, lid 9, VWEU op, welke schending tot nietigverklaring van de handeling kan leiden.
96.
Ik kom derhalve tot de slotsom dat het enige door de Commissie aangevoerde middel gegrond is en dat de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 nietig moeten worden verklaard.
VI. Kosten
97.
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Indien het Hof mijn voorstel volgt, wordt de Raad in het ongelijk gesteld en moet deze partij derhalve in de kosten worden verwezen, omdat de Commissie zulks heeft gevorderd. Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie zullen de interveniërende lidstaten hun eigen kosten dragen.
VII. Conclusie
98.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
–
de op 26 oktober 2015 vastgestelde conclusies van de Raad van de Europese Unie over de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 (WRC‑15) van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) nietig te verklaren;
–
de Raad in de kosten te verwijzen, en
–
vast te stellen dat de Tsjechische Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hun eigen kosten zullen dragen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Zie voor het doel van de ITU, artikel 1 van haar Statuut, aangenomen door de extra gevolmachtigde conferentie Genève (Zwitserland) in 1992, zoals gewijzigd door de gevolmachtigde conferenties Kyoto (Japan) in 1994, Minneapolis (Verenigde Staten) in 1998, Marrakesh (Marokko) in 2002, Antalya (Turkije) in 2006 en Guadalajara (Mexico) in 2010 (hierna: „ITU‑Statuut”).
( 3 ) Volgens de Commissie staat ingevolge artikel 3, lid 2, van het ITU‑Statuut het sector-lidmaatschap, anders dan het volledige lidmaatschap, de Europese Unie niet toe standpunten in te dienen op de conferenties en vergaderingen van de ITU, ook niet op de conferenties waar over bindende rechtshandelingen wordt onderhandeld.
( 4 ) Besluit van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PB 2012, L 81, blz. 7).
( 5 ) Zie voor het radioreglement punt 5 van deze conclusie.
( 6 ) Zie resolutie 807 (WRC‑12), vastgesteld door de WRC‑12 te Genève in 2012, die als opschrift heeft „Agenda van de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015”.
( 7 ) Zie resolutie 1343 (C12) van de Raad van de ITU, die als opschrift heeft „Plaats, data en agenda van de Wereldradiocommunicatieconferentie (WRC‑15)”.
( 8 ) Voorstel voor een besluit van de Raad van 29 mei 2015 betreffende het namens de Europese Unie op de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 (WRC‑15) van de Internationale Unie voor Telecommunicatie (ITU) in te nemen standpunt [COM(2015) 234 final].
( 9 ) Conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 over de Wereldradiocommunicatieconferentie 2015 (WRC‑15) van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) (ST 13460 2015 INIT) [2015/0119 (NLE)] (hier aangehaald zonder voetnoten).
( 10 ) Zie arrest van 19 november 2013, Commissie/Raad (C‑63/12, EU:C:2013:752, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, EU:C:1981:264, punt 9), waaruit blijkt dat de vorm waarin de handelingen of besluiten zijn gegoten, in principe van geen belang is voor de vraag of nietigverklaring ervan in rechte kan worden gevorderd.
( 11 ) Zie in die zin arrest van 1 oktober 2009, Commissie/Raad (C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 44), waaruit blijkt dat een dergelijk besluit dwingende rechtsgevolgen heeft doordat hierin het standpunt van de Unie in het kader van het betrokken lichaam wordt bepaald, dat enerzijds bindend is voor de Raad en de Commissie en anderzijds voor de lidstaten, aangezien dat besluit hen verplicht om dat standpunt te verdedigen.
( 12 ) Volgens partijen is artikel 114 VWEU de materiële rechtsgrondslag en artikel 218, lid 9, VWEU de procedurele rechtsgrondslag van de bestreden handeling. Zie punt 27 van deze conclusie.
( 13 ) Zie punt 70 van deze conclusie.
( 14 ) Arrest van 13 juli 2004, Commissie/Raad (C‑27/04, EU:C:2004:436, punten 44‑51).
( 15 ) Arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:2258, punt 27).
( 16 ) Zie in die zin arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:2258, punten 25‑28).
( 17 ) Zie op dit punt arrest van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie (C‑210/98 P, EU:C:2000:397, punten 55‑57), ingeroepen door de Bondsrepubliek Duitsland, over de verplichting van de Unierechter om ambtshalve het niet in acht nemen van de aanmeldingstermijn van de steun te onderzoeken voor zover de bevoegdheid van de Commissie om de betrokken steunmaatregel goed te keuren, in geding is. Zie voorts conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak British Airways/Commissie (C‑122/16 P, EU:C:2017:406, punt 100en voetnoot 54).
( 18 ) Zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Raad/Commissie (C‑73/14, EU:C:2015:663, punt 63).
( 19 ) Zie in die zin arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:2258, punt 55).
( 20 ) De naleving van het beginsel van bevoegdheidstoedeling geldt zowel voor het interne als voor het internationale optreden van de Unie. Zie advies 2/94 [Toetreding van de Gemeenschap tot het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden)] van 28 maart 1996 (EU:C:1996:140, punt 24).
( 21 ) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Duitsland/Raad (C‑600/14, EU:C:2017:296, punt 60).
( 22 ) Zie over het onderscheid tussen enerzijds het bestaan van een externe bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 216, lid 1, VWEU, en anderzijds de eventuele exclusieve aard van die bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 3, lid 2, VWEU, conclusie van advocaat-generaal Sharpston in advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore, EU:C:2016:992, punt 64) en conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Duitsland/Raad (C‑600/14, EU:C:2017:296, punt 80). Zie ook, weliswaar op minder expliciete wijze, advies 2/15 van 16 mei 2017 (EU:C:2017:376, punten 171 en 172); advies 1/13 (Toetreding van derde landen tot het Haags Verdrag) van 14 oktober 2014 (EU:C:2014:2303, punten 67‑74), en advies 2/91 (verdrag nr. 170 van de IAO) van 19 maart 1993 (EU:C:1993:106, punt 7).
( 23 ) Arrest van 6 oktober 2015, Raad/Commissie (73/14, EU:C:2015:663, punten 64 en 65). Zie tevens Rosas, A., „Recent Case Law of the European Court of Justice Relating to Article 218 TFEU”, The EU as a Global Actor Bridging Legal Theory and Practice – Liber Amicorum in Honour of Ricardo Gosalbo Bono, Czuczai, J., en Naert, F. (red.), Brill/Nijhoff, 2017, blz. 370 en 371. Zie over de ontstaansgeschiedenis van artikel 218, lid 9, VWEU, conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:289, punten 39‑52) en conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Raad/Commissie (C‑73/14, EU:C:2015:490, punten 69‑74).
( 24 ) Volgens artikel 2, lid 2, VWEU kunnen de Unie en de lidstaten in de gevallen waarin bij de Verdragen op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, wetgevend optreden en juridisch bindende handelingen vaststellen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Zie in die zin ook arrest van 14 juli 1976, Kramer e.a. (3/76, 4/76 en 6/76, EU:C:1976:114, punten 39 en 40).
( 25 ) Zie over het vereiste van eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Unie en de lidstaten, wanneer het onderwerp van een internationale overeenkomst deels tot de bevoegdheid van de Unie en deels tot die van de lidstaten behoort, advies 2/00 (Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid) van 6 december 2001 (EU:C:2001:664, punt 18en aldaar aangehaalde rechtspraak) en arrest van 20 april 2010, Commissie/Zweden (C‑246/07, EU:C:2010:203, punt 73). Zie meer in het algemeen conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Commissie/Raad (C‑28/12, EU:C:2015:43, punten 58‑63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 26 ) Zie op dit punt de derde alinea van artikel 4, lid 3, VEU, op grond waarvan de lidstaten de vervulling van de taak van de Unie vergemakkelijken en zich onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. Zie bovendien arrest van 20 april 2010, Commissie/Zweden (C‑246/07, EU:C:2010:203, punt 71en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarin het Hof heeft gepreciseerd dat de verplichting tot loyale samenwerking algemene gelding heeft, ongeacht het al dan niet exclusieve karakter van de betrokken bevoegdheid van de Unie en het eventuele recht van de lidstaten om verplichtingen ten aanzien van derde landen aan te gaan.
( 27 ) Zie punt 4 van deze conclusie. Zie voorts arrest van 12 februari 2009, Commissie/Griekenland (C‑45/07, EU:C:2009:81, punt 31), waaruit blijkt dat het feit dat de Unie niet de hoedanigheid van lid van een internationale organisatie heeft, er niet aan in de weg staat dat de externe bevoegdheid van de Unie daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, onder meer door tussenkomst van de lidstaten, in de vorm van een gezamenlijk optreden in het belang van de Unie.
( 28 ) Zie in die zin arrest van 1 oktober 2009, Commissie/Raad (C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 44), en voetnoot 11 van deze conclusie.
( 29 ) Zie met name artikel 3, lid 5, VEU en artikel 21 VEU. Zie ook artikel 220 VWEU.
( 30 ) Arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:2258).
( 31 ) De Raad had in die zaak aangevoerd dat de Unie krachtens artikel 3, lid 2, VWEU beschikte over een exclusieve externe bevoegdheid op de gebieden bestreken door het bestreden besluit, terwijl de Bondsrepubliek Duitsland en de interveniërende lidstaten van mening waren dat de bevoegdheid van de Unie een gedeeld karakter had. Zie arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:2258, punten 34 en 43).
( 32 ) Zie punt 27 van deze conclusie.
( 33 ) Zie met name de artikelen 8 bis tot en met 9 ter van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd door richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 37) (hierna: „richtlijn 2002/21”); de artikelen 5 tot en met 8 en 10 tot en met 14 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140; beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (radiospectrumbeschikking) (PB 2002, L 108, blz. 1), en besluit nr. 243/2012. Zie voorts richtlijn 91/287/EEG van de Raad van 3 juni 1991 betreffende de toewijzing van de frequentieband voor de gecoördineerde invoering van digitale Europese draadloze telecommunicatie (DECT) in de Gemeenschap (PB 1991, L 144, blz. 45) en richtlijn 87/372/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden (PB 1987, L 196, blz. 85), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB 2009, L 274, blz. 25).
( 34 ) Zie met name artikel 9, lid 1, tweede alinea, en lid 4, alsmede overweging 30 van richtlijn 2002/21; artikel 1, lid 3, en de overwegingen 18 en 19 van beschikking nr. 676/2002; overweging 22 van besluit nr. 243/2001, en de zevende overweging van richtlijn 87/372. Zie voorts artikel 8 van richtlijn 2002/20, die meer in het algemeen verwijst naar „internationale overeenkomsten”. Zie over het radioreglement punt 5 van deze conclusie.
( 35 ) Zie voetnoot 33 van deze conclusie.
( 36 ) Zie met name beschikking 2004/545/EG van de Commissie van 8 juli 2004 inzake de harmonisatie van het radiospectrum in de 79 GHz-band voor gebruik door kortbereikradarapparatuur voor motorvoertuigen in de Gemeenschap (PB 2004, L 241, blz. 66), waarin het frequentiebereik tussen 77 en 81 GHz wordt geharmoniseerd; beschikking 2005/513/EG van de Commissie van 11 juli 2005 betreffende het geharmoniseerde gebruik van het radiospectrum in de 5 GHz-frequentieband voor de implementatie van draadloze toegangssystemen met inbegrip van Radio Local Area Networks (WAS/R‑LAN’s) (PB 2005, L 187, blz. 22), zoals gewijzigd bij beschikking 2007/90/EG van de Commissie van 12 februari 2007 (PB 2007, L 41, blz. 10), waarin de frequentiebanden 5150‑5350 MHz en 5470‑5725 MHz worden geharmoniseerd; beschikking 2008/411/EG van de Commissie van 21 mei 2008 betreffende de harmonisering van de 3400‑3800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (PB 2008, L 144, blz. 77), zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2014/276/EU van de Commissie van 2 mei 2014 (PB 2014, L 139, blz. 18); beschikking 2008/671/EG van de Commissie van 5 augustus 2008 betreffende het geharmoniseerde gebruik van het radiospectrum in de 5875‑5905 MHz-frequentieband voor veiligheidsgerelateerde toepassingen van intelligente vervoerssystemen (ITS) (PB 2008, L 220, blz. 24), en uitvoeringsbesluit (EU) 2015/750 van de Commissie van 8 mei 2015 betreffende de harmonisering van de frequentieband 1452‑1492 MHz voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Unie (PB 2015, L 119, blz. 27). Zie over de frequentiebanden die onder de bestreden handeling vallen, punt 12 van deze conclusie.
( 37 ) Zie punt 3 van de toelichting bij het (reeds aangehaalde) voorstel van de Commissie van 29 mei 2015. In dit voorstel heeft de Commissie voorts verwezen naar het advies dat door de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG) is uitgebracht op 19 februari 2015, „RSPG Opinion on Common Policy Objectives for WRC‑15” (RSPG15‑593 final).
( 38 ) Artikel 3, lid 2, VWEU bepaalt dat de Unie exclusief bevoegd is een internationale overeenkomst te sluiten, met name wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen.
( 39 ) Zie advies 3/15 (Verdrag van Marrakesh betreffende de toegang tot gepubliceerde werken) van 14 februari 2017 (EU:C:2017:114, punten 105‑107) en in die zin, advies 2/15 van 16 mei 2017 (EU:C:2017:376, punten 180 en 181). Zie in deze context overweging 10 van besluit nr. 243/2012, welke overweging als volgt luidt: „Het spectrumbeheer is weliswaar nog steeds grotendeels een nationale bevoegdheid, maar dient in overeenstemming te zijn met het bestaande Unierecht en ruimte te bieden voor maatregelen in het kader van het beleid van de Unie.” Zie voorts overweging 28 van richtlijn 2009/140. Deze overweging luidt: „Hoewel het spectrumbeheer onder de bevoegdheid van de lidstaten blijft vallen, kan strategische planning en coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op communautair niveau helpen ervoor te zorgen dat spectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de Europese Unie wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd. […]”
( 40 ) Zie punt 46 van deze conclusie.
( 41 ) Zie artikel 1, lid 4, van beschikking nr. 676/2002 en artikel 1, lid 3, tweede alinea, van besluit nr. 243/2012. Zie in die zin ook overweging 7 van richtlijn 2002/21. Zie in die context voorts artikel 4, lid 2, VEU, op grond waarvan de Unie de essentiële staatsfuncties eerbiedigt, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid, waarbij deze nationale veiligheid uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat blijft, en artikel 346, lid 1, onder a), VWEU, volgens hetwelk geen enkele lidstaat gehouden is inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.
( 42 ) Zie punt 7 van deze conclusie.
( 43 ) Zie met name advies 2/91 (verdrag nr. 170 van de IAO) van 19 maart 1993 (EU:C:1993:106, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak) en arrest van 28 april 2015, Commissie/Raad (C‑28/12, EU:C:2015:282, punt 54).
( 44 ) Zie over de wereldradiocommunicatieconferentie, artikel 13, leden 1 en 2, van het ITU‑Statuut, weergegeven in punt 6 van deze conclusie, en artikel 7 van het ITU‑Statuut, aangenomen door de extra gevolmachtigde conferentie Genève (Zwitserland) in 1992, zoals gewijzigd door de gevolmachtigde conferenties Kyoto (Japan) in 1994, Minneapolis (Verenigde Staten) in 1998, Marrakesh (Marokko) in 2002, Antalya (Turkije) in 2006 en Guadalajara (Mexico) in 2010.
( 45 ) Zie over de formulering „handelingen met rechtsgevolgen” in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU, arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (C‑399/12, EU:C:2014:2258, punt 56e.v.). Zie over het bindend karakter van het radioreglement en de herzieningen daarvan, artikel 4, lid 3, van het ITU‑Statuut, weergegeven in punt 5 van deze conclusie, en artikel 54 van het ITU‑Statuut. Zie voorts over de in de handelingen van de Unie gemaakte verwijzing naar de ITU en het radioreglement, punt 46 en voetnoot 34 van deze conclusie.
( 46 ) Ik acht het niet nodig dat het Hof zich in het kader van dit beroep uitspreekt over de vraag of de Raad daarenboven verplicht was artikel 218, lid 9, VWEU in te roepen. Deze vraag wordt namelijk in casu niet gesteld, aangezien de Raad stelt de bestreden handeling inderdaad op grondslag van deze bepaling te hebben vastgesteld.
( 47 ) Zie de punten 68 en 72 van deze conclusie.
( 48 ) Zie de punten 81 en 82 van deze conclusie.
( 49 ) Zie met name de conclusies van de Raad over de mededeling van de Commissie betreffende de standpunten voor de Wereldradioconferentie 2000 (WRC‑2000) (Doc. 7788/00); de conclusies van de Raad over de mededeling van de Commissie getiteld „De ITU‑Wereldradioconferentie 2007 (WRC‑07)” (Doc. 11991/07), en de conclusies van de Raad over de Wereldradioconferentie 2012 (WRC‑12) van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) (Doc. 10301/11).
( 50 ) Zie in analoge zin aangaande het vermelden van de rechtsgrondslag van een handeling van de Unie, arrest van 1 oktober 2009, Commissie/Raad (C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 54en aangehaalde rechtspraak), en met betrekking tot de keuze van de juiste rechtsgrondslag advies 1/08 [Akkoorden voor de wijziging van de lijsten van specifieke verbintenissen krachtens de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) wijzigen] van 30 november 2009 (EU:C:2009:739, punt 172en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 6 mei 2008, Parlement/Raad (C‑133/06, EU:C:2008:257, punt 60).
( 51 ) Zie voor de ontstaansgeschiedenis van artikel 218, lid 9, VWEU, voetnoot 23 van deze conclusie.
( 52 ) Arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, EU:C:1981:264, punt 9). Zie voetnoot 10 van deze conclusie.
( 53 ) Zie dienaangaande, punten 75 en 76 van deze conclusie.
( 54 ) Het Verenigd Koninkrijk heeft zich niet uitgesproken over de aard en de rechtsgevolgen van de bestreden handeling.
( 55 ) Zie de punten 17-23 van deze conclusie.
( 56 ) Zie de punten 10 en 12 van deze conclusie. Zie aangaande de door de Raad bij de vorige wereldradiocommunicatieconferenties gevolgde praktijk, punt 64 van deze conclusie.
( 57 ) Zie punt 62 van deze conclusie.
( 58 ) Krachtens artikel 288 VWEU is een besluit verbindend in al zijn onderdelen.
( 59 ) „Conclusies” worden in de Verdragen inderdaad alleen voorzien voor bepaalde handelingen van de Europese Raad. Zie artikel 148 VWEU.
( 60 ) Zie punt 10 van deze conclusie.
( 61 ) Zie punt 12 van deze conclusie.
( 62 ) Zie in die zin arrest van 1 oktober 2009, Commissie/Raad (C‑370/07, EU:C:2009:590, punten 37 en 38).
( 63 ) Zie arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a. (C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 64 ) Zie arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a. (C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 48en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 65 ) Zie de punten 10 en 11 van deze conclusie.
( 66 ) Zie punt 12 van deze conclusie.
( 67 ) Zie dienaangaande punt 40 van deze conclusie.
( 68 ) Zie in die zin arrest van 18 december 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (C‑81/13, EU:C:2014:2449, punt 66), en op meer expliciete wijze, conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Verenigd Koninkrijk/Raad (C‑81/13, EU:C:2014:2114, punt 98).
( 69 ) Zie punt 72 en voetnoot 59 van deze conclusie.
( 70 ) Zie arrest van 28 juli 2016, Raad/Commissie (C‑660/13, EU:C:2016:616, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 71 ) Zie arresten van 6 september 2017, Slowakije en Hongarije/Raad (C‑643/15 en C‑647/15, ECLI EU:C:2017:631, punt 149), en arrest van 28 april 2015, Commissie/Raad (C‑28/12, EU:C:2015:282, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie in die zin ook arrest van 13 juli 2004, Commissie/Raad (C‑27/04, EU:C:2004:436, punt 81).
( 72 ) Krachtens artikel 296, eerste alinea, VWEU maken de instellingen, wanneer de Verdragen niet bepalen welk soort van handeling moet worden vastgesteld, zelf per afzonderlijk geval een keuze, met inachtneming van de toepasselijke procedures en van het evenredigheidsbeginsel.
( 73 ) Zie de punten 10 en 12 van deze conclusie.
( 74 ) Krachtens artikel 293, lid 1, VWEU kan de Raad, behalve in een aantal gevallen die worden vermeld, wanneer hij uit hoofde van de Verdragen op voorstel van de Commissie besluit, dat voorstel slechts met eenparigheid van stemmen wijzigen.
( 75 ) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Commissie/Raad (C‑114/12, EU:C:2014:224, punt 189).
( 76 ) Zie in die zin arrest van 6 september 2017, Slowakije en Hongarije/Raad (C‑643/15 en C‑647/15, ECLI EU:C:2017:631, punt 148), waarin het Hof heeft geoordeeld dat het beginsel van het institutionele evenwicht verbiedt dat de Europese Raad een in de Verdragen opgenomen stemprocedure met gekwalificeerde meerderheid wijzigt door de Raad middels op grond van artikel 68 VWEU vastgestelde conclusies voor te schrijven dat hij met eenparigheid besluit.
( 77 ) Zie in analoge zin aangaande de keuze van de rechtsgrondslag, arresten van 26 maart 1987, Commissie/Raad (45/86, EU:C:1987:163, punt 12), en 23 februari 1988, Verenigd Koninkrijk/Raad (68/86, EU:C:1988:85, punt 6).
( 78 ) Conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Commissie/Raad (C‑114/12, EU:C:2014:224, punt 189). Zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Commissie/Raad (C‑28/12, EU:C:2015:43, punt 81).
Full & Egal Universal Law Academy