ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
21 september 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededingingsregelingen – Italiaanse producenten van betonstaal – Vaststelling van de prijzen en beperking en beheersing van de productie en afzet – Inbreuk op artikel 65 KS – Nietigverklaring van de oorspronkelijke beschikking door het Gerecht van de Europese Unie – Beschikking opnieuw vastgesteld op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 – Geen toezending van een nieuwe mededeling van punten van bezwaar – Geen hoorzitting na de nietigverklaring van de oorspronkelijke beschikking – Opgelopen vertraging gedurende de procedure voor het Gerecht”
In de gevoegde zaken C‑86/15 P en C‑87/15 P,
betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 februari 2015,
Ferriera Valsabbia SpA, gevestigd te Odolo (Italië) (C‑86/15 P),
Valsabbia Investimenti SpA, gevestigd te Odolo (Italië) (C‑86/15 P),
Alfa Acciai SpA, gevestigd te Brescia (Italië) (C‑87/15 P),
vertegenwoordigd door D. M. Fosselard, avocat, D. Slater, solicitor, en A. Duron, avocate,
rekwirantes,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Malferrari en P. Rossi als gemachtigden, bijgestaan door P. Manzini, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: E. Juhász, kamerpresident, C. Vajda (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2016,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 december 2016,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorzieningen verzoeken Ferriera Valsabbia SpA en Valsabbia Investimenti SpA (hierna tezamen: „Valsabbia”) in zaak C‑86/15 P en Alfa Acciai SpA (hierna: „Alfa”) in zaak C‑87/15 P (deze partijen hierna tezamen: „rekwirantes”) om vernietiging van respectievelijk de arresten van het Gerecht van de Europese Unie van 9 december 2014, Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti/Commissie (T‑92/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1032), en van 9 december 2014, Alfa Acciai/Commissie (T‑85/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1037) (hierna gezamenlijk: „bestreden arresten”), houdende verwerping van hun beroepen tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 7492 definitief van de Commissie van 30 september 2009 inzake een inbreuk op artikel 65 KS (Zaak COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking; hierna: „beschikking van 30 september 2009”) in de versie gewijzigd bij besluit C(2009) 9912 definitief van de Commissie van 8 december 2009 (hierna: „wijzigingsbesluit”) (beschikking van 30 september 2009 zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit; hierna: „litigieuze beschikking”).
Voorgeschiedenis van de gedingen en litigieuze beschikking
2
De voorgeschiedenis van de gedingen is in de punten 20 tot en met 25 van de bestreden arresten uiteengezet:
„20
Van oktober tot december 2000 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 47 KS verificaties verricht bij Italiaanse betonstaalproducenten en bij een vereniging van Italiaanse ijzer- en staalondernemingen. De Commissie heeft hen tevens krachtens artikel 47 KS inlichtingenverzoeken gezonden […].
21
Op 26 maart 2002 heeft de Commissie de administratieve procedure geopend en op grond van artikel 36 KS bezwaren geformuleerd (hierna: ‚mededeling van punten van bezwaar’) […]. [Rekwirantes hebben] schriftelijke opmerkingen ingediend over deze mededeling van punten van bezwaar. Op 13 juni 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden […].
22
Op 12 augustus 2002 heeft de Commissie aanvullende punten van bezwaar aan de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar gericht (hierna: ‚mededeling van aanvullende punten van bezwaar’). In de mededeling van aanvullende punten van bezwaar, die was gebaseerd op artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 en 82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), heeft de Commissie haar standpunt over de voortzetting van de procedure na het expireren van het EGKS-Verdrag uiteengezet. Aan de betrokken ondernemingen werd een termijn voor indiening van hun opmerkingen verleend en op 30 september 2002 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden, waarbij vertegenwoordigers van de lidstaten aanwezig waren […].
23
Na afloop van de procedure heeft de Commissie beschikking C(2002) 5087 definitief van 17 december 2002 inzake een procedure op grond van artikel 65 KS (Zaak nr. C.37.956 – Betonstaal; hierna: ‚beschikking van 2002’) vastgesteld. Zij heeft daarbij geconstateerd dat de ondernemingen aan wie deze beschikking was gericht, één enkele complexe en voortdurende mededingingsregeling op de Italiaanse markt van betonstaal in staven of rollen ten uitvoer hadden gelegd en dat deze regeling ertoe strekte of ten gevolge had de prijzen te bepalen en ook aanleiding had gegeven tot een met artikel 65, lid 1, KS strijdige beperking of beheersing van de productie of de afzet […]. In deze beschikking heeft de Commissie [Valsabbia, hoofdelijk, en Alfa geldboeten van respectievelijk 10,25 miljoen EUR en 7,175 miljoen EUR opgelegd].
24
Op 5 maart 2003 [hebben rekwirantes] bij het Gerecht beroepen ingesteld tegen de beschikking van 2002. Bij arrest van 25 oktober 2007, SP e.a./Commissie (T‑27/03, T‑46/03, T‑58/03, T‑79/03, T‑80/03, T‑97/03 en T‑98/03, [EU:T:2007:317]), heeft het Gerecht de beschikking van 2002 nietig verklaard. Met name aangezien de beschikking van 2002 geen verwijzing naar artikel 3 en artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bevatte, heeft het Gerecht opgemerkt dat deze beschikking uitsluitend was gebaseerd op artikel 65, leden 4 en 5, KS […]. Omdat deze bepalingen op 23 juli 2002 waren geëxpireerd, kon de Commissie aan deze, op het tijdstip van de vaststelling van de beschikking van 2002 geëxpireerde bepalingen geen bevoegdheid meer ontlenen om een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en de ondernemingen die aan deze inbreuk hadden deelgenomen, geldboeten op te leggen […].
25
Bij brief van 30 juni 2008 heeft de Commissie [rekwirantes] en de andere betrokken ondernemingen laten weten dat zij van plan was een nieuwe beschikking vast te stellen op basis van een andere rechtsgrondslag dan die welke zij voor de beschikking van 2002 had gekozen. Verder heeft zij verklaard dat zij de nieuwe beschikking, gelet op de beperkte draagwijdte van het arrest [van 25 oktober 2007,] SP e.a./Commissie [(T‑27/03, T‑46/03, T‑58/03, T‑79/03, T‑80/03, T‑97/03 en T‑98/03, EU:T:2007:317),] zou baseren op het in de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar aangedragen bewijsmateriaal. Aan de betrokken ondernemingen werd een termijn voor indiening van hun opmerkingen verleend […]. [Rekwirantes hebben] schriftelijke opmerkingen ingediend.”
3
In haar beschikking van 30 september 2009 heeft de Commissie in het bijzonder overwogen dat verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), aldus moet worden uitgelegd dat zij op grond daarvan ook na 23 juli 2002 mededingingsregelingen in de sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen, mocht vaststellen en bestraffen. Zij heeft erop gewezen dat deze beschikking was vastgesteld overeenkomstig de procedureregels van het EG-Verdrag en genoemde verordening en dat materiële bepalingen die niet meer van kracht waren op het moment waarop een handeling werd vastgesteld, konden worden toegepast op grond van de beginselen die de opeenvolging van regels in de tijd beheersen onder voorbehoud van toepassing van het algemene lex-mitiorbeginsel.
4
Artikel 1 van de genoemde beschikking bepaalt in het bijzonder dat rekwirantes inbreuk hebben gemaakt op artikel 65, lid 1, KS door wat Valsabbia betreft van 6 december 1989 tot 27 juni 2000 en wat Alfa betreft van 6 december 1989 tot 4 juli 2000 deel te nemen aan een voortdurende overeenkomst en/of aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende betonstaal in staven of rollen die ertoe strekten en/of tot gevolg hebben gehad de prijzen te bepalen en de productie of de afzet op de gemeenschappelijke markt te beperken en/of beheersen. Bij artikel 2 van dezelfde beschikking heeft de Commissie Valsabbia en Alfa geldboeten opgelegd van respectievelijk 10,25 miljoen EUR en 7,175 miljoen EUR.
5
Acht van de elf vennootschappen aan wie de beschikking van 30 september 2009 was gericht, waaronder rekwirantes, hebben de Commissie tussen 20 en 23 november 2009 brieven toegezonden waarin zij erop wezen dat in de bijlage bij deze beschikking zoals deze aan de adressaten ervan ter kennis was gebracht, de tabellen met de prijsschommelingen ontbraken.
6
Op 8 december 2009 heeft de Commissie het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij de ontbrekende tabellen in de bijlage werden opgenomen en de genummerde verwijzingen naar die tabellen in acht voetnoten werden gecorrigeerd. Op 9 december 2009 is van het wijzigingsbesluit kennis gegeven aan rekwirantes.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arresten
7
Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 17 en 18 februari 2010, hebben rekwirantes beroepen ingesteld, primair strekkende tot nietigverklaring van de op hen betrekking hebbende delen van de litigieuze beschikking.
8
Ter ondersteuning van hun beroepen hebben rekwirantes formeel vier middelen aangevoerd, ontleend aan in de eerste plaats overschrijding van bevoegdheden door de Commissie; in de tweede plaats schending van de artikelen 14 en 33 van verordening nr. 1/2003, van de artikelen 10 en 14 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] van het Verdrag (PB 2004, L 123, blz. 18), en van de verdedigingsrechten; in de derde plaats schending van artikel 65, lid 1, KS en een onjuiste uitlegging van het begrip één enkele voortdurende inbreuk, en in de vierde plaats onrechtmatigheden bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete (vaststelling van het basisbedrag en niet-inaanmerkingneming van verzachtende omstandigheden) en een buitensporig lange duur van de procedure. In een inleidend gedeelte dat betrekking heeft op „bijzonderheden betreffende de inhoud van de [litigieuze] beschikking” hebben rekwirantes tevens een mogelijke schending van het collegialiteitsbeginsel aangevoerd.
9
Het Gerecht heeft de beroepen van rekwirantes in de bestreden arresten verworpen.
Conclusies van partijen voor het Hof
10
Met hun hogere voorzieningen verzoeken rekwirantes het Hof:
–
de bestreden arresten te vernietigen;
–
de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover deze op rekwirantes betrekking heeft;
–
subsidiair, het bedrag van de in de litigieuze beschikking aan rekwirantes opgelegde geldboete te verlagen;
–
de beslissing over de kosten aan te houden en de zaken terug te verwijzen naar het Gerecht om de zaken af te doen met inachtneming van de aanwijzingen die het Hof zal verstrekken, en
–
de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
11
De Commissie verzoekt het Hof:
–
de hogere voorzieningen af te wijzen, en
–
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
12
Bij beschikking van de president van het Hof van Justitie van 7 juni 2016 zijn de zaken C‑86/15 P en C‑87/15 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
13
De mondelinge behandeling is op 8 december 2016 gesloten nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen. Bij brief van 27 januari 2017, neergelegd ter griffie van het Hof op dezelfde dag, heeft de Commissie het Hof verzocht om te gelasten dat de mondelinge behandeling opnieuw zou worden geopend en dat de feitelijke gegevens die zij in haar verzoek had uiteengezet alsmede de documenten in de bijlage daarvan aan het dossier zouden worden toegevoegd.
14
Ter ondersteuning van dit verzoek heeft de Commissie in wezen gesteld dat het Hof niet voldoende was geïnformeerd over de feitelijke omstandigheden waarin de hoorzittingen van 13 juni en 30 september 2002 hadden plaatsgevonden, aangezien deze omstandigheden niet specifiek voorwerp van debat tussen de partijen waren geweest, terwijl de advocaat-generaal zijn conclusies op deze omstandigheden heeft gebaseerd.
15
Artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof biedt het Hof de mogelijkheid om, de advocaat-generaal gehoord, in elke stand van het geding de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten, onder meer wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een juridisch argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
16
Evenwel dient eraan te worden herinnerd dat het voorwerp van een hogere voorziening in beginsel wordt bepaald door de middelen en argumenten die de partijen hebben opgeworpen. In de onderhavige zaak hebben de partijen voldoende gelegenheid gehad om in hun memories en tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting van 20 oktober 2016 in de zaken C‑85/15 P tot en met C‑89/15 P over deze middelen en argumenten te debatteren.
17
Dientengevolge heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, geoordeeld dat het niet nodig was om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Hogere voorzieningen
18
Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen hebben rekwirantes zeven middelen aangevoerd, ontleend aan in de eerste plaats schending van artikel 10 van verordening nr. 773/2004 en van de verdedigingsrechten omdat geen nieuwe mededeling van punten van bezwaar is toegezonden; in de tweede plaats schending van artikel 14 van verordening nr. 773/2004 en van de verdedigingsrechten omdat bij de hoorzittingen geen vertegenwoordigers van de lidstaten aanwezig waren; in de derde plaats schending van het collegialiteitsbeginsel omdat een onvolledige beschikking is vastgesteld; in de vierde plaats schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), uitgelegd in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, inzake het recht op een proces binnen een redelijke termijn; in de vijfde plaats schending van artikel 65 KS, een onjuiste uitlegging van het begrip voortdurende mededingingsregeling en een motiveringsgebrek alsmede een tegenstrijdige motivering; in de zesde plaats een schending van artikel 47 van het Handvest aangezien het Gerecht heeft geweigerd het bedrag van de geldboete wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure te verlagen en een motiveringsgebrek alsmede een tegenstrijdige motivering, en in de zevende plaats schending van de artikelen 23 en 31 van verordening nr. 1/2003, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en van artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3), van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en een motiveringsgebrek.
Eerste en tweede middel
Argumenten van partijen
19
Met hun eerste en tweede middel, die tezamen dienen te worden onderzocht, beroepen rekwirantes zich op schending van de artikelen 10 en 14 van verordening nr. 773/2004 en van de verdedigingsrechten, aangezien het Gerecht in de bestreden arresten heeft geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was om hen een nieuwe mededeling van punten van bezwaar te zenden en een hoorzitting te houden waarbij de mededingingsautoriteiten van de lidstaten aanwezig waren, alvorens de litigieuze beschikking vast te stellen. Volgens rekwirantes was de Commissie, nadat zij in haar brief van 30 juni 2008 haar voornemen had aangekondigd om deze beschikking overeenkomstig de procedureregels voorzien in verordeningen nr. 1/2003 en 773/2004 vast te stellen, gehouden deze regels na te leven.
20
De Commissie stelt omtrent de afwezigheid van een nieuwe mededeling van punten van bezwaar dat de litigieuze beschikking, inclusief de aan rekwirantes opgelegde sanctie, volledig voldeed aan de rechtsopvattingen die zijn weergegeven in de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar waarover rekwirantes zich hebben kunnen uitspreken. Het Gerecht heeft in punt 128 van de bestreden arresten dan ook terecht benadrukt dat de Commissie de betrokken ondernemingen in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar al had ingelicht over de gevolgen die zij, in het bijzonder wat betreft de keuze van de rechtsgrondslag, aan de expiratie van het EGKS-Verdrag wenste te verbinden en dat rekwirantes in de gelegenheid zijn gesteld hier opmerkingen over te maken. Volgens de Commissie volstaan deze overwegingen reeds voor de verwerping van de argumenten dat het Gerecht de Commissie had moeten veroordelen omdat zij de litigieuze beschikking heeft vastgesteld zonder de ondernemingen een nieuwe mededeling van punten van bezwaar te zenden.
21
Hieromtrent benadrukt de Commissie dat zij wegens de nietigverklaring van de beschikking van 2002 in de litigieuze beschikking heeft verwezen naar artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, dat het in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar genoemde en gelijkluidende artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft vervangen. Het Gerecht heeft in de punten 133 en 134 van de bestreden arresten dus terecht geoordeeld dat indien de Commissie er na de nietigverklaring van een beschikking met het oog op het herstel van de geconstateerde onrechtmatigheden voor kiest een identieke beschikking vast te stellen waarbij geen sprake meer is van die onrechtmatigheden, de in die beschikking aangevoerde bezwaren dan dezelfde blijven als die waarover de ondernemingen zich al hebben uitgesproken, zodat de Commissie niet verplicht is om de betrokken ondernemingen de mogelijkheid te geven om te worden gehoord over de keuze van de rechtsgrondslag op grond waarvan hen de in de litigieuze beschikking bepaalde geldboeten zijn opgelegd.
22
Het Gerecht heeft erkend dat in de brief van 30 juni 2008 een bescherming van rekwirantes verdedigingsrechten is geboden die verder ging dan de eisen die in verordening nr. 773/2004 worden gesteld. Het Gerecht heeft daar dus slechts volledigheidshalve in punt 129 van de bestreden arresten aan toegevoegd dat rekwirantes in de genoemde brief in ieder geval de mogelijkheid is geboden opmerkingen te maken.
23
Volgens de Commissie is het tweede middel niet-ontvankelijk voor zover het ertoe strekt te bepalen of de vertegenwoordigers van de lidstaten wel of niet waren uitgenodigd voor de hoorzittingen die overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 773/2004 zijn gehouden, aangezien dit middel is ontleend aan een feitelijke constatering.
24
Ten gronde stelt de Commissie dat het Gerecht in de punten 147 en 148 van de bestreden arresten terecht heeft bevestigd dat zij de geldende procedurele bepalingen volledig heeft nageleefd, aangezien de door haar verrichte handelingen in overeenstemming waren met de regels inzake de toepassing van de procedurevoorschriften in de tijd. De afwezigheid van vertegenwoordigers van de lidstaten tijdens de hoorzitting van 13 juni 2002 over de mededeling van punten van bezwaar, vindt immers haar verklaring in het feit dat deze deelname van de lidstaten in het EGKS-Verdrag niet was voorzien. Evenzo was de aanwezigheid van dergelijke vertegenwoordigers tijdens de hoorzitting van 30 september 2002, die werd gehouden na de toezending van de mededeling van aanvullende punten van bezwaar, in overeenstemming met de procedurevoorschriften van het toen toepasselijk geworden EG-Verdrag.
25
De Commissie betoogt verder nog dat zij, anders dan rekwirantes beweren, in haar brief van 30 juni 2008 niet heeft verklaard de verordeningen nr. 1/2003 en nr. 773/2004 tevens te willen toepassen op de vóór de expiratie van het EGKS-Verdrag gevolgde procedure, wat onmogelijk zou zijn geweest. Zij heeft ook geen procedure sui generis gevolgd, maar heeft zich conform het lex-posteriorbeginsel gehouden aan de procedure die van toepassing was op het moment van de handeling.
Beoordeling door het Hof
26
Aangaande de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het tweede middel, volstaat het te constateren dat dit middel geen betrekking heeft op de feitelijke vraag of de mededingingsautoriteiten van de lidstaten wel of niet waren uitgenodigd voor de hoorzittingen van 13 juni en 30 september 2002, maar op de juridische vraag of de Commissie artikel 14 van verordening nr. 773/2004 heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten overeenkomstig deze bepaling een hoorzitting te houden alvorens de litigieuze beschikking vast te stellen. Derhalve moet de genoemde exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
27
Wat het eerste en tweede middel ten gronde betreft, moet in herinnering worden gebracht dat de Commissie de betrokken ondernemingen, waaronder rekwirantes, op 26 maart 2002 in het kader van de procedure die heeft geleid tot vaststelling van de beschikking van 2002, overeenkomstig artikel 36 KS de mededeling van punten van bezwaar heeft toegezonden. De hierop betrekking hebbende hoorzitting heeft op 13 juni 2002 plaatsgevonden. Het staat vast dat de vertegenwoordigers van de lidstaten niet waren uitgenodigd om aan deze hoorzitting deel te nemen. Een zodanige deelname was niet voorzien bij de regels van het EGKS-Verdrag die toen van kracht waren.
28
Na de expiratie van dit Verdrag heeft de Commissie op 12 augustus 2002 de genoemde ondernemingen een mededeling van aanvullende punten van bezwaar toegezonden die was gebaseerd op artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17. In die mededeling heeft de Commissie haar standpunt aangaande het gewijzigde juridisch kader uiteengezet en de ondernemingen uitgenodigd om hun zienswijzen omtrent de genoemde aanvullende punten van bezwaar kenbaar te maken. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag (PB 1998, L 354, blz. 18), heeft op 30 september 2002 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de vertegenwoordigers van de lidstaten aanwezig waren.
29
Na de nietigverklaring van de beschikking van 2002 heeft de Commissie rekwirantes en de andere betrokken ondernemingen bij brief van 30 juni 2008 ingelicht over haar voornemen om deze beschikking opnieuw vast te stellen met verordening nr. 1/2003 als rechtsgrondslag en overeenkomstig de procedureregels voorzien in deze verordening.
30
Gezien deze procedurele gang van zaken moet worden onderzocht of de Commissie, in tegenstelling tot wat het Gerecht in met name de punten 142 en 152 van de bestreden arresten heeft geoordeeld, de artikelen 10 en 14 van verordening nr. 773/2004 heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten rekwirantes een nieuwe mededeling van punten van bezwaar te zenden en een hoorzitting te houden waarbij de mededingingsautoriteiten van de lidstaten aanwezig waren, alvorens de litigieuze beschikking vast te stellen.
31
Volgens vaste rechtspraak worden procedureregels in het algemeen geacht te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden (arresten van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, EU:C:2011:190, punt 75en aldaar aangehaalde rechtspraak; van 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C‑352/09 P, EU:C:2011:191, punt 88, en van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 45). Dit is zelfs het geval in een procedure die vóór bovengenoemde datum was ingeleid en daarna aanhangig bleef (zie in die zin arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 47).
32
In de onderhavige zaak is de litigieuze beschikking op basis van artikel 7, lid 1, en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgesteld, zodat de daartoe gevolgde procedure in overeenstemming moest zijn met deze verordening en verordening nr. 773/2004, die verordening nr. 1/2003 als rechtsgrondslag heeft (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C‑352/09 P, EU:C:2011:191, punt 90), ook al was deze procedure ingeleid voordat verordening nr. 1/2003 van kracht werd.
33
Volgens artikel 10, leden 1 en 2, van verordening nr. 773/2004, gelezen in het licht van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003, waaraan eerstgenoemde verordening uitvoering geeft, stelt de Commissie een beschikking krachtens onder meer artikel 7 van deze laatste verordening vast, nadat zij de betrokken partijen eerst in kennis heeft gesteld van een mededeling van punten van bezwaar en daarbij een termijn heeft vastgesteld waarbinnen deze partijen hun standpunt kenbaar kunnen maken.
34
Het Gerecht heeft er in de punten 125 en 126 van de bestreden arresten terecht op gewezen dat de Commissie rekwirantes in het onderhavige geval al de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar had gezonden en dat niet ter discussie stond dat de litigieuze beschikking enkel betrekking had op de gedragingen waarover rekwirantes zich in antwoord op de mededelingen al hadden kunnen uitspreken. Bovendien bestaat er, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft benadrukt, geen groot inhoudelijk verschil tussen een mededeling van punten van bezwaar die is vastgesteld op grond van de EGKS-regels en een mededeling van punten van bezwaar die overeenkomstig de verordeningen nr. 17 en nr. 1/2003 is vastgesteld. Het was dus niet nodig een nieuwe mededeling van punten van bezwaar te zenden.
35
Hieromtrent heeft het Gerecht terecht verwezen naar punt 73 van het arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582), waarin eraan wordt herinnerd dat de nietigverklaring van een Uniehandeling niet noodzakelijkerwijs van invloed is op de voorbereidende handelingen, aangezien de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling in beginsel precies op het punt waarop de onwettigheid is ontstaan weer mag worden opgenomen.
36
Zoals het Gerecht in punt 141 van de bestreden arresten heeft geoordeeld, is de beschikking van 2002 immers nietig verklaard wegens onbevoegdheid van de Commissie om deze beschikking te baseren op de bepalingen van het EGKS-Verdrag, dat niet meer van kracht was toen de beschikking werd vastgesteld. De onwettigheid is zodoende exact op deze vaststellingsdatum ontstaan. Derhalve heeft die nietigverklaring de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar niet aangetast.
37
Anders dan rekwirantes stellen, is het niet zo dat de in punt 35 van dit arrest aangehaalde rechtspraak wegens de wijziging van de rechtsgrondslag waarop de boeten waren gebaseerd in de onderhavige zaak buiten toepassing blijft, aangezien in de voorbereidende handelingen al rekening is gehouden met de gevolgen van deze wijziging van de rechtsgrondslag. Zoals volgt uit de punten 22 en 128 van de bestreden arresten heeft de Commissie rekwirantes in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar gebaseerd op artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 immers ingelicht over de gevolgen die zij aan de expiratie van het EGKS-Verdrag wilde verbinden en hebben rekwirantes de mogelijkheid gehad hun opvattingen hieromtrent kenbaar te maken.
38
Bovendien wordt niet bestreden dat de intrekking van verordening nr. 17 en de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003, waarvan sommige bepalingen de rechtsgrondslag van de litigieuze beschikking vormen, niets hebben veranderd aan deze gevolgen. Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit de overgangsbepalingen van artikel 34, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en van artikel 19 van verordening nr. 773/2004 in ieder geval dat de overeenkomstig respectievelijk verordeningen nr. 17 en nr. 2842/98 verrichte procedurele handelingen en maatregelen met het oog op de toepassing van eerstgenoemde verordeningen effect blijven sorteren.
39
Tevens moet het argument worden afgewezen waarmee rekwirantes stellen dat de nietigverklaring van de beschikking van 2002 wegens de rechtsgrondslag waarop zij was gebaseerd, impliceert dat op dit punt een onjuiste benadering is gevolgd in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar. Het volstaat in herinnering te brengen dat deze beschikking uitsluitend was gebaseerd op artikel 65, leden 4 en 5, KS terwijl de genoemde mededeling was gebaseerd op verordening nr. 17.
40
Het Gerecht heeft zich derhalve niet schuldig gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 141 en 142 van de bestreden arresten te oordelen dat de Commissie niet verplicht was om een nieuwe mededeling van punten van bezwaar vast te stellen.
41
Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de Commissie de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar heeft gericht, evenwel ingevolge artikel 12 van verordening nr. 773/2004 de gelegenheid bieden om tijdens een hoorzitting hun standpunt toe te lichten, indien zij in hun schriftelijke opmerkingen daarom hebben verzocht. Aangezien de nietigverklaring van de beschikking van 2002 blijkens punt 36 van het onderhavige arrest de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar niet heeft aangetast, moet dientengevolge worden onderzocht of de Commissie genoemde partijen, zoals vereist, gelegenheid heeft geboden hun argumenten naar voren te brengen tijdens een hoorzitting, die is gehouden overeenkomstig de procedurevoorschriften van verordeningen nr. 1/2003 en 773/2004 en in het bijzonder overeenkomstig het voorschrift van artikel 14 van deze laatste verordening.
42
Wat betreft de hoorzittingen die in de loop van het jaar 2002 zijn gehouden, staat het vast dat de hoorzitting van 13 juni 2002 betrekking had op de kern van de zaak, namelijk op de gedragingen die de Commissie de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar aanrekende. De vertegenwoordigers van de lidstaten hebben niet aan deze hoorzitting deelgenomen, aangezien in een dergelijke deelname niet was voorzien in het EGKS-Verdrag dat toen van kracht was. Dit volgt in het bijzonder uit de punten 379 tot en met 382 van de litigieuze beschikking en punt 148 van de bestreden arresten.
43
Daarentegen had de hoorzitting van 30 september 2002, waarvoor de vertegenwoordigers van de lidstaten overeenkomstig de regels van het op dat moment toepasselijke EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2842/98, wel waren uitgenodigd, betrekking op het onderwerp van de mededeling van aanvullende punten van bezwaar, namelijk de juridische gevolgen van de expiratie van het EGKS-Verdrag voor het vervolg van de procedure. Dit volgt allereerst uit deze mededeling waarin de adressaten uitdrukkelijk werden uitgenodigd om hun eigen gezichtspunten omtrent deze aanvullende punten van bezwaar kenbaar te maken. Tevens heeft de Commissie in punt 382 van de litigieuze beschikking aangegeven dat zij het niet noodzakelijk achtte om de hoorzitting van 13 juni 2002 op grond van de bepalingen van de verordeningen nr. 17 en nr. 1/2003 over te doen, omdat deze hoorzitting, waaraan de vertegenwoordigers van de lidstaten niet hadden deelgenomen, was gehouden overeenkomstig de voorschriften van het destijds toepasselijke EGKS-Verdrag. Bovendien heeft de Commissie tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting in de zaken C‑85/15 P tot en met C‑89/15 P in antwoord op een vraag van het Hof bevestigd dat in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar noch op de feiten noch op de bewijzen waarop deze procedure betrekking had, werd teruggekomen.
44
Hieruit vloeit voort dat de vertegenwoordigers van de lidstaten in de onderhavige zaken niet hebben deelgenomen aan een hoorzitting inzake de kern van de zaken, maar uitsluitend hebben deelgenomen aan een hoorzitting inzake de juridische gevolgen van de expiratie van het EGKS-Verdrag.
45
Indien een besluit wordt vastgesteld op grond van verordening nr. 1/2003, moet de procedure die tot dit besluit leidt, overeenkomstig de in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak in overeenstemming zijn met de procedureregels voorzien in deze verordening, zelfs wanneer die procedure al was ingeleid voordat deze verordening in werking is getreden.
46
Hieruit volgt dat de Commissie, alvorens de litigieuze beschikking vast te stellen, de partijen ingevolge de artikelen 12 en 14 van verordening nr. 773/2004 de gelegenheid had moeten geven om hun argumenten naar voren te brengen tijdens een hoorzitting waarvoor zij ook de mededingingsautoriteiten van de lidstaten had uitgenodigd. Dientengevolge kan niet worden geoordeeld dat de hoorzitting van 13 juni 2002, waar het de kern van de zaak betreft, heeft voldaan aan de procedurevoorschriften omtrent de vaststelling van een besluit op basis van verordening nr. 1/2003.
47
Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punten 147 en 148 van de bestreden arresten te oordelen dat de Commissie niet verplicht was om, alvorens de litigieuze beschikking vast te stellen, overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 773/2004 een nieuwe hoorzitting te organiseren omdat de hoorzitting over de kern van de zaken van 13 juni 2002, waaraan de lidstaten niet hadden deelgenomen, overeenkomstig de destijds geldende voorschriften van het EGKS-Verdrag was gehouden, met inachtneming van de beginselen betreffende de werking van de wet in de tijd.
48
Rekening houdend met het door de advocaat-generaal in de punten 56 en 57 van zijn conclusie benadrukte belang om in het kader van de in de verordeningen nr. 1/2003 en nr. 773/2004 vastgelegde procedure op verzoek van de betrokken partijen een hoorzitting te houden waarvoor overeenkomstig artikel 14, lid 3, van de tweede verordening de mededingingsautoriteiten van de lidstaten worden uitgenodigd, vormt de afwezigheid van een zodanige hoorzitting een schending van wezenlijke vormvoorschriften.
49
Wanneer het recht op een zodanige hoorzitting als vastgelegd in verordening nr. 773/2004 niet is geëerbiedigd, hoeft een onderneming waarvan de rechten op die wijze zijn geschonden niet aan te tonen dat deze schending het verloop van de procedure en de inhoud van de litigieuze beschikking op een voor haar nadelige wijze heeft kunnen beïnvloeden.
50
Derhalve is de genoemde procedure noodzakelijkerwijze ongeldig, los van de eventuele nadelige gevolgen voor rekwirantes die uit deze schending zouden kunnen voortvloeien (zie in die zin arresten van 6 november 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑553/10 P en C‑554/10 P, EU:C:2012:682, punten 46‑52, en van 9 juni 2016, CEPSA/Commissie, C‑608/13 P, EU:C:2016:414, punt 36).
51
Gelet op een en ander dienen het eerste en het tweede door rekwirantes opgeworpen middel te worden aanvaard en dienen de bestreden arresten derhalve te worden vernietigd zonder dat het nodig is het derde en het vijfde tot en met zevende middel in hogere voorziening te onderzoeken.
Vierde middel
Argumenten van partijen
52
Met hun vierde middel stellen rekwirantes dat het Gerecht artikel 47, lid 2, van het Handvest heeft geschonden, aangezien de procedure voor het Gerecht vier jaar en tien maanden in beslag heeft genomen, waarvan de periode tussen het einde van de schriftelijke procedure en de opening van de mondelinge behandeling drie jaar bedroeg.
53
Wat betreft de complexiteit van de zaken onderstrepen rekwirantes dat het Gerecht reeds vanaf de instelling van de beroepen tegen de beschikking van 2002 wist dat de vier destijds opgeworpen middelen, waarvan er twee van procedurele aard waren, geen bijzondere moeilijkheden opleverden, dat het Gerecht het middel inzake bevoegdheidsoverschrijding wegens het gebruik van verordening nr. 1/2003 als rechtsgrondslag al had onderzocht en het Hof dit had bevestigd, dat er negen beroepen tegen de litigieuze beschikking waren ingesteld en dat al deze beroepen in dezelfde procestaal waren.
54
Wat betreft het gedrag van partijen, heeft geen van hen in de loop van de procedure een verlengingsverzoek ingediend. Bovendien heeft het Gerecht geen organisatorische maatregelen genomen. Ook al zijn twee rechters in de loop van de procedure vervangen, de rechter-rapporteur is dezelfde gebleven.
55
Bijgevolg verzoeken rekwirantes het Hof om vernietiging van de bestreden arresten voor zover hun daarbij een geldboete is opgelegd of, subsidiair, om vermindering van het bedrag van deze geldboete. Hoewel het Hof een dergelijk verzoek in het arrest van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768), heeft afgewezen, stellen rekwirantes dat het oordeel in deze zaak anders kan uitvallen indien het Hof naast dit middel andere middelen zou aanvaarden. Rekwirantes verzoeken het Hof eveneens te verklaren dat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest is geschonden en dat het hier gaat om een voldoende ernstige schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.
56
De Commissie betoogt dat dit middel niet-ontvankelijk is, aangezien hierin wordt weersproken wat rekwirantes voor het Gerecht hebben bevestigd, namelijk dat zij alleen de duur van de procedure voor de Commissie als buitensporig lang beschouwden en niet die voor het Gerecht, zoals volgt uit punt 362 van het arrest van 9 december 2014, Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti/Commissie (T‑92/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1032), en uit punt 345 van het arrest van 9 december 2014, Alfa Acciai/Commissie (T‑85/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1037).
57
Ten gronde concludeert de Commissie tot afwijzing van het genoemde middel.
Beoordeling door het Hof
58
De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen. Zoals het Hof al eerder heeft vastgesteld, is de rekwirerende partij die meent dat zij door een overschrijding van de redelijke procestermijn door het Gerecht in haar belangen is aangetast, immers niet gehouden om deze aantasting onmiddellijk aan te voeren. Zo nodig kan zij wachten tot het einde van de procedure om de totale duur ervan te kennen, en dus over alle noodzakelijke gegevens te beschikken om vast te stellen hoe zij in haar belangen meent te zijn aangetast (arrest van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie, C‑40/12 P, EU:C:2013:768, punt 78). Hieruit volgt dat de door rekwirantes tijdens de procedure voor het Gerecht afgelegde verklaringen over de duur hiervan hun niet beletten te stellen dat de genoemde procedure onredelijk lang heeft geduurd.
59
Aangaande rekwirantes’ verzoek dat ertoe strekt dat ofwel de bestreden arresten worden vernietigd, ofwel de geldboete wordt verlaagd wegens de gestelde buitensporig lange duur van de genoemde procedure, ofwel het Hof verklaart dat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest is geschonden, moet eraan worden herinnerd dat de schending door een rechterlijke instantie van de Unie van haar uit deze bepaling voortvloeiende verplichting om de aan haar voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, in het kader van een bij het Gerecht aanhangig gemaakt beroep tot schadevergoeding gesanctioneerd moet worden, aangezien een dergelijk beroep een effectief rechtsmiddel vormt. Een verzoek strekkende tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn door het Gerecht, kan dus niet rechtstreeks aan het Hof worden voorgelegd in het kader van een hogere voorziening, maar moet bij het Gerecht zelf worden ingediend. Deze instantie is krachtens artikel 256, lid 1, VWEU bevoegd, en wordt zij verzocht om een schadevergoeding toe te kennen, dan moet zij zich over een dergelijk verzoek uitspreken in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur ter discussie wordt gesteld (arrest van 9 juni 2016, Repsol Lubricantes y Especialidades e.a./Commissie, C‑617/13 P, EU:C:2016:416, punten 98 en 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Bijgevolg moet het vierde middel van rekwirantes worden verworpen.
Beroepen voor het Gerecht
61
Artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is, de beslissing van het Gerecht vernietigt. Het Hof kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
62
In het onderhavige geval beschikt het Hof over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen op de door rekwirantes bij het Gerecht ingestelde beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
63
In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat de litigieuze beschikking, voor zover zij betrekking heeft op rekwirantes, op de in de punten 27 tot en met 50 van het onderhavige arrest uiteengezette gronden nietig moet worden verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften.
Kosten
64
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet.
65
Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirantes in hogere voorziening in het gelijk zijn gesteld en de bij het Gerecht ingestelde beroepen gegrond zijn verklaard, dient de Commissie overeenkomstig de vorderingen van rekwirantes zowel in eerste aanleg als in de hogere voorzieningen te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van rekwirantes.
Het Hof (Negende kamer) verklaart:
1)
De arresten van het Gerecht van de Europese Unie van 9 december 2014, Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti/Commissie (T‑92/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1032), en van 9 december 2014, Alfa Acciai/Commissie (T‑85/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1037), worden vernietigd.
2)
Beschikking C(2009) 7492 definitief van de Commissie van 30 september 2009 inzake een inbreuk op artikel 65 KS (Zaak COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking), in de versie zoals gewijzigd bij besluit C(2009) 9912 definitief van de Commissie van 8 december 2009, wordt nietig verklaard voor zover deze beschikking Ferriera Valsabbia SpA, Valsabbia Investimenti SpA en Alfa Acciai SpA betreft.
3)
De Europese Commissie wordt zowel in de procedure in eerste aanleg als in de hogere voorzieningen verwezen in haar eigen kosten en in die van Ferriera Valsabbia SpA, Valsabbia Investimenti SpA en Alfa Acciai SpA.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy