ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
26 januari 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening — Dumping — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 — Invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië — Uitbreiding van het op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China ingestelde definitieve antidumpingrecht tot die invoer — Verordening (EG) nr. 1225/2009 — Artikel 13 — Ontwijking — Artikel 18 — Niet-medewerking — Bewijs — Bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen”
In de gevoegde zaken C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P,
betreffende drie hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op, respectievelijk, 27 mei, 29 mei en 1 juni 2015,
Maxcom Ltd, gevestigd te Plovdiv (Bulgarije), vertegenwoordigd door L. Ruessmann, avocat, en J. Beck, solicitor,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Chin Haur Indonesia PT, gevestigd te Tangerang (Indonesië), vertegenwoordigd door T. Müller-Ibold, Rechtsanwalt, en F.‑C. Laprévote, avocat,
verzoekster in eerste aanleg,
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Boelaert en vervolgens door H. Marcos Fraile en B. Driessen als gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, Rechtsanwälte,
verweerder in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en M. França als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg (C‑247/15 P),
en
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en M. França als gemachtigden,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Chin Haur Indonesia PT, gevestigd te Tangerang, vertegenwoordigd door T. Müller-Ibold, Rechtsanwalt, en F.‑C. Laprévote, avocat,
verzoekster in eerste aanleg,
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Boelaert en vervolgens door H. Marcos Fraile en B. Driessen als gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, Rechtsanwälte,
verweerder in eerste aanleg,
Maxcom Ltd, gevestigd te Plovdiv, vertegenwoordigd door L. Ruessmann, avocat, en J. Beck, solicitor,
interveniënte in eerste aanleg (C‑253/15 P),
en
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Boelaert en vervolgens door H. Marcos Fraile en B. Driessen als gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen en C. Hipp, Rechtsanwälte,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Chin Haur Indonesia PT, gevestigd te Tangerang, vertegenwoordigd door T. Müller-Ibold, Rechtsanwalt, en F.‑C. Laprévote, avocat,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en M. França als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg,
Maxcom Ltd, gevestigd te Plovdiv, vertegenwoordigd door L. Ruessmann, avocat, en J. Beck, solicitor,
interveniënte in eerste aanleg (C‑259/15 P),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juni 2016,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 september 2016,
het navolgende
Arrest
1
Maxcom Ltd, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie verzoeken om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 maart 2015, Chin Haur Indonesia/Raad (T‑412/13, EU:T:2015:163; hierna: „bestreden arrest”), houdende nietigverklaring van artikel 1, leden 2 en 3, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB 2013, L 153, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”), voor zover het betrekking heeft op Chin Haur Indonesia PT (hierna: „Chin Haur”).
Toepasselijke bepalingen
2
Ten tijde van de aan de gedingen ten grondslag liggende feiten werd de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie beheerst door de bepalingen van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificaties in PB 2010, L 7, blz. 22 en PB 2011, L 36, blz. 20), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (PB 2012, L 344, blz. 1; hierna: „basisverordening”).
3
Artikel 13, „Ontwijking”, van deze verordening luidt als volgt:
„1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er [ontwijking] van de geldende maatregelen plaatsvindt. Antidumpingrechten die het op grond van artikel 9, lid 5, ingestelde residuele antidumpingrecht niet overschrijden, kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er [ontwijking] van de geldende maatregelen plaatsvindt. [Ontwijking] wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de Gemeenschap als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2.
De in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Gemeenschap te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten; en, in de in lid 2, beschreven situatie, de assemblage van delen in de Gemeenschap of een derde land.
2. Assemblage in de Gemeenschap of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer:
a)
de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en
b)
de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage‑ of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt, en
c)
de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.
3. Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid. Wanneer de definitief vastgestelde feiten de uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité het daartoe strekkende besluit. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.
4. De invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 14, lid 5, te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter [ontwijking] buiten de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige [ontwijking] zoals beschreven in de leden 1 en 2 van dit artikel. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter [ontwijking] binnen de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn.
Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie, na raadpleging van het raadgevend comité dan wel bij besluit van de Raad tot vaststelling van maatregelen, en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit.
[…]”
4
Artikel 18 van die verordening bepaalde:
„1. Indien een belanghebbende binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen de toegang tot de nodige gegevens weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken.
[…]
6. Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent waardoor relevante inlichtingen niet beschikbaar zijn, kan dit tot gevolg hebben dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.”
Voorgeschiedenis van de gedingen en litigieuze verordening
5
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 28 van het bestreden arrest uiteengezet. Ten behoeve van de onderhavige procedure kan zij worden samengevat als volgt.
6
Op 14 augustus 2012 heeft de Commissie van de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA), die optrad namens drie producenten van rijwielen in de Unie, een verzoek ontvangen om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking, door de invoer van rijwielen uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, van de antidumpingmaatregelen ingesteld bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad van 3 oktober 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009 (PB 2011, L 261, blz. 2).
7
Op 25 september 2012 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 875/2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij uitvoeringsverordening nr. 990/2011 van de Raad ingestelde antidumpingrechten, door de invoer van rijwielen verzonden vanuit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie (PB 2012, L 258, blz. 21) vastgesteld.
8
Op 26 september 2012 heeft de Commissie Chin Haur, een in Indonesië gevestigde vennootschap die rijwielen uitvoert naar de Unie, in kennis gesteld van de opening van dit onderzoek en haar een aanvraagformulier voor vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van de basisverordening toegestuurd. Aan Chin Haur is gevraagd, dat formulier uiterlijk op 2 november 2012 ingevuld terug te sturen. Op 5 november 2012 heeft Chin Haur haar antwoord bij de Commissie ingediend. Op een aantal verzoeken van deze instelling heeft Chin Haur op 3 en 4 december 2012 een aantal documenten overgelegd ter aanvulling van haar antwoord.
9
Op 6 en 7 december 2012 heeft de Commissie een controlebezoek verricht in de lokalen van Chin Haur. Tijdens dit bezoek heeft Chin Haur de Commissie een herziene versie van het door haar ingediende aanvraagformulier voor vrijstelling voorgelegd.
10
Op 28 januari 2013 heeft de Commissie Chin Haur meegedeeld dat zij van plan was artikel 18 van de basisverordening op haar toe te passen. Op 4 februari 2013 heeft Chin Haur haar opmerkingen daarover ingediend.
