ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
15 december 2016 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2000/35/EG — Bestrijding van betalingsachterstand — Bevoegdheid van het Hof — Transactie gesloten vóór de toetreding van de Republiek Slovenië tot de Europese Unie — Toepassingsgebied — Begrip ‚handelstransactie’ — Begrip ‚onderneming’ — Maximumbedrag van de vertragingsrente”
In zaak C‑256/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Vrhovno sodišče (hoogste rechterlijke instantie, Slovenië) bij beslissing van 19 maart 2015, ingekomen bij het Hof op 1 juni 2015, in de procedure
Drago Nemec
tegen
Republika Slovenija,
wijst HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, A. Tizzano (rapporteur), vicepresident van het Hof, M. Berger, A. Borg Barthet en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 mei 2016,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Sloveense regering, vertegenwoordigd door N. Pintar Gosenca en A. Vran als gemachtigden,
—
de Letse regering, vertegenwoordigd door A. Bogdanova en I. Kalniņš als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en M. Žebre als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juli 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2000, L 200, blz. 35).
2
Dat verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Drago Nemec en de Republika Slovenija (Republiek Slovenië) over een verzoek om vergoeding van de schade die Nemec beweerdelijk heeft geleden door de beweerde onverenigbaarheid van de nationale wettelijke regeling met richtlijn 2000/35.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
Toetredingsakte van 2003
3
Artikel 2 van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding tot de Europese Unie van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33; hierna: „Toetredingsakte van 2003”) bepaalt:
„Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen en de Europese Centrale Bank vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden waarin wordt voorzien door die Verdragen en door deze Akte.”
4
Artikel 54 van die Akte bepaalt het volgende:
„De nieuwe lidstaten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het EG-Verdrag en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag, tenzij in de in artikel 24 bedoelde bijlagen of in andere bepalingen van de onderhavige Akte of de bijlagen daarvan een andere termijn is vastgesteld.”
Richtlijn 2000/35
5
De overwegingen 7, 9, 10, 13 en 16 van richtlijn 2000/35 luiden als volgt:
„(7)
Als gevolg van buitensporige betalingstermijnen en betalingsachterstand drukken zware administratieve en financiële lasten op het bedrijfsleven, met name op het midden- en kleinbedrijf. Deze problemen zijn bovendien een belangrijke oorzaak van insolventie, die een bedreiging voor de overlevingskansen van ondernemingen vormt, en doen talrijke arbeidsplaatsen verloren gaan.
[…]
(9)
De verschillen tussen de betalingsvoorschriften en -praktijken in de lidstaten vormen een hinderpaal voor de goede werking van de interne markt.
(10)
De handelstransacties tussen lidstaten worden hierdoor aanzienlijk beperkt. Dit is strijdig met artikel 14 van het Verdrag, aangezien ondernemers overal op de interne markt onder zodanige omstandigheden zaken moeten kunnen doen dat grensoverschrijdende transacties geen grotere risico’s meebrengen dan binnenlandse transacties. […]
[…]
(13)
Deze richtlijn heeft enkel betrekking op betalingen tot vergoeding van handelstransacties en strekt niet tot regulering van transacties met consumenten, interest betreffende andere betalingen zoals betalingen uit hoofde van de wetgeving inzake cheques en wissels, of betalingen bij wijze van schadeloosstelling met inbegrip van betalingen uit hoofde van verzekeringspolissen.
[…]
(16)
Betalingsachterstand is een vorm van contractbreuk die door lage interest op achterstallige betalingen en/of door traag verlopende invorderingsprocedures in de meeste lidstaten voor de schuldenaren financieel aantrekkelijk is geworden. Een ingrijpende verandering – met inbegrip van vergoeding voor de schuldeisers van de kosten die zij hebben gemaakt – is nodig om deze tendens te keren en om ervoor te zorgen dat de gevolgen van betalingsachterstand ontmoedigend werken.”
6
Artikel 1 van die richtlijn, dat het toepassingsgebied van deze laatste omschrijft, bepaalt:
„Deze richtlijn is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.”
7
Artikel 2, punt 1, van dezelfde richtlijn bepaalt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1)
‚handelstransactie’: transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leid[t] tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding;
[…]
‚onderneming’: elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend”.
8
Artikel 3 van richtlijn 2000/35, met het opschrift „Interest in geval van betalingsachterstand”, bepaalt in lid 1:
„De lidstaten zien erop toe dat:
a)
interest overeenkomstig punt d) verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst;
[…]
c)
de schuldeiser recht heeft op interest voor betalingsachterstand voorzover:
i)
hij zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld,
ii)
hij het verschuldigde bedrag niet op tijd heeft ontvangen, tenzij de schuldenaar niet voor de vertraging verantwoordelijk is;
d)
het niveau van de interest voor betalingsachterstand (‚de wettelijke interestvoet’) die door de schuldenaar moet worden betaald, de interestvoet is die door de Europese Centrale Bank wordt gehanteerd voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie vóór de eerste kalenderdag van het betreffende halfjaar (‚de referentie-interestvoet’), vermeerderd met ten minste 7 procentpunten […], behoudens andersluidende bepalingen in het contract. Voor lidstaten die niet aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie deelnemen, is de referentie-interestvoet de door hun centrale bank vastgestelde equivalente interestvoet. […]
[…]”
9
Artikel 6 van voormelde richtlijn bevat de volgende bepalingen:
„1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen vóór 8 augustus 2002. […]
[…]
3. Bij de omzetting van deze richtlijn mogen de lidstaten uitsluiten:
[…]
b)
overeenkomsten die gesloten zijn vóór 8 augustus 2002 […]
[…]”
Sloveens recht
Voorschriften betreffende de betaling van vertragingsrente
10
Volgens artikel 277, lid 1, van de Zakon o obligacijskih razmerjih (wet op de contractuele verplichtingen) dient de schuldenaar de schuldeiser vertragingsrente over de hoofdsom te betalen indien hij het verschuldigde bedrag niet tijdig betaalt.
11
Deze wet is per 1 januari 2002 vervangen door de Obligacijski zakonik (verbintenissenwetboek), die in hoofdzaak de in het voorgaande punt van het onderhavige arrest genoemde bepaling had vervangen en in artikel 376 een nieuwe regel had ingevoerd op grond waarvan het bedrag van de vertragingsrente niet hoger kon zijn dan het bedrag van de hoofdsom (hierna: „ne ultra alterum tantum regel”).
Nijverheidsrechtelijke bepalingen
12
Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de uitoefening van een zelfstandige economische activiteit door een natuurlijke persoon ten tijde van de in het hoofdgeding relevante feiten, in juni 1993, werd beheerst door de Obrtni Zakon (nijverheidswet), in de toen geldende versie. Krachtens die wet, die nadien is gewijzigd, kon een natuurlijke persoon slechts een economische activiteit als zelfstandig ambachtsman uitoefenen indien hij houder was van een door de bevoegde instantie afgegeven vergunning waarop de betrokken activiteit vermeld stond.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Nemec is sinds 8 november 1989 houder van een vergunning om als zelfstandige werkzaam te zijn op het gebied van de bouw van mechanische onderdelen en lasonderdelen. In juni 1993 heeft hij met Gasilsko Društvo de Murska Sobota (vrijwillige brandweer van Murska Sobota; hierna: „vrijwillige brandweer”) een overeenkomst gesloten voor de verhuur aan deze laatste van een tankwagen voor watertransport bij droogte.
14
In de loop van 1996 heeft Nemec de vrijwillige brandweer gedagvaard en gevorderd dat deze hem uit hoofde van die overeenkomst het bedrag van 17669,15 EUR zou betalen.
15
Bij beslissing van 17 februari 2010 heeft de Višje sodišče v Mariboru (hof van beroep, Maribor, Slovenië) de vrijwillige brandweer veroordeeld tot betaling van een bedrag van 15061,44 EUR, vermeerderd met vertragingsrente voor het tijdvak van 25 maart 1996 tot en met 31 december 2001. Die rechterlijke instantie heeft de toekenning van vertragingsrente daarentegen geweigerd voor het tijdvak vanaf 1 januari 2002, de datum van inwerkingtreding van de ne ultra alterum tantum-regel. Het bedrag van de tot en met 31 december 2001 verschuldigde rente was namelijk al hoger dan het bedrag van de hoofdsom.
16
Op 18 mei 2010 heeft de vrijwillige brandweer het ingevolge die beslissing verschuldigde bedrag betaald.
17
Van oordeel dat de ne ultra alterum tantum-regel onverenigbaar is met richtlijn 2000/35 en dat de Višje sodišče v Mariboru zijn vordering tot betaling van vertragingsrente dus ten onrechte heeft afgewezen voor het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 18 mei 2010, heeft Nemec de Republiek Slovenië aangesproken tot vergoeding van de door die beweerde onverenigbaarheid geleden schade. Nadat de rechter in eerste aanleg dat beroep bij beslissing van 18 mei 2011, in hoger beroep bevestigd bij een beslissing van 24 januari 2012, had verworpen met de overweging dat die richtlijn op de feiten in het hoofdgeding niet van toepassing was, heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld bij de Vrhovno sodišče.
18
Deze laatste rechterlijke instantie betwijfelt of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst onder het toepassingsgebied ratione materiae van richtlijn 2000/35 valt. Meer in het bijzonder is het volgens haar de vraag of Nemec die overeenkomst heeft gesloten in de hoedanigheid van „onderneming” in de zin van artikel 2, punt 1, van die richtlijn, dat wil zeggen als organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, zodat de betrokken overeenkomst een „handelstransactie” in de zin van genoemde bepaling vormt en dus onder het toepassingsgebied van die richtlijn valt. Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst betrekking heeft op een economische activiteit en er een factuur voor is uitgereikt, heeft zij immers geen betrekking op activiteiten in verband met de bouw van mechanische onderdelen en lasonderdelen waarvoor Nemec vergunninghouder is om zijn beroep als zelfstandig ambachtsman uit te oefenen.
19
Bij een bevestigend antwoord rijst volgens de verwijzende rechterlijke instantie ook de vraag of de in artikel 376 van de OZ neergelegde ne ultra alterum tantum-regel verenigbaar is met richtlijn 2000/35.
20
In die omstandigheden heeft de Vrhovno sodišče besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1)
Moet artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35 aldus worden uitgelegd dat in een stelsel waaronder aan een natuurlijke persoon ten behoeve van de uitoefening van een economische activiteit een vergunning wordt verstrekt die de activiteit vermeldt waarvoor de vergunning is afgegeven, geen sprake is van een onderneming en dus evenmin van een handelstransactie in de zin van voormelde bepaling van de richtlijn, wanneer de transactie naar aanleiding waarvan de betalingsachterstand is ontstaan betrekking heeft op een activiteit waarvoor de vergunning niet is afgegeven?
Voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
2)
Moet artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35 aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon is te beschouwen als een onderneming en de transactie naar aanleiding waarvan de betalingsachterstand is ontstaan een handelstransactie in de zin van voormelde bepaling vormt, wanneer het gaat om een transactie die niet valt onder de geregistreerde activiteit van die natuurlijke persoon maar die voortvloeit uit een activiteit die naar haar aard een economische activiteit kan zijn, en voor die transactie een factuur is uitgereikt?
3)
Is de regel op grond waarvan de vertragingsrente niet langer verschuldigd wordt wanneer het bedrag van de vervallen en niet betaalde rente het bedrag van de hoofdsom heeft bereikt (ne ultra alterum tantum-regel), in strijd met de vereisten van richtlijn 2000/35?”
Bevoegdheid van het Hof
21
De Sloveense regering en de Europese Commissie hebben ter terechtzitting voor het Hof betoogd dat dit niet bevoegd is om de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vragen te beantwoorden. Zij merken op dat het hoofdgeding betrekking heeft op een situatie van vóór de toetreding van de Republiek Slovenië tot de Europese Unie op 1 mei 2004, waarvan alle gevolgen vóór die datum zijn ingetreden.
22
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst inderdaad is gesloten in juni 1993 en dat de onderhavige zaak dus is ontstaan uit een situatie die vóór de toetreding van de Republiek Slovenië tot de Unie is ontstaan.
23
Die situatie is na die toetreding echter gevolgen blijven sorteren. Het verzuim tot betaling van de hoofdsom dat aan de door Nemec gevorderde vertragingsrente ten grondslag ligt heeft immers geduurd tot 18 mei 2010, de datum waarop de vrijwillige brandweer tot die betaling is overgegaan, en het door Nemec ingestelde beroep strekt er juist toe, schadeloosstelling te krijgen voor het nadeel dat hij beweert te hebben geleden doordat de Višje sodišče v Mariboru zijn vordering tot betaling van vertragingsrente over het tijdvak van 1 januari 2002 tot 18 mei 2010 heeft afgewezen.
24
Volgens de artikelen 2 en 54 van de Toetredingsakte van 2003 zijn de bepalingen van de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen vóór de toetreding genomen besluiten onmiddellijk bij de toetreding verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in die Verdragen en in die Akte.
25
Bovendien is volgens vaste rechtspraak van het Hof een nieuwe regeling, tenzij anders is bepaald, onmiddellijk van toepassing op de toekomstige gevolgen van een onder de oude regeling ontstane situatie. Overeenkomstig dat beginsel heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van een lidstaat niets bepaalt over de toepassing van een bepaling van Unierecht, die bepaling moet worden geacht voor die lidstaat onmiddellijk toepasselijk en dwingend te zijn vanaf de datum van zijn toetreding tot de Unie, zodat zij van toepassing is op de toekomstige gevolgen van vóór die toetreding ontstane situaties (zie in die zin arresten van 12 november 2009, Elektrownia Pątnów II,C‑441/08, EU:C:2009:698, punt 32; van 22 december 2010, Commissie/Polen, C‑385/08, niet gepubliceerd, EU:C:2010:801, punt 29, en van 21 december 2011, Ziolkowski en Szeja, C‑424/10 en C‑425/10, EU:C:2011:866, punt 57).
26
Wat meer in het bijzonder richtlijn 2000/35 betreft, bevat de Toetredingsakte van 2003 geen bijzondere bepaling betreffende de toepassing op de Republiek Slovenië van die richtlijn. Deze is bijgevolg onmiddellijk toepasselijk en dwingend voor die lidstaat vanaf de datum waarop deze is toegetreden tot de Unie en kan vanaf die datum toepassing vinden op de toekomstige gevolgen van situaties die vóór die toetreding zijn ontstaan of zich hebben voorgedaan, zoals die aan de orde in het hoofdgeding.
27
Uit het voorgaande volgt dat aangezien het recht van de Unie van toepassing is op het hoofdgeding, het Hof bevoegd is om de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vragen te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste twee vragen
28
Met haar eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een vergunning bezit voor de uitoefening van een activiteit als zelfstandig ambachtsman, moet worden beschouwd als „onderneming” in de zin van die bepaling, zodat de door hem met een derde gesloten transactie een „handelstransactie” in de zin van diezelfde bepaling vormt, in de situatie waarin die transactie weliswaar niet valt onder de activiteiten waarvoor die vergunning is afgegeven, maar betrekking heeft op een economische activiteit.
29
Om die vragen te beantwoorden moet om te beginnen worden gepreciseerd dat de lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder b), van richtlijn 2000/35 bij de omzetting van deze laatste van het toepassingsgebied ervan mochten uitsluiten overeenkomsten die waren gesloten vóór 8 augustus 2002, maar dat uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de Republiek Slovenië van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, hetgeen de Sloveense regering ter terechtzitting voor het Hof heeft bevestigd.
30
Aangaande de gestelde vragen zij in herinnering gebracht dat richtlijn 2000/35 volgens artikel 1 ervan van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Artikel 2, punt 1, eerste alinea, van die richtlijn definieert het begrip „handelstransactie” als iedere transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding, waarbij overweging 13 van die richtlijn preciseert dat van dat begrip daarentegen zijn uitgesloten onder meer transacties met consumenten. Ingevolge artikel 2, punt 1, derde alinea, van diezelfde richtlijn wordt daarin verstaan onder „onderneming” elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend.
31
Uit de overwegingen 7, 10 en 16 van richtlijn 2000/35 volgt voorts dat deze ertoe strekt de goede werking van de interne markt te verbeteren door het bedrijfsleven, met name het midden- en kleinbedrijf, te beschermen tegen betalingsachterstanden.
32
Die richtlijn is dus niet bedoeld te gelden voor elke transactie die tot de levering van goederen of het verrichten van diensten tegen betaling leidt, in het bijzonder alle losse transacties die dagelijks door particulieren worden gesloten.
33
Het volstaat dan ook niet dat een persoon een transactie sluit die verband houdt met een economische activiteit, zoals de verhuur van een goed aan een derde, om te vallen onder het begrip „onderneming” en opdat die transactie een „handelstransactie” in de zin van artikel 2, punt 1, van die richtlijn vormt. Daartoe is mede vereist dat die persoon handelt als organisatie in het kader van een dergelijke activiteit of van een zelfstandige beroepsmatige activiteit.
34
Zoals de advocaat-generaal in hoofdzaak in punt 82 van zijn conclusie heeft opgemerkt, impliceert dat vereiste dat bedoelde persoon, ongeacht zijn rechtsvorm en zijn statuut naar nationaal recht, die activiteit gestructureerd en duurzaam uitoefent, zodat het bij die activiteit niet slechts dient te gaan om één geïsoleerde verrichting, en dat de betrokken transactie wordt gesloten in het kader van genoemde activiteit.
35
Anders dan de Commissie betoogt, volgt uit artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35 daarentegen niet dat de betrokken activiteit noodzakelijkerwijs de voornaamste economische of beroepsmatige activiteit van de betrokken persoon moet zijn of met die laatste activiteit verband moet houden.
36
Voorts kan, anders dan de Sloveense regering en de Commissie betogen, voor de kwalificatie van een persoon als „onderneming” in de zin van die bepaling niet bepalend zijn of de bevoegde nationale instanties een vergunning voor de uitoefening van de betrokken activiteit hebben afgegeven.
37
Onder een nationaal stelsel waarin voor de uitoefening door een natuurlijke persoon van een economische of beroepsmatige activiteit als zelfstandig ambachtsman of ondernemer de voorwaarde geldt dat een vergunning is afgegeven, kan een natuurlijke persoon die over een dergelijke vergunning beschikt niet van het begrip „onderneming”, en de transacties die hij sluit niet van het begrip „handelstransactie”, worden uitgesloten enkel op grond dat die transacties betrekking hebben op een andere zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit dan die vermeld in genoemde vergunning, of die worden verricht in het kader van een ruimere zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit dan deze laatste.
38
Bij iedere andere uitlegging zou de draagwijdte van die begrippen afhangen van de afzonderlijke nationale wettelijke regelingen, meer in het bijzonder van het systeem dat iedere lidstaat heeft gekozen voor de uitoefening van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit. Uit de vereisten zowel van de eenvormige toepassing van het Unierecht als van het gelijkheidsbeginