ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
2 maart 2017 ( 1 )*
„Prejudiciële verwijzing — Wegvervoer — Sociale bepalingen — Uitzonderingen — Verordening (EG) nr. 561/2006 — Artikel 3, onder a) — Verordening (EG) nr. 1073/2009 — Artikel 2, punt 3 — Geregeld personenvervoer — Begrip — Gratis vervoer, georganiseerd door een marktdeelnemer voor zijn werknemers, naar en van het werk met hem toebehorende voertuigen die worden bestuurd door een van zijn werknemers”
In zaak C‑245/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Judecătoria Balş – Judeţul Olt (rechter in eerste aanleg Balş – district Olt, Roemenië) bij beslissing van 30 april 2015, ingekomen bij het Hof op 28 mei 2015, in de procedure
SC Casa Noastră SA
tegen
Ministerul Transporturilor – Inspectoratul de Stat pentru Controlul în Transportul Rutier (ISCTR),
wijst HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: M. Berger (rapporteur), kamerpresident, A. Borg Barthet en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
het Ministerul Transporturilor – Inspectoratul de Stat pentru Controlul în Transportul Rutier (ISCTR), vertegenwoordigd door D. Ştefan als gemachtigde,
—
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu, E. Gane en R. H. Radu als gemachtigden,
—
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Eberhard als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en L. Nicolae als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, onder a), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB 2006, L 102, blz. 1), en van artikel 2, punt 3, van verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar‑ en autobusdiensten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006 (PB 2009, L 300, blz. 88, en rectificatie PB 2015, L 272, blz. 15).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SC Casa Noastră SA en het Ministerul Transporturilor – Inspectoratul de Stat pentru Controlul în Transportul Rutier (ISCTR) [ministerie van Vervoer – Staatsinspectiedienst voor controle van het wegvervoer (ISCTR), Roemenië] over een door de ISCTR aan een van de werknemers van Casa Noastră opgelegde geldboete wegens niet‑naleving van de rij‑ en rusttijden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 561/2006
3
Artikel 2, lid 1, onder b), van verordening nr. 561/2006 bepaalt:
„Deze verordening is van toepassing op wegvervoer:
[...]
b)
van personen door voertuigen die zijn gebouwd of permanent zijn toegerust om meer dan negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, te kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd.”
4
Artikel 3, onder a), van die verordening luidt:
„Deze verordening is niet van toepassing op wegvervoer door:
a)
voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km”.
5
Artikel 4, onder n), van die verordening bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
[...]
n)
‚geregelde diensten van personenvervoer’: nationale en internationale diensten als omschreven in artikel 2 van verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationale vervoer van personen met touringcars en autobussen [(PB 1992, L 74, blz. 1)]”.
Verordening nr. 684/92
6
Artikel 2, punt 1, van verordening nr. 684/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006, L 363, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 684/92”), bepaalt:
„1. Geregeld vervoer
1.1.
Geregeld vervoer is vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of mogen worden afgezet. Geregeld vervoer is voor iedereen toegankelijk, ongeacht, in voorkomend geval, de verplichting om de reis te boeken.
Een aanpassing van de exploitatievoorwaarden voor het vervoer doet niet af aan het geregelde karakter van het vervoer.
1.2.
Tevens wordt als geregeld vervoer beschouwd, ongeacht door wie het wordt georganiseerd, vervoer van bepaalde categorieën reizigers met uitsluiting van andere reizigers, voor zover dat vervoer op de in punt 1.1 bepaalde wijze geschiedt. Dergelijk vervoer wordt ‚bijzondere vorm van geregeld vervoer’ genoemd.
De bijzondere vorm van geregeld vervoer omvat met name:
a)
vervoer naar en van het werk van werknemers,
b)
vervoer naar en van de onderwijsinstelling van scholieren en studenten,
c)
vervoer tussen land van oorsprong en plaats van legering van militairen en hun gezinnen,
De aanpassing van de organisatie van het vervoer aan de wisselende behoeften van de gebruikers doet aan het geregelde karakter van de bijzondere vorm van het vervoer geen afbreuk.
[...]”
Verordening nr. 1073/2009
7
Verordening nr. 684/92 is ingetrokken bij artikel 30 van verordening nr. 1073/2009. Op grond van dat artikel gelden verwijzingen naar de ingetrokken verordening als verwijzingen naar verordening nr. 1073/2009 en worden zij gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III bij die verordening. Ten gevolge van die intrekking komen met artikel 2, punt 1.1, van verordening nr. 684/92 artikel 2, punt 2, en artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1073/2009 overeen en komen met artikel 2, punt 1.2, van verordening nr. 684/92 artikel 2, punt 3, en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1073/2009 overeen.
8
Artikel 2 van verordening nr. 1073/2009 bevat de volgende definities:
„[...]
2.
‚geregeld vervoer’: vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of afgezet;
3.
‚bijzondere vorm van geregeld vervoer’: vervoer, ongeacht door wie het wordt georganiseerd, van bepaalde categorieën reizigers met uitsluiting van andere reizigers;
[...]
5.
‚vervoer voor eigen rekening’: vervoer dat voor niet-lucratieve en niet-commerciële doeleinden door een natuurlijke of rechtspersoon wordt verricht, met dien verstande:
—
dat de vervoersactiviteit voor die natuurlijke of rechtspersoon slechts een bijkomstige activiteit vormt, en
—
dat de gebruikte voertuigen eigendom van die natuurlijke of rechtspersoon zijn of door die persoon op afbetaling zijn aangekocht dan wel dat daarvoor een leasingovereenkomst op lange termijn is afgesloten en dat zij door een personeelslid van de natuurlijke of rechtspersoon of door de natuurlijke persoon zelf of door personeel dat in dienst is van de onderneming of krachtens een contractuele verbintenis ter beschikking van de onderneming is gesteld, worden bestuurd;
[...]”
9
Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Vrij verrichten van diensten”, bepaalt:
„1. Iedere vervoerder voor rekening van derden als bedoeld in artikel 1 mag zonder discriminatie op grond van nationaliteit of vestigingsplaats geregeld vervoer, inclusief de bijzondere vorm van geregeld vervoer, en ongeregeld vervoer met touringcars en autobussen verrichten, indien hij:
a)
in de lidstaat van vestiging gemachtigd is tot het verrichten van vervoer met touringcars en met autobussen, meer bepaald geregeld vervoer, met inbegrip van bijzondere vormen van geregeld vervoer, of ongeregeld vervoer, overeenkomstig de door de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden voor toegang tot de markt;
[...]
2. Iedere vervoerder voor eigen rekening als bedoeld in artikel 1 mag zonder discriminatie op grond van nationaliteit of vestigingsplaats vervoerdiensten verrichten overeenkomstig artikel 5, lid 5, indien hij:
a)
in de lidstaat van vestiging gemachtigd is tot het verrichten van vervoer met touringcars en autobussen overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden voor toegang tot de markt [...]
[...]”
10
Artikel 5 van die verordening, met als opschrift „Toegang tot de markt”, bepaalt:
„1. Geregeld vervoer is voor iedereen toegankelijk, ongeacht, in voorkomend geval, de verplichting om de reis te boeken.
Dergelijk vervoer is vergunningsplichtig overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III.
Voor geregeld vervoer van een lidstaat naar een derde land en omgekeerd is, zolang de noodzakelijke overeenkomst tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land niet is gesloten, een vergunning nodig die in overeenstemming is met de bilaterale overeenkomst tussen de lidstaat en het derde land en, in voorkomend geval, de lidstaat van doorreis.
Een aanpassing van de exploitatievoorwaarden voor het vervoer doet niet af aan het geregelde karakter van het vervoer.
Voor de organisatie van parallel of tijdelijk vervoer, met dezelfde clientèle als bij het bestaande geregelde vervoer, het doorrijden op bepaalde stopplaatsen of het inlassen van extra stopplaatsen in het bestaande geregelde vervoer gelden dezelfde regels als die welke voor dat geregelde vervoer gelden.
2. Bijzondere vormen van geregeld vervoer omvatten met name:
a)
vervoer naar en van het werk van werknemers;
b)
vervoer van scholieren en studenten naar en van de onderwijsinstelling.
Aan het geregelde karakter van de bijzondere vormen van geregeld vervoer wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat bij de organisatie van het vervoer rekening wordt gehouden met de wisselende behoeften van de gebruiker.
Voor de bijzondere vormen van geregeld vervoer is geen enkele vergunning overeenkomstig hoofdstuk III vereist, mits met betrekking daartoe tussen de organisator en de vervoerder een overeenkomst is gesloten.
[...]
5. In plaats van vergunningen zijn attesten vereist voor vervoer voor eigen rekening.
De attesten worden afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar het voertuig is ingeschreven; zij gelden voor het gehele traject, met inbegrip van het transittraject.
[...]”
Roemeens recht
11
Artikel 3 van Ordonanța Guvernului nr. 27/2011 privind transporturile rutiere (regeringsverordening nr. 27/2011 betreffende het wegvervoer), in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding (hierna: „Ordonanța Guvernului nr. 27/2011”), bepaalt dat „personenvervoer over de weg voor eigen rekening wegvervoer is dat voor niet-lucratieve en niet-commerciële doeleinden door een natuurlijke of rechtspersoon wordt verricht met inachtneming van de in artikel 2, punt 5, van verordening (EG) nr. 1073/2009 gestelde voorwaarden”.
12
Aangaande de indeling van het wegvervoer bepaalt artikel 4, punt I, lid 2, van Ordonanța Guvernului nr. 27/2011:
„indeling op basis van de commerciële aard van de activiteit:
a)
wegvervoer tegen betaling;
b)
wegvervoer voor eigen rekening”.
13
Artikel 52 van de bijlage bij Ordinul ministrului transporturilor nr. 980/2011 pentru aprobarea Normelor metodologice privind aplicarea prevederilor referitoare la organizarea şi efectuarea transporturilor rutiere şi a activităţilor conexe acestora stabilite prin Ordonanţa Guvernului nr. 27/2011 privind transporturile rutiere (besluit nr. 980/2011 van de minister van Vervoer betreffende de goedkeuring van methodologische normen voor de toepassing van de bepalingen inzake de organisatie en de uitvoering van wegvervoer en daarmee verbonden activiteiten zoals vastgesteld bij Ordonanța Guvernului nr. 27/2011 betreffende het wegvervoer), in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, bepaalt dat geregeld vervoer, bijzondere vormen van geregeld vervoer en ongeregeld vervoer onder bezwarende titel worden verricht.
14
Artikel 54, leden 1 en 2, van de bijlage bij Ordinul ministrului transporturilor nr. 980/2011 luidt:
„(1) Wegvervoerondernemers mogen slechts geregelde diensten van personenvervoer over de weg tussen districten tegen betaling verrichten indien zij over een geldige trajectvergunning beschikken voor de betrokken rit, zoals voorzien in het vervoersprogramma.
(2) De trajectvergunning is slechts geldig indien zij vergezeld gaat van het vervoersrooster voor de gehele duur van het vervoer en het vertrek van het eindpunt van het traject plaatsvond op de dag en het uur zoals voorzien in het desbetreffende vervoersrooster.”
15
Artikel 80 van die bijlage luidt:
„(1) Personenvervoer over de weg voor eigen rekening wordt door wegvervoerondernemingen voor eigen rekening alleen met autobussen verricht aan boord waarvan zich tijdens de volledige duur van het vervoer een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het certificaat voor vervoer voor eigen rekening en het vervoersdocument bevinden.
(2) Voor de toepassing van lid 1 wordt onder vervoersdocument verstaan de tabel met de namen van de vervoerde personen, ondertekend en afgestempeld door de wettelijke vertegenwoordiger van de onderneming.”
16
Artikel 81, onder a), van die bijlage luidt:
„In geval van personenvervoer over de weg voor eigen rekening moeten zich aan boord van de autobus naast het vervoersdocument de volgende documenten bevinden:
a)
de geldige dienstlegitimatie van de chauffeur waaruit blijkt dat hij als zelfstandige bij de wegvervoeronderneming werkt”.
17
Artikel 8, lid 1, van Ordonanţa Guvernului nr. 37/2007 privind stabilirea cadrului de aplicare a regulilor privind perioadele de conducere, pauzele şi perioadele de odihnă ale conducătorilor auto şi utilizarea aparatelor de înregistrare a activităţii acestora (regeringsverordening nr. 37/2007 tot vaststelling van het toepassingskader van de voorschriften voor de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van chauffeurs en het gebruik van de apparatuur die hun activiteiten registreert), in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding (hierna: „Ordonanţa Guvernului nr. 37/2007”), bepaalt:
„1) De volgende feiten leveren zeer ernstige schending op van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EEG) nr. 3821/85, en, in voorkomend geval, van de [Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR‑overeenkomst)], en vormen bestuursrechtelijke overtredingen voor zover zij niet krachtens het strafrecht als misdrijven worden aangemerkt:
1.
overschrijding van de dagelijkse rijtijd of de dagelijkse maximale rijtijd met twee of meer dan twee uur;
[...]
6.
niet‑naleving van de verkorte dagelijkse minimale rusttijd met meer dan twee uur”.
18
Artikel 9 van Ordonanţa Guvernului nr. 37/2007 bepaalt:
„1. Overtredingen in de zin van artikel 8 worden gestraft met:
[...]
c)
een geldboete van 4000 tot 8000 [Roemeense leu (RON)] – op te leggen aan de chauffeur voor de feiten bedoeld in lid 1, punten 15, 16, 18 tot en met 20, 22 tot en met 26, 28 tot en met 30, 36 en 38, en op te leggen aan de wegvervoeronderneming/wegvervoerondernemer voor de in lid 1, punten 1 tot en met 11, 31 en 32 bedoelde feiten.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19
Casa Noastră is een onderneming die ramen en deuren van pvc produceert en verkoopt en waarvan de productie-installaties zich te Pielești (Roemenië), op ongeveer 13 km van Craiova (Roemenië), bevinden.
20
Die onderneming zorgt voor het vervoer van haar werknemers naar en van het werk met aan haar toebehorende voertuigen, namelijk drie touringcars met elk 44 plaatsen en twee kleine autobussen met elk 20 plaatsen. Daartoe heeft zij vijf chauffeurs in vaste dienst.
21
De werknemers van Casa Noastră werken in drieploegendienst, zodat hun vervoer elke werkdag met drie heen‑ en terugreizen plaatsvindt. Een van de in het kader van dat vervoer afgelegde trajecten is de heen‑ en terugreis tussen Pielești en Braneț (Roemenië). De afstand tussen deze twee plaatsen bedraagt 21 km.
22
Op 26 november 2014 is een van de voertuigen van Casa Noastră, dat op dat traject door een van de chauffeurs van die onderneming werd bestuurd, gecontroleerd door een inspecteur van de ISCTR. Bij die controle heeft de chauffeur de uitdraai van zijn tachograaf moeten tonen. Hieruit bleek een overtreding van de rij‑ en rusttijden. Derhalve is krachtens artikel 8, lid 1, punten 1 en 6, van Ordonanţa Guvernului nr. 37/2007 aan Casa Noastră een geldboete opgelegd wegens overschrijding van de dagelijkse rijtijd, meer bepaald van de dagelijkse maximale rijtijd, alsook wegens niet‑naleving van de dagelijkse minimale rusttijd.
23
Casa Noastră heeft die sanctie aangevochten op grond met name dat zij op het ogenblik van die controle personenvervoer over de weg verrichtte dat behoort tot de categorie „bijzondere vormen van geregeld vervoer” naar en van het werk van werknemers over een traject van niet meer dan 50 km, en dat de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 bijgevolg van toepassing was.
24
De ISCTR heeft betoogd dat Casa Noastră personenvervoer over de weg voor eigen rekening verrichtte, aangezien dat vervoer voor niet‑lucratieve en niet-commerciële doeleinden werd verricht, terwijl personenvervoer over de weg als bijzondere vorm van geregeld vervoer niet gratis is en hiervoor moet worden voldaan aan andere in de nationale wettelijke regeling gestelde voorwaarden. Volgens de ISCTR viel dat vervoer bijgevolg niet onder de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006.
25
Volgens de verwijzende rechter moet worden onderzocht wat de wettelijke mogelijkheid voor marktdeelnemers is om voor hun eigen werknemers vervoersdiensten naar en van het werk te organiseren, alsook in hoeverre een werknemer, voor de duur van het vervoer, een reiziger is die gebruikmaakt van een bijzondere vorm van geregeld vervoer, rekening houdend met het feit dat Casa Noastră voor de betrokken vervoersdienst geen vergoeding ontvangt.
26
Daarom heeft de Judecătoria Balş – Judeţul Olt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
In hoeverre kan de uitdrukking ‚ongeacht door wie het wordt georganiseerd’ in artikel 2, punt 3, van verordening nr. 1073/2009 aldus worden uitgelegd dat geregeld vervoer kan worden georganiseerd door een marktdeelnemer voor het vervoer naar en van het werk van zijn eigen werknemers?
2)
In hoeverre kan de uitdrukking ‚geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km’ in artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 aldus worden uitgelegd dat daaronder de verplaatsing naar en van het werk van werknemers valt?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
27
Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of door een werkgever voor zijn werknemers georganiseerd vervoer naar en van het werk over een traject van niet meer dan 50 km, onder de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 valt, volgens welke die verordening niet van toepassing is op een dergelijke vervoersdienst.
28
Volgens overweging 17 en artikel 1 van verordening nr. 561/2006 strekt die verordening tot harmonisatie van de voorwaarden voor concurrentie tussen verschillende wijzen van vervoer over land, met name met betrekking tot de wegvervoersector, en tot verbetering van de werkomstandigheden van het personeel in die sector en de verkeersveiligheid. Die doelstellingen komen met name tot uiting in de verplichting om voertuigen in het wegvervoer in beginsel uit te rusten met een goedgekeurde tachograaf tot controle van de inachtneming van de rij‑ en rusttijden van de bestuurders (zie met name arresten van 3 oktober 2013, Lundberg, C‑317/12, EU:C:2013:631, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 oktober 2016, EL‑EM‑2001, C‑501/14, EU:C:2016:777, punt 21).
29
Volgens artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 is die verordening niet van toepassing op wegvervoer door voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km.
30
Volgens artikel 4, onder n), van die verordening wordt onder „geregelde diensten van personenvervoer” verstaan nationale en internationale diensten als omschreven in artikel 2, punt 1, van verordening nr. 684/92.
31
Het Hof heeft in dit verband benadrukt dat artikel 2, punt 1, van verordening nr. 684/92 voorziet in twee categorieën van dergelijke diensten en onderscheid maakt tussen geregeld vervoer en bijzondere vormen van geregeld vervoer. Het eerste is voor iedereen toegankelijk; het gaat daarbij om vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers mogen worden opgenomen of afgezet. Bijzonder geregeld vervoer vindt plaats onder dezelfde omstandigheden, maar enkel voor bepaalde categorieën reizigers (arrest van 30 april 1998, Clarke & Sons en Ferne, C‑47/97, EU:C:1998:185, punt 16), namelijk voor vervoer „naar en van het werk van werknemers”, vervoer „naar en van de onderwijsinstelling” van scholieren en studenten en vervoer „tussen land van oorsprong en plaats van legering” van militairen en hun gezinnen.
32
Bijzondere vormen van geregeld vervoer vormen bijgevolg een bijzondere categorie van geregeld vervoer. Het enige verschil tussen die twee categorieën is het feit dat bijzondere vormen van geregeld vervoer betrekking hebben op het vervoer van bepaalde groepen van personen met uitsluiting van andere reizigers, terwijl geregeld vervoer zonder restrictie voor alle reizigers toegankelijk is. Gelet op de in punt 28 van het onderhavige arrest vermelde doelstellingen van verordening nr. 561/2006 kan de hoedanigheid van de vervoerde personen geen beslissend criterium voor de toepassing van die verordening vormen.
33
Gelet op de structuur van verordening nr. 684/92 en de definitie van het begrip „bijzondere vorm van geregeld vervoer”, blijkt de wetgever van de Europese Unie de bedoeling gehad te hebben zowel geregeld vervoer als bijzondere vormen van geregeld vervoer – mits het betrokken traject niet meer dan 50 km bedraagt – uit te sluiten van de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006.
34
Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat verordening nr. 684/92 is vervangen door verordening nr. 1073/2009, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen „geregeld vervoer” en „bijzondere vormen van geregeld vervoer”. De definities van die begrippen zijn immers in wezen onveranderd gebleven, zodat bijzondere vormen van geregeld vervoer nog steeds zijn gedefinieerd als een bijzondere categorie van geregeld vervoer.
35
Bovendien is het vervoer naar en van het werk van werknemers uitdrukkelijk geregeld in artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 1073/2009, voor zover het een van de bijzondere vormen van geregeld vervoer is. Derhalve geldt de aan de uitlegging van verordening nr. 684/92 ten grondslag liggende redenering mutatis mutandis voor verordening nr. 1073/2009.
36
De werkingssfeer van de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 is bijgevolg niet gewijzigd door verordening nr. 1073/2009. Die uitzondering geldt voor zowel geregeld vervoer als bijzondere vormen van geregeld vervoer, mits het betrokken traject niet meer dan 50 km bedraagt.
37
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat artikel 2, punt 5, van verordening nr. 1073/2009, net als artikel 2, punt 4, van verordening nr. 684/92, een definitie van „vervoer voor eigen rekening” geeft, volgens welke het gaat om vervoer dat voor niet-lucratieve en niet‑commerciële doeleinden wordt verricht, mits de vervoersactiviteit voor de natuurlijke of rechtspersoon die ze verricht, slechts een bijkomstige activiteit vormt. Voorts moeten de voertuigen volgens die definitie eigendom van die persoon zijn, op afbetaling zijn aangekocht of moet daarvoor een leasingovereenkomst op lange termijn zijn afgesloten, en moeten zij worden bestuurd door een personeelslid van de natuurlijke of rechtspersoon of door de natuurlijke persoon zelf of door personeel dat in dienst is van de onderneming of krachtens een contractuele verbintenis ter beschikking van de onderneming is gesteld.
38
In casu lijkt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoer te voldoen aan de voorwaarden om als „bijzondere vorm van geregeld vervoer” te worden aangemerkt.
39
Dat vervoer vindt elke werkdag plaats met drie heen‑ en terugreizen, wat overeenkomt met de drie ploegen per dag waarin bij Casa Noastră wordt gewerkt. Aangezien het vervoer naar en van het werk van de werknemers van die onderneming, volgens de gegevens waarover het Hof beschikt, plaatsvindt tussen de plaatsen Pielești en Braneț, is de betrokken reisweg „bepaald” in de zin van artikel 2, punt 2, van verordening nr. 1073/2009, waarbij de werknemers op vooraf vastgestelde plaatsen worden opgenomen en afgezet. Bovendien is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dienst slechts voor een specifieke categorie reizigers bestemd, in casu de werknemers van die onderneming, met uitsluiting van andere reizigers.
40
Voorts voldoet het in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoer ook aan de in artikel 2, punt 5, van verordening nr. 1073/2009 gestelde voorwaarden inzake „vervoer voor eigen rekening”.
41
Volgens dezelfde gegevens worden de betrokken vervoersdiensten voor de werknemers van Casa Noastră immers niet voor lucratieve of commerciële doeleinden verricht. De verwijzende rechter benadrukt overigens dat voor de verrichte dienst geen vergoeding wordt betaald. Bovendien bestaat de hoofdactiviteit van die vennootschap niet in personenvervoer, maar in de productie en verkoop van ramen en deuren van pvc en vormt het vervoer van werknemers voor die vennootschap slechts een bijkomende activiteit. Ten slotte is Casa Noastră eigenaar van de gebruikte voertuigen, die bovendien worden bestuurd door de eigen werknemers van die onderneming.
42
Zoals is vastgesteld in punt 36 van het onderhavige arrest, geldt de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 voor geregeld vervoer, met inbegrip van bijzondere vormen van geregeld vervoer. Derhalve geldt die uitzondering a priori niet voor vervoer voor eigen rekening.
43
De categorie geregeld vervoer, die de bijzondere vormen van geregeld vervoer omvat, en de categorie vervoer voor eigen rekening sluiten elkaar niet uit. Vervoer voor eigen rekening kan de vorm aannemen van ongeregeld vervoer of van bijzondere vormen van geregeld vervoer. Ongeregeld vervoer wordt in artikel 2, punt 4, van verordening nr. 1073/2009 gedefinieerd als vervoer dat niet aan de definitie van geregeld vervoer, met inbegrip van de bijzondere vorm van geregeld vervoer, beantwoordt en dat met name wordt gekenmerkt door het vervoer van vooraf samengestelde groepen, op initiatief van een opdrachtgever of van de vervoerder zelf.
44
Niets in de tekst van verordeningen nr. 561/2006 en nr. 1073/2009 verzet zich tegen die uitlegging. Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangevoerd, kunnen de vervoersdiensten in beginsel in twee categorieën worden ingedeeld, namelijk diensten voor derden en diensten voor eigen rekening.
45
De eerste van die twee categorieën kan verschillende vormen aannemen, namelijk geregeld vervoer, bijzondere vormen van geregeld vervoer en ongeregeld vervoer.
46
Diensten voor eigen rekening kunnen ook de vorm aannemen van ongeregeld vervoer of van bijzondere vormen van geregeld vervoer, indien zij voldoen aan de in verordening nr. 1073/2009 vastgestelde voorwaarden. Geregeld vervoer, dat per definitie voor alle reizigers toegankelijk is, is daarentegen uitgesloten.
47
Die uitlegging wordt bevestigd door het feit dat, zoals reeds is vastgesteld in punt 35 van het onderhavige arrest, vervoer naar en van het werk van werknemers volgens zowel verordening nr. 684/92 als verordening nr. 1073/2009 een van de bijzondere vormen van geregeld vervoer is. Bovendien wordt volgens de definitie in artikel 2, punt 1.2, van verordening nr. 684/92 als geregeld vervoer beschouwd, „ongeacht door wie het wordt georganiseerd”, vervoer van bepaalde categorieën reizigers.
48
Voorts wordt die uitlegging ook bevestigd door het feit dat krachtens verordening nr. 1073/2009, waarbij gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar‑ en autobusdiensten zijn vastgesteld, voor vervoer voor eigen rekening doorgaans minder strikte regels gelden dan voor geregeld vervoer, met inbegrip van bijzondere vormen van geregeld vervoer. Voor het verrichten van dit laatste vervoer is immers een vergunning vereist, terwijl voor vervoer voor eigen rekening geen vergunningen maar alleen attesten zijn vereist. Bijgevolg is geen attest voor een specifieke wijze van uitvoering van de vervoersdienst vereist. Het attest voor vervoer voor eigen rekening dekt immers alle wijzen van uitvoering van de dienst, zonder dat de betrokken categorie vervoersdiensten specifiek hoeft te worden geïdentificeerd.
49
Het enige verschil tussen een voor derden bestemde bijzondere vorm van geregeld vervoer en een voor eigen rekening verrichte bijzondere vorm van geregeld vervoer betreft derhalve de hoedanigheid van de organisator van de dienst. Dat verschil kan niet rechtvaardigen dat voor eigen rekening verrichte bijzondere vormen van geregeld vervoer worden uitgesloten van de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006.
50
Die uitlegging doet evenmin afbreuk aan de doelstellingen van verordening nr. 561/2006. Zoals is vermeld in punt 28 van het onderhavige arrest, strekt die verordening tot harmonisatie van de voorwaarden voor concurrentie tussen verschillende wijzen van vervoer over land, met name met betrekking tot de wegvervoersector, en tot verbetering van de werkomstandigheden van het personeel in die sector en de verkeersveiligheid. De voor eigen rekening verrichte bijzondere vormen van geregeld vervoer houden geen oneerlijke concurrentie in ten koste van andere soorten vervoer die aan derden worden aangeboden, voor zover van die diensten alleen kan worden gebruikgemaakt door de werknemers van de onderneming die ze aanbiedt. Aangaande de verbetering van de werkomstandigheden en de verkeersveiligheid valt overigens niet te rechtvaardigen dat onderscheid wordt gemaakt tussen een bestuurder die over afstanden van minder dan 50 km voor derden bijzondere vormen van geregeld vervoer verricht en een bestuurder die over dezelfde afstanden voor eigen rekening bijzondere vormen van geregeld vervoer verricht.
51
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 en artikel 2, punt 3, van verordening nr. 1073/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat door een werkgever voor zijn werknemers georganiseerd vervoer naar en van het werk over een traject van niet meer dan 50 km, onder de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 valt, volgens welke die verordening niet van toepassing is op een dergelijke vervoersdienst.
Kosten
52
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, onder a), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, alsmede artikel 2, punt 3, van verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar‑ en autobusdiensten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006 moeten aldus worden uitgelegd dat door een werkgever voor zijn werknemers georganiseerd vervoer naar en van het werk over een traject van niet meer dan 50 km onder de uitzondering van artikel 3, onder a), van verordening nr. 561/2006 valt, volgens welke die verordening niet van toepassing is op een dergelijke vervoersdienst.
ondertekeningen
( 1 ) Procestaal: Roemeens.
Full & Egal Universal Law Academy