11
Op 21 maart 2013 heeft de Commissie Chin Haur en de Indonesische en Chinese autoriteiten een algemene mededeling toegestuurd met daarin haar conclusies inzake verzending na overlading en assemblage, waarin zij te kennen gaf dat zij van plan was, uitbreiding van de ten aanzien van de invoer van rijwielen uit China ingestelde antidumpingmaatregelen tot invoer uit Indonesië voor te stellen. Met dit document wees deze instelling ook het door Chin Haur ingediende verzoek tot vrijstelling af, met name op grond dat de door deze laatste verstrekte informatie onvoldoende betrouwbaar was.
12
Op 29 mei 2013 heeft de Raad de litigieuze verordening vastgesteld.
13
In de overwegingen 28 tot en met 33 van deze verordening heeft de Raad met betrekking tot de mate van medewerking van de Indonesische vennootschappen, zakelijk weergegeven, verklaard dat slechts drie van de vier Indonesische vennootschappen die een verzoek tot vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van de basisverordening hadden ingediend, konden worden geacht te hebben meegewerkt, en dat de bevindingen betreffende de vierde vennootschap dus overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens waren gebaseerd.
14
In overweging 58 van die verordening is de Raad tot de bevinding gekomen dat er sprake was van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening.
15
In de overwegingen 59 tot en met 67 van de litigieuze verordening heeft de Raad de aard van de aan deze verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen dit derde land en de Unie ten grondslag liggende ontwijkingspraktijken geanalyseerd.
16
Met betrekking tot de praktijk van verzending na overlading wordt in de overwegingen 61, 62 en 64 van deze verordening het volgende gezegd:
„(61)
Voor drie van deze vier ondernemingen is uit het onderzoek niets gebleken van overladingspraktijken.
(62)
Wat de vierde onderneming betreft, was het gerechtvaardigd om artikel 18 van de basisverordening toe te passen, zoals opgemerkt in de overwegingen 29 tot en met 33. Het onderzoek bracht aan het licht dat de onderneming niet over voldoende uitrusting beschikte om de omvang van de uitvoer naar de Unie in de [referentieperiode] te kunnen rechtvaardigen en – bij gebrek aan andere rechtvaardigingen – kan worden geconcludeerd dat de onderneming betrokken was bij ontwijking van het antidumpingrecht door overlading.
[…]
(64)
Gezien de conclusie in overweging 58 inzake de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening, gezien de in overweging 61 bedoelde bevindingen aangaande een van de Indonesische ondernemingen, en gezien het feit dat niet alle Indonesische producenten/exporteurs zich kenbaar maakten en medewerking verleenden, wordt de verzending van producten van oorsprong uit de [Volksrepubliek China] na overlading in Indonesië als bevestigd beschouwd.”
17
Vervolgens heeft de Raad in de overwegingen 65 tot en met 67 van die verordening verklaard dat niet kon worden vastgesteld dat assemblage in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening plaatsvond.
18
In de overwegingen 92, 96 en 102 van diezelfde verordening heeft de Raad, ten eerste, het ontbreken van een andere grond of economische rechtvaardiging dan het voornemen de geldende antidumpingmaatregelen te ontwijken, ten tweede, de neutralisering van de corrigerende werking van deze maatregelen, en ten derde, het bestaan van dumping ten opzichte van de eerder bepaalde normale waarde vastgesteld.
19
In die omstandigheden is de Raad in overweging 115 van de litigieuze verordening tot de bevinding gekomen dat er sprake was van ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening, door verzending na overlading via Indonesië.
20
Bij artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening is het bij artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 990/2011 ingestelde definitieve antidumpingrecht van 48,5 % uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit dit land. In artikel 1, lid 3, van deze verordening is bepaald dat het uitgebreide recht wordt geïnd op diezelfde ingevoerde producten die zijn geregistreerd overeenkomstig verordening nr. 875/2012.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
21
Bij een op 9 augustus 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Chin Haur een beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening, voor zover deze bepalingen op haar betrekking hebben.
22
Bij een op 17 oktober 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 11 november 2013 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie.
23
Bij een op 19 maart 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft Maxcom Ltd verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 16 juli 2014 heeft de Zevende kamer van het Gerecht dit verzoek toegewezen.
24
Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring heeft Chin Haur drie middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van artikel 13, lid 1, en artikel 18, lid 1, van de basisverordening. In het eerste onderdeel van dit middel kwam Chin Haur op tegen de bevinding van de Raad betreffende het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer. In het tweede onderdeel van dit middel kwam zij op tegen de vaststelling van de Raad, met name in overweging 62 van de litigieuze verordening, dat zij verzending na overlading had verricht. Het tweede middel was ontleend aan schending van artikel 18 van de basisverordening en van het evenredigheidsbeginsel en aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, en was gericht tegen de overwegingen van de Raad betreffende het gebrek aan medewerking van Chin Haur. Het derde middel was ontleend aan schending van artikel 13, lid 1, van die verordening en van het beginsel van gelijke behandeling. Het was gericht tegen de overwegingen van de Raad betreffende het bestaan van dumping.
25
De Raad heeft aangevoerd dat het beroep tot nietigverklaring in zijn geheel niet-ontvankelijk was.
26
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de argumenten van de Raad betreffende de ontvankelijkheid van het beroep afgewezen. Ten gronde heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel en het tweede en het derde middel dat Chin Haur ter ondersteuning van haar beroep had aangevoerd, ongegrond verklaard.
27
Het tweede onderdeel van het eerste middel heeft het Gerecht echter aanvaard. Ter ondersteuning van dit onderdeel had Chin Haur drie grieven geformuleerd. Met betrekking tot de eerste grief, onjuiste beoordeling in overweging 62 van de litigieuze verordening, heeft het Gerecht in de eerste plaats, in de punten 81 tot en met 94 van het bestreden arrest, de door Chin Haur in de loop van het onderzoek meegedeelde elementen geanalyseerd. Het Gerecht is daarbij tot de bevinding gekomen dat deze elementen niet aannemelijk maakten dat Chin Haur wel degelijk een exporteur van rijwielen van oorsprong uit Indonesië was of voldeed aan de criteria van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.
28
In de tweede plaats heeft het Gerecht, in de punten 95 tot en met 103 van dat arrest, de elementen onderzocht waarover de Raad beschikte voor zijn bevinding dat er sprake was van verzending na overlading. In de punten 95 en 104 van dat arrest heeft het geoordeeld dat, gelet op die elementen, die instelling niet over voldoende aanwijzingen beschikte om in overweging 62 van de litigieuze verordening op goede gronden tot de slotsom te komen dat Chin Haur niet over voldoende productiecapaciteit beschikte voor haar naar de Unie uitgevoerde hoeveelheden en bijgevolg verzending na overlading verrichtte. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 103 van datzelfde arrest gepreciseerd, dat ook al had Chin Haur niet aangetoond dat zij een exporteur uit Indonesië was of voldeed aan de criteria van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, daaruit niet voortvloeide dat zij verzending na overlading had verricht.
29
In de derde plaats heeft het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest geoordeeld dat inderdaad niet kon worden uitgesloten dat Chin Haur verzending na overlading had verricht als een van de praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor er, afgezien van de instelling van het aanvankelijke antidumpingrecht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening. Volgens het Gerecht kon de Raad echter uit het feit dat Chin Haur niet had weten aan te tonen dat zij wel degelijk een Indonesische producent was of voldeed aan de criteria van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, niet automatisch afleiden dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte, aangezien de basisverordening of de rechtspraak niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet.
30
Het Gerecht heeft dan ook vastgesteld dat het tweede onderdeel van het eerste middel diende te worden aanvaard zonder dat de andere door Chin Haur geformuleerde grieven dienden te worden behandeld.
31
Om die reden heeft het Gerecht artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening nietig verklaard voor zover het Chin Haur betreft.
Conclusies van partijen en procedure bij het Hof
32
Met haar hogere voorziening in zaak C‑247/15 P verzoekt Maxcom het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen, wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft;
—
het eerste door Chin Haur voor het Gerecht aangevoerde middel volledig te verwerpen;
—
Chin Haur te verwijzen in de kosten die Maxcom in het kader van de hogere voorziening en van haar interventie voor het Gerecht zijn opgekomen.
33
Met haar hogere voorziening in zaak C‑253/15 P verzoekt de Commissie het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen, het beroep in eerste aanleg te verwerpen en Chin Haur te verwijzen in de kosten, en,
—
subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen en de beslissing over de kosten van de twee instanties aan te houden.
34
Met zijn hogere voorziening in zaak C‑259/15 P verzoekt de Raad het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen, het beroep in eerste aanleg te verwerpen en Chin Haur te verwijzen in de kosten die de Raad in het kader van de twee instanties zijn opgekomen, en,
—
subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen en de beslissing over de kosten van de twee instanties aan te houden.
35
In haar in de gevoegde zaken C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P neergelegde memorie van antwoord verzoekt Chin Haur het Hof:
—
de hogere voorzieningen tegen het bestreden arrest volledig af te wijzen;
—
subsidiair, artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover deze bepalingen het op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China ingestelde antidumpingrecht uitbreiden tot Chin Haur en het door deze laatste geformuleerde verzoek tot vrijstelling afwijzen;
—
Maxcom, de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten die Chin Haur in het kader van de twee instanties zijn opgekomen, en
—
alle andere maatregelen te treffen die het Hof zal vermenen te behoren.
36
Bij beschikking van de president van het Hof van 4 augustus 2015 zijn de zaken C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Hogere voorzieningen
37
Met hun ter ondersteuning van hun respectieve hogere voorzieningen aangevoerde middelen komen Maxcom, de Raad en de Commissie op tegen de vaststelling door het Gerecht dat de Raad niet tot de bevinding kon komen dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte, op grond waarvan deze rechterlijke instantie het beroep heeft aanvaard en de litigieuze verordening ten dele nietig heeft verklaard. Deze middelen overlappen elkaar grotendeels en kunnen in wezen worden samengebracht in drie groepen.
38
Ten eerste voeren Maxcom, de Raad en de Commissie, zakelijk weergegeven, aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. Ten tweede stellen de Raad en de Commissie dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd en dat de motivering ervan tegenstrijdigheden bevat. De Raad voert ook aan dat het Gerecht de voor hem aangedragen feiten onjuist heeft opgevat. Ten derde betoogt de Commissie dat het Gerecht haar procedurele rechten heeft geschonden.
Argumenten van partijen
39
De eerste groep van middelen is gericht tegen de punten 95 tot en met 105 van het bestreden arrest. Maxcom, de Raad en de Commissie zijn, zakelijk weergegeven, van mening dat deze punten onjuiste rechtsopvattingen bevatten doordat het Gerecht artikel 13, lid 1, van de basisverordening niet juist heeft toegepast.
40
In de eerste plaats verwijten Maxcom en de Commissie het Gerecht, te hebben geoordeeld dat de Raad op basis van de vaststelling dat Chin Haur geen echte Indonesische producent van rijwielen was en geen assemblage verrichte die de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening genoemde drempels overschreed, niet tot de slotsom kon komen dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte. Ten eerste stelt Maxcom dat in omstandigheden als die in de onderhavige zaak, waar Chin Haur onderdelen van Chinese oorsprong heeft ingevoerd en rijwielen naar de Unie heeft uitgevoerd zonder aan te tonen dat zij een producent is of dat haar assemblage de in artikel 13, lid 2, van die verordening bepaalde drempels overschrijdt, niet tot de slotsom kan worden gekomen dat er sprake is van verzending na overlading. Ten tweede is Maxcom van mening dat het Gerecht Chin Haur „beloont” voor het verstrekken van onvolledige, tegenstrijdige en oncontroleerbare informatie. Ten derde verklaart Maxcom dat het oordeel van het Gerecht niet in overeenstemming is met het doel van de basisverordening en evenmin met de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke de met het voeren van antidumpingonderzoeken en het vaststellen van antidumpingmaatregelen belaste instellingen van de Unie (hierna: „instellingen van de Unie”) in het kader van deze onderzoeken een ruime discretionaire bevoegdheid genieten.
41
In de tweede plaats betogen de Raad en de Commissie dat het Gerecht ten onrechte van de instellingen van de Unie heeft geëist dat zij aantonen dat elke producent-exporteur in het land waarop het onderzoek betrekking heeft, verzending na overlading verricht, en dat het daardoor de bewijslast heeft omgekeerd. Ten eerste zou artikel 13, lid 1, van de basisverordening de instellingen van de Unie immers verplichten een analyse te verrichten op het niveau van het land en niet op het niveau van de individuele exporteurs, waarbij laatstgenoemde analyse door de producenten-exporteurs dient te worden verricht. Ten tweede zou een dergelijke uitlegging artikel 13, lid 4, van de basisverordening elke betekenis ontnemen. Ten derde zou het Gerecht het begrip „ontwijkingspraktijk” hebben verward met een van de uitingen daarvan, namelijk verzending na overlading. Ten vierde zou de eis van individuele vaststelling van verzending na overlading voorbijgaan aan de rechtspraak van het Hof volgens welke de instellingen van de Unie over een ruime beoordelingsmarge beschikken voor de vaststelling of er sprake is van ontwijking. Ten vijfde zou het Gerecht in het kader van de beoordeling van de verschillende voor hem aangevoerde middelen tot nietigverklaring kennelijk tegenstrijdige uitleggingen van het begrip „ontwijkingspraktijk” hebben gehanteerd.
42
In de derde plaats betogen Maxcom, de Raad en de Commissie, dat ook al zou de bevinding van de Raad betreffende het bestaan van verzending na overlading onjuist zijn, de nietigverklaring van de litigieuze verordening daarom nog niet gerechtvaardigd was. Volgens Maxcom is het immers vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste rechtsopvatting slechts een rechtvaardigingsgrond voor nietigverklaring van de betrokken handeling is, indien zonder die onjuiste opvatting de algemene beoordeling een andere uitkomst had gehad. Verder herinneren de Raad en de Commissie eraan dat het bestreden arrest overweging 62 van deze verordening laakt, die specifiek betrekking heeft op Chin Haur. Uit de overwegingen 63 en 64 van die verordening zou echter blijken dat het bestaan van verzending na overlading via Indonesië niet uitsluitend is gebaseerd op de vaststelling dat Chin Haur zich schuldig maakte aan een dergelijke praktijk. De Commissie stelt dan ook dat de Raad, ook al had hij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading, op basis van het bewijsmateriaal betreffende de andere Indonesische producenten-exporteurs en betreffende de verandering in de structuur van het handelsverkeer, op goede gronden tot de slotsom kon komen dat er verzending na overlading plaatsvond in Indonesië.
43
Chin Haur bestrijdt deze argumenten.
44
Om te beginnen voert Chin Haur aan dat, voor zover de argumenten van Maxcom, de Raad en de Commissie zijn gericht tegen de bevindingen van het Gerecht dat er niet voldoende bewijs was dat zij verzending na overlading verrichtte, deze argumenten betrekking hebben op de beoordeling van de feiten door het Gerecht en dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
45
Primair stelt Chin Haur in de eerste plaats dat Maxcom, de Raad en de Commissie zich vergissen in de draagwijdte van de bevinding van het Gerecht. Ten eerste zou het Gerecht in het bestreden arrest alleen verklaren dat de bewijslast ter zake van het bestaan van verzending na overlading op de instellingen van de Unie rust, en erop wijzen dat in het onderhavige geval deze instellingen die bewijsplicht niet zijn nagekomen. De Raad en de Commissie zouden deze procedurele regel trachten te omzeilen door een onderscheid te maken tussen ontwijking op het niveau van het land, waarvoor de bewijslast op de Raad zou rusten, en ontwijking op het niveau van de exporteur, waarvoor de bewijslast op de exporteur zou rusten. Deze modus operandi zou in het onderhavige geval niet ter zake dienend zijn omdat de Raad zelf in de litigieuze verordening deze twee analyses heeft gefuseerd.
46
Ten tweede voert Chin Haur aan dat, anders dan de Raad en de Commissie stellen, het Gerecht niet beslist dat de instellingen van de Unie moeten aantonen dat elke individuele producent-exporteur verzending na overlading verricht. Het Gerecht zou alleen eisen dat deze instellingen het bewijs aandragen voor hun stelling dat de rijwielen na overlading zijn verzonden via Indonesië omdat door de Chin Haur uitgevoerde rijwielen na overlading zijn verzonden.
47
Ten derde is Chin Haur van mening dat, ook al heeft het Hof in het arrest Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154) geoordeeld dat de instellingen van de Unie zich in geval van niet-medewerking op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen mogen baseren, deze instellingen in het onderhavige geval ter zake van het bestaan van verzending na overlading niet over een dergelijke bundel aanwijzingen voor het bestaan van verzending na overlading beschikten.
48
Ten vierde voert Chin Haur aan dat de stelling dat het Gerecht het begrip „ontwijkingspraktijk” heeft verward met een van de uitingen daarvan, namelijk verzending na overlading, geen enkele zin heeft. Indien het Gerecht de litigieuze verordening nietig heeft verklaard op grond dat de instellingen van de Unie het bestaan van verzending na overlading niet hadden aangetoond, is dat volgens haar omdat verzending na overlading volgens die instellingen de enige ontwijkingspraktijk was die in Indonesië werd toegepast.
49
In de tweede plaats is Chin Haur van mening dat het Gerecht de litigieuze verordening nietig mocht verklaren op grond dat de Raad het bestaan van verzending na overlading door de Chin Haur niet geldig had vastgesteld. Anders dan Maxcom, de Raad en de Commissie stellen, zou de Raad in de litigieuze verordening niet hebben vastgesteld dat andere Indonesische producenten dan Chin Haur verzending na overlading verrichtten. In de litigieuze verordening zou alleen worden vastgesteld dat sommige van deze producenten, die een klein gedeelte van de totale productie vertegenwoordigden, niet hadden meegewerkt. Gelet op de rechtspraak van het Hof, mocht de Raad of de Commissie zich er echter niet toe beperken het bestaan van verzending na overlading af te leiden uit het enkele feit dat individuele producenten-exporteurs geen medewerking verleenden.
Beoordeling door het Hof
Ontvankelijkheid
50
Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof deze rechterlijke instantie niet bevoegd is om de feiten vast te stellen en in beginsel evenmin om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht voor deze feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen volgens de regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem overgelegde bewijzen. Die beoordeling vormt dus geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van die bewijzen.
51
De gestelde schending van de toepasselijke bewijsregels vormt echter een rechtsvraag die in hogere voorziening ontvankelijk is (arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 44).
52
Met de grieven die Maxcom, de Raad en de Commissie ter ondersteuning van de onderhavige groep van middelen formuleren, verwijten zij het Gerecht in wezen, te zijn voorbijgegaan aan de regels inzake de bewijslast en inzake de bewijsmaatstaf die in artikel 13, lid 1, van de basisverordening voor het aannemelijk maken van het bestaan van ontwijking wordt geëist. Bijgevolg kan het door Chin Haur aan de niet-ontvankelijkheid van de onderhavige groep van middelen ontleende argument niet worden aanvaard.
Ten gronde
– Voorafgaande opmerkingen
53
Alle door Maxcom, de Raad en de Commissie in het kader van de eerste groep van middelen geformuleerde grieven betreffen de bewijslast en de vereiste bewijsmaatstaf inzake ontwijking in omstandigheden waarin een aantal betrokken producenten-exporteurs niet of niet-voldoende aan het onderzoek hebben meegewerkt.
54
In dat verband dient er allereerst aan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Wat vervolgens de bewijslast ter zake van ontwijking betreft, is volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening het bestaan van ontwijking van de antidumpingmaatregelen aangetoond wanneer aan vier voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er sprake zijn van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen een derde land en de Unie of tussen individuele vennootschappen in het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en de Unie. Ten tweede moet die verandering het gevolg zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Ten derde moeten er elementen zijn die aannemelijk maken dat de bedrijfstak van de Unie schade lijdt of dat de corrigerende werking van het antidumpingrecht wordt ondermijnd. Ten vierde moeten er bewijzen zijn voor het bestaan van dumping.
56
Volgens artikel 13, lid 3, van deze verordening staat het aan de Commissie, een onderzoek te openen op basis van bewijsmateriaal dat op het eerste gezicht laat vermoeden dat er sprake is van ontwijking. Volgens de rechtspraak van het Hof geeft deze bepaling uitdrukking aan het beginsel dat de bewijslast inzake ontwijking op de instellingen van de Unie rust (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 35).
57
Bovendien volgt uit de bewoordingen en de opzet van artikel 13 van de basisverordening dat deze instellingen, om het bestaan van ontwijking te bewijzen, een globale analyse dienen te maken betreffende het derde land waarop het ontwijkingsonderzoek in zijn geheel betrekking heeft. Het is daarentegen niet hun taak om ten bewijze van een dergelijke ontwijking een analyse te maken van de situatie van iedere individuele producent-exporteur; het staat immers aan die individuele producenten-exporteurs om een dergelijke analyse te maken in het kader van hun op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening geformuleerde verzoeken.
58
In artikel 13, lid 1, van de basisverordening wordt immers bepaald dat, wanneer ontwijking van de antidumpingmaatregelen is aangetoond, die maatregelen met name kunnen worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten uit derde landen. Voorts biedt artikel 13, lid 4, van deze verordening de in dit derde land gevestigde producenten-exporteurs de mogelijkheid om vrijstelling te verkrijgen, indien zij daarom hebben verzocht, geen enkele relatie hebben met de producent waarop die maatregelen van toepassing zijn, en hebben aangetoond dat zij niet betrokken waren bij ontwijking. Volgens deze bepaling moeten de verzoeken tot vrijstelling naar behoren worden gemotiveerd.
59
Volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening moeten, zoals de Raad en de Commissie opmerken, de instellingen van de Unie het bestaan van ontwijking van de antidumpingmaatregelen aantonen voor het gehele derde land, en staat het aan iedere individuele producent-exporteur, aan te tonen dat zijn specifieke situatie de toekenning van vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening rechtvaardigt.
60
Wat ten slotte de bewijsmaatstaf betreft die is vereist om het bestaan van ontwijking aan te tonen in een geval waarin een aantal producenten-exporteurs niet of onvoldoende hebben meegewerkt, dient eraan te worden herinnerd dat geen enkele bepaling van de basisverordening de Commissie in het kader van een onderzoek naar ontwijking de bevoegdheid verleent om de producenten of exporteurs die het voorwerp van een klacht zijn, te dwingen deel te nemen aan het onderzoek of inlichtingen te verstrekken. De Commissie is voor verstrekking van de nodige informatie dus afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de belanghebbenden (arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co, C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 32).
61
Om die reden heeft de Uniewetgever in artikel 18, lid 1, van de basisverordening bepaald dat, indien een belanghebbende de toegang tot de nodige informatie weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, kunnen worden getrokken (arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co, C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 33).
62
Artikel 18, lid 6, van die verordening voegt daaraan toe dat, indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent, waardoor relevante inlichtingen worden achtergehouden, dit tot gevolg kan hebben dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig uitvallen dan indien deze wel medewerking had verleend.
63
In omstandigheden die werden gekenmerkt door een volledig gebrek aan medewerking van de producenten-exporteurs, heeft het Hof geoordeeld dat, ofschoon het volgens de basisverordening, en in het bijzonder artikel 13, lid 3, daarvan, in beginsel aan de instellingen van de Unie staat om ontwijking te bewijzen, artikel 18, leden 1 en 6, van de basisverordening duidelijk een versoepeling van die bewijslast beoogt, voor zover daarin is bepaald dat die instellingen de conclusies van een onderzoek naar het bestaan van ontwijking mogen baseren op de beschikbare gegevens, en dat de resultaten voor de partijen die niet hebben meegewerkt, minder gunstig kunnen zijn dan ingeval zij aan dat onderzoek hadden meegewerkt (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 35).
64
Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat uit artikel 18 van de basisverordening blijkt dat de Uniewetgever geen wettelijk vermoeden heeft willen invoeren volgens hetwelk uit de niet-medewerking van de belanghebbende of betrokken partijen rechtstreeks het bestaan van ontwijking kan worden afgeleid, en op de instellingen van de Unie bijgevolg geen bewijslast rust. Gezien de mogelijkheid om, zelfs definitieve, conclusies te trekken aan de hand van de beschikbare gegevens en de partij die geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent, minder gunstig te behandelen dan indien zij haar medewerking had verleend, is het echter eveneens duidelijk dat de instellingen van de Unie zich mogen baseren op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen om ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening vast te stellen (arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co, C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 36).
65
Elke andere oplossing zou de doeltreffendheid van de beschermende handelsmaatregelen van de Unie in het gedrang kunnen brengen telkens wanneer de instellingen van de Unie geen medewerking krijgen in het kader van een onderzoek tot vaststelling van ontwijking (arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co, C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 37).
66
In het onderhavige geval hebben niet alle producenten-exporteurs, maar slechts een aantal ervan, niet meegewerkt. Welnu, enerzijds staan de bewoordingen van artikel 13, lid 1, van de basisverordening niet eraan in de weg dat de instellingen van de Unie het bestaan van ontwijking van de antidumpingmaatregelen vaststellen aan de hand van een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen ingeval producenten-exporteurs die een significant deel van de invoer van het betrokken product in de Unie vertegenwoordigen, niet of niet voldoende aan het onderzoek hebben meegewerkt. Anderzijds rechtvaardigt de noodzaak, de doeltreffendheid van de beschermende handelsmaatregelen te waarborgen, ook in omstandigheden als die in de onderhavige zaak, dat die instellingen zich op een dergelijke bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen baseren om tot de bevinding te komen dat er sprake is ontwijking in de zin van deze bepaling.
67
Dat de instellingen van de Unie zich op een dergelijke bundel aanwijzingen mogen baseren, neemt echter niet weg dat volgens artikel 13, leden 1 en 3, van de basisverordening die aanwijzingen aannemelijk moeten maken dat aan de vier in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden is voldaan. Zo moeten deze instellingen ter zake van de tweede voorwaarde beschikken over elementen die aannemelijk maken dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg is van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat.
– Onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening
68
Tegen de achtergrond van de hierboven geformuleerde overwegingen dient te worden uitgemaakt of, zoals Maxcom, de Raad en de Commissie stellen, het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening door in punt 105 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad niet tot de slotsom kon komen dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte, en vervolgens het beroep te aanvaarden en artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover het betrekking had op deze vennootschap.
69
Zakelijk weergegeven voeren Maxcom, de Raad en de Commissie ten eerste aan dat, anders dan het Gerecht heeft verklaard, de Raad het bestaan van dergelijke verzending na overlading op goede gronden heeft kunnen afleiden uit de vaststelling dat Chin Haur geen echte Indonesische producent van rijwielen was en geen assemblage verrichtte die de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening bepaalde drempels overschreed. Ten tweede verwijten zij het Gerecht, van de instellingen van de Unie te hebben geëist dat deze aantonen dat iedere producent-exporteur in het land waarop het onderzoek betrekking heeft, verzending na overlading verricht, en daardoor de bewijslast te hebben omgekeerd. Ten derde stellen zij, dat ook al zou de bevinding van de Raad betreffende het bestaan van verzending na overlading onjuist zijn geweest, de nietigverklaring van de litigieuze verordening daarom nog niet gerechtvaardigd was.
70
Met deze argumenten komen Maxcom, de Raad en de Commissie op tegen de redenering die het Gerecht in de punten 95 tot en met 105 van het bestreden arrest heeft gevolgd. Het Gerecht heeft daarin geoordeeld dat de Raad niet over voldoende aanwijzingen beschikte om in overweging 62 van de litigieuze verordening te verklaren dat Chin Haur onvoldoende productiecapaciteit had voor de naar de Unie uitgevoerde hoeveelheden en dus verzending na overlading verrichtte. Deze slotsom berust op een dubbele vaststelling. Enerzijds heeft het Gerecht, in de punten 96 tot en met 102 van dit arrest, de aanwijzingen waarover de Raad beschikte, grondig onderzocht en aan het einde van dat onderzoek vastgesteld dat die aanwijzingen het bestaan van verzending na overlading niet aannemelijk maakten. Anderzijds heeft het Gerecht, in punt 103 van dat arrest, erop gewezen dat de Raad zijn redenering ook heeft gebaseerd op het feit dat Chin Haur niet aannemelijk had gemaakt dat zij wel degelijk een Indonesische producent was of dat zij voldeed aan de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening neergelegde criteria. Volgens het Gerecht kan uit deze vaststelling echter niet voortvloeien dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte.
71
Wat in de eerste plaats het argument inzake de eis van een individuele analyse van de verzending na overlading betreft – dat meteen al dient te worden onderzocht – blijkt uit het voorgaande punt van het onderhavige arrest dat de gedeeltelijke nietigverklaring door het Gerecht berust op de vaststelling van een vergissing in overweging 62 van de litigieuze verordening, die specifiek betrekking heeft op de verzending na overlading die Chin Haur zou hebben verricht. Deze overweging 62 maakt deel uit van het onderdeel „verzending na overlading” van deze verordening, dat aan de tweede van de vier in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden is gewijd.
72
In dat onderdeel heeft de Raad allereerst, in overweging 61 van de litigieuze verordening, verklaard dat voor drie van de vier aanvankelijk medewerkende vennootschappen uit het onderzoek niets van verzending na overlading was gebleken. Vervolgens heeft de Raad, in overweging 62 van deze verordening, geoordeeld dat, wat de vierde vennootschap, te weten Chin Haur, betreft, de toepassing van artikel 18 van de basisverordening gerechtvaardigd was. Verder heeft hij gepreciseerd dat het onderzoek aan het licht had gebracht dat deze vennootschap niet over voldoende uitrusting beschikte om de omvang van de uitvoer naar de Unie in de referentieperiode te kunnen rechtvaardigen. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat bij gebrek aan andere rechtvaardigingen kon worden geconcludeerd dat die vennootschap betrokken was bij ontwijking door verzending na overlading. Ten slotte heeft de Raad in overweging 64 van de litigieuze verordening geoordeeld dat het bestaan van verzending na overlading van producten van oorsprong uit China via Indonesië als bevestigd wordt beschouwd. Hij heeft zich daarvoor gebaseerd op de conclusie in overweging 58 van die verordening, betreffende het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie, op de vaststellingen aangaande Chin Haur in overweging 62 van de litigieuze verordening en op het feit dat niet alle Indonesische producenten-exporteurs zich kenbaar hadden gemaakt en medewerking hadden verleend.
73
Daardoor heeft de Raad, zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie heeft beklemtoond, om te bewijzen dat aan de tweede van de vier in punt 55 van het onderhavige arrest beschreven voorwaarden was voldaan, zich met name op elementen betreffende Chin Haur als individuele producent-exporteur gebaseerd ter onderbouwing van zijn slotsom met betrekking tot Indonesië in zijn geheel.
74
In die omstandigheden dient met Chin Haur te worden vastgesteld dat het Gerecht, door de litigieuze verordening ten dele nietig te verklaren wegens een onregelmatigheid in overweging 62 van de litigieuze verordening, niet van de instellingen van de Europese Unie heeft geëist dat deze aantonen dat iedere individuele producent-exporteur verzending na overlading verricht, en evenmin de bewijslast heeft omgekeerd. Het Gerecht heeft alleen rekening gehouden met het feit dat de vaststelling van het bestaan van verzending na overlading op het niveau van het land in overweging 64 van deze verordening met name was gebaseerd op de vaststelling daarvan betreffende Chin Haur in overweging 62 van die verordening en heeft daarbij impliciet geoordeeld dat onrechtmatigheid van de eerste vaststelling de onrechtmatigheid van de tweede vaststelling met zich meebracht.
75
Mitsdien kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht dienaangaande blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bijgevolg moet het onderhavige argument ongegrond worden verklaard.
76
Wat in de tweede plaats de onjuiste rechtsopvattingen betreft die de slotsom van het Gerecht betreffende overweging 62 van de litigieuze verordening zouden aantasten, dient te worden nagegaan of de in punt 70 van het onderhavige arrest vermelde dubbele vaststelling waarop deze rechterlijke instantie zich heeft gebaseerd om tot die slotsom te komen, op een onjuiste toepassing in rechte van artikel 13, lid 1, van de basisverordening berust.
77
Ten eerste is het waar dat, zoals het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, uit het feit alleen dat Chin Haur niet heeft weten aan te tonen dat zij wel degelijk een Indonesische producent van rijwielen was of dat zij voldeed aan de criteria van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, niet kan voortvloeien dat deze vennootschap betrokken was bij verzending na overlading.
78
Zoals uit de punten 64 en 67 van het onderhavige arrest blijkt, bestaat er enerzijds immers geen enkel wettelijk vermoeden op grond waarvan uit het gebrek aan medewerking van een belanghebbende rechtstreeks kan worden afgeleid dat er sprake is van ontwijking van de antidumpingmaatregelen, en moeten anderzijds de instellingen van de Unie beschikken over aanwijzingen die aannemelijk maken dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer een gevolg is van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat.
79
Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de door het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest gedane vaststelling op een onjuiste rechtsopvatting berust.
80
Met betrekking tot, ten tweede, de vaststelling van het Gerecht inzake de aanwijzingen waarover de Raad beschikte, volgt uit punt 66 van het onderhavige arrest dat deze instelling zich in het onderhavige geval op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen mocht baseren om tot de slotsom te komen dat er op het niveau van Indonesië sprake was van ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening.
81
Op dezelfde wijze en om dezelfde redenen als die welke in de punten 63 tot en met 66 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, mogen de instellingen van de Unie, zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zich op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen baseren om tot de slotsom te komen dat een individuele producent-exporteur die niet of niet voldoende aan het ontwijkingsonderzoek heeft meegewerkt, zich schuldig maakt aan ontwijking.
82
Aangezien vaststaat dat Chin Haur onvoldoende aan het onderzoek heeft meegewerkt, zoals uit punt 86 van het bestreden arrest blijkt, mocht de Raad zich in het onderhavige geval op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen baseren om tot de slotsom te komen dat deze vennootschap de antidumpingmaatregelen ontweek.
83
Uit de punten 96 tot en met 102 van het bestreden arrest blijkt echter dat de Raad zich voor de in overweging 62 van de litigieuze verordening gedane vaststelling heeft gebaseerd op een aantal feitelijke elementen die de gemachtigden van de Commissie tijdens het controlebezoek in de lokalen van Chin Haur hadden verzameld. In punt 97 van dat arrest heeft het Gerecht in het bijzonder de volgende elementen genoemd: Chin Haur beschikte niet over de nodige machines om voldoende onderdelen voor de aangegeven hoeveelheden te produceren; bepaalde machines voor de productie waren nieuw of recentelijk niet gebruikt; Chin Haur had geen snijmachine en geen soldeermachine; tijdens dat bezoek is het niet mogelijk geweest de grondstoffen voor de metalen velgen en onafgewerkte frames te zien; in de lokalen van Chin Haur werden kisten aangetroffen met volledige rijwielen met de vermelding „vervaardigd in Indonesië”, waarop de Chinese leverancier van Chin Haur niet was vermeld, en andere dozen met frames zonder vermelding van de oorsprong ervan; de in de lokalen van Chin Haur geziene frames waren geleverd door toeleveranciers en waren reeds geverfd; de werknemers van Chin Haur waren niet in staat uitleg te verstrekken over het productieproces.
84
Het Gerecht heeft echter geoordeeld dat deze elementen niet van dien aard waren dat zij aantoonden dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte, doch heeft tegelijkertijd in punt 100 van dat arrest erkend dat een aantal elementen, zoals het feit dat de Chinese leverancier van Chin Haur nergens werd vermeld, of dat bepaalde dozen frames zonder vermelding van de oorsprong ervan bevatten, ertoe bijdroegen te twijfelen aan de werkelijke activiteiten van deze vennootschap, welke twijfel nog werd versterkt door het feit dat deze vennootschap heeft nagelaten de in de aanvraagformulieren voor vrijstelling verstrekte cijfers te rechtvaardigen.
85
Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Gerecht weliswaar de term „aanwijzing” gebruikt, doch tegelijkertijd verklaard dat de Raad zijn slotsom niet op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen mocht baseren, en van deze instelling geëist dat zij het rechtstreekse bewijs aandraagt dat Chin Haur daadwerkelijk verzending na overlading verrichtte, hetgeen in strijd is met de bewijsmaatstaf die wordt geëist om het bestaan van ontwijking aan te tonen ingeval de producenten-exporteurs niet meewerken.
86
Hieruit volgt dat het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 104 en 105 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad niet tot de slotsom kon komen dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte, en door vervolgens het beroep te aanvaarden en artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover het betrekking had op deze vennootschap.
87
Bijgevolg dient de eerste groep van middelen te worden aanvaard.
88
Gelet op een en ander dient het bestreden arrest te worden vernietigd zonder dat de andere in het kader van de onderhavige groep middelen aangevoerde argumenten en grieven of de andere groepen van middelen dienen te worden onderzocht.
Het beroep bij het Gerecht
89
Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dit is in casu het geval.
90
Aangezien, zoals met name uit punt 86 van het onderhavige arrest blijkt, de door het Gerecht verrichte analyse van het tweede onderdeel van het eerste middel in eerste aanleg op een onjuiste rechtsopvatting berust, dienen de drie door Chin Haur in het kader van dit onderdeel geformuleerde grieven te worden geanalyseerd.
91
Deze grieven moeten worden onderzocht tegen de achtergrond van de in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof volgens welke bij de rechterlijke toetsing alleen wordt nagegaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op basis waarvan de omstreden keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van deze feiten en of er geen misbruik van bevoegdheid is geweest.
92
De eerste door Chin Haur voor het Gerecht geformuleerde grief betreft de elementen op basis waarvan het Gerecht het tweede onderdeel van het eerste middel ten onrechte heeft aanvaard. In deze eerste grief voert Chin Haur aan dat de Raad een beoordelingsfout had gemaakt door in overweging 62 van de litigieuze verordening tot de slotsom te komen dat Chin Haur niet over voldoende productiecapaciteit beschikte om de omvang van haar uitvoer naar de Unie te kunnen rechtvaardigen.
93
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals uit de in de punten 55 tot en met 66, 81 en 82 van het onderhavige arrest voortvloeit, de op de instellingen van de Unie rustende bewijslast in het onderhavige geval was versoepeld, en deze instellingen zich dus op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen konden baseren om aan tonen dat Chin Haur zich schuldig maakte aan ontwijkingspraktijken, in het bijzonder aan verzending na overlading.
94
Enerzijds blijkt uit de feitelijke elementen waarop het Gerecht in het bijzonder in de punten 97 en 100 van het bestreden arrest heeft gewezen, dat verschillende aanwijzingen de twijfel van de Raad over de daadwerkelijke activiteiten van Chin Haur rechtvaardigden. Deze aanwijzingen zijn in de punten 83 en 84 van het onderhavige arrest in herinnering gebracht. Anderzijds staat vast dat, zoals uit punt 118 van het bestreden arrest voortvloeit, Chin Haur grote hoeveelheden rijwielen naar de Unie heeft uitgevoerd zonder de oorsprong daarvan te kunnen aantonen.
95
In die omstandigheden dient tot de conclusie te worden gekomen dat de Raad over een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen beschikte op grond waarvan hij tot de slotsom kon komen dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte.
96
Bijgevolg dient de eerste grief van het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond te worden verklaard.
97
Als tweede grief voert Chin Haur aan dat de Raad blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het bestaan van verzending na overlading af te leiden uit de enkele omstandigheid dat de structuur van het handelsverkeer was veranderd. Bovendien zou de Raad geen causaal verband tussen deze verzending na overlading en de verandering in de structuur van het handelsverkeer hebben aangetoond.
98
In dit verband dient er ten eerste op te worden gewezen dat uit overweging 64 van de litigieuze verordening voortvloeit dat de Raad het bestaan van verzending na overlading niet uitsluitend uit de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie heeft afgeleid. Zo heeft de Raad in die overweging eerst gewezen op het bestaan van een dergelijke verandering en vervolgens verklaard dat hij zich enerzijds op de vaststellingen betreffende Chin Haur en anderzijds op de niet-medewerking van een aantal Indonesische producenten-exporteurs heeft gebaseerd om het bestaan van verzending na overlading op het niveau van Indonesië als bewezen te beschouwen. Op die manier heeft hij de nodige gevolgen verbonden aan de vaststellingen in de overwegingen 62 en 63 van deze verordening, zoals blijkt uit de keuze van de uitdrukking „[p]ar conséquent” aan het begin van overweging 64 van de Franse taalversie van die verordening.
99
Welnu, zoals uit punt 95 van het onderhavige arrest blijkt berusten de vaststellingen betreffende Chin Haur niet op enige kennelijke beoordelingsfout.
100
In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de Raad, overeenkomstig de in de punten 55 tot en met 66, 81 en 82 van het onderhavige arrest geformuleerde overwegingen, over voldoende onderling overeenstemmende aanwijzingen beschikte om tot de slotsom te komen dat er op het niveau van Indonesië sprake was van ontwijking, en dienaangaande niet heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of van een kennelijk onjuiste beoordeling.
101
Wat ten tweede het argument betreft dat de Raad een fout heeft gemaakt door geen causaal verband tussen de verzending na overlading en de verandering in de structuur van het handelsverkeer aan te tonen, hoeft er slechts op te worden gewezen dat de Raad in de overwegingen 58, 64 en 92 van de litigieuze verordening een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie, het bestaan van ontwijkingspraktijken op het niveau van Indonesië en het ontbreken van een andere economische rechtvaardiging dan de instelling van het antidumpingrecht heeft aangetoond.
102
Gepreciseerd dient te worden dat, om dit ontbreken van een economische rechtvaardiging aannemelijk te maken, de Raad in beginsel nagaat of er een andere geloofwaardige uitleg bestaat voor de verandering in de structuur van het handelsverkeer en voor de ontwijkingspraktijken, hetgeen er in de praktijk op neerkomt dat wordt onderzocht of er elementen zijn die in de weg kunnen staan aan de vaststelling van het causale verband tussen deze verandering en de ontwijkingspraktijken.
103
Welnu, er dient op te worden gewezen dat het Gerecht in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel in de punten 53 tot en met 70 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting afwijzend heeft beslist op de grieven van de Chin Haur betreffende, enerzijds, de vaststelling van het Gerecht betreffende het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer, en anderzijds, het feit dat de Raad geen rekening zou hebben gehouden met andere verklaringen voor de ontwijking. Bovendien is in punt 100 van het onderhavige arrest vastgesteld dat de vaststelling betreffende het bestaan van ontwijkingspraktijken niet op een kennelijk onjuiste beoordeling berustte. In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de Raad het causale verband tussen de verzending na overlading en de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie heeft aangetoond.
104
Zoals de advocaat-generaal in punt 122 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is in elk geval geen enkel bewijs aangedragen voor de stellingen van Chin Haur dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer een gevolg kon zijn van een verhoging van de productiecapaciteit in Indonesië, van een verlegging van de Chinese uitvoer naar andere landen in Azië of van het feit dat producenten uit andere landen in Azië, zoals Indonesië, van de daling van de Chinese uitvoer naar de Unie hebben geprofiteerd om hun marktaandeel in de Unie te verhogen.
105
Bijgevolg dient de tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in eerste aanleg ongegrond te worden verklaard.
106
Als derde grief van dit middel voert Chin Haur aan dat bij ontbreken van ander bewijs de aangedragen elementen hadden moeten worden beschouwd als de beschikbare feitelijke gegevens in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening.
107
In dit verband dient er, enerzijds, op te worden gewezen dat, zoals het Gerecht met name in de punten 86 en 142 van het bestreden arrest heeft verklaard, de door Chin Haur verstrekte informatie onvolledig, tegenstrijdig en oncontroleerbaar was. Anderzijds blijkt uit de punten 95 en 100 van het onderhavige arrest dat de Raad over voldoende aanwijzingen beschikte om tot slotsom te komen dat er sprake was van verzending na overlading.
108
Bijgevolg dient de derde grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in eerste aanleg te worden afgewezen en dient beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Kosten
109
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
110
Aangezien Chin Haur in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Maxcom, de Raad en de Commissie te worden verwezen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg in zaak T‑412/13 als de hogere voorziening.
111
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.
112
Bijgevolg draagt de Commissie haar eigen kosten betreffende de procedures in hogere voorziening in de zaken C‑247/15 P en C‑259/15 P en betreffende de procedure in eerste aanleg in zaak T‑412/13. Gelet op de in punt 109 van het onderhavige arrest aangehaalde bepalingen dient Chin Haur, die in het ongelijk is gesteld, overeenkomstig de vordering van de Commissie in zaak C‑253/15 P te worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening in zaak C‑253/15 P.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 maart 2015, Chin Haur Indonesia/Raad (T‑412/13, EU:T:2015:163) wordt vernietigd.
2)
Het door Chin Haur Indonesia PT in zaak T‑412/13 bij het Gerecht van de Europese Unie ingestelde beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.
3)
Chin Haur Indonesia PT wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die Maxcom en de Raad van de Europese Unie zijn opgekomen in de procedure in eerste aanleg in zaak T‑412/13 en in de procedures in hogere voorziening.
4)
Chin Haur Indonesia PT wordt verwezen in de kosten die de Europese Commissie zijn opgekomen in zaak C‑253/15 P.
5)
De Commissie draagt haar eigen kosten betreffende de procedures in hogere voorziening in de zaken C‑247/15 P en C‑259/15 P en betreffende de procedure in eerste aanleg in zaak T‑412/13.
ondertekeningen
( *1 ) * Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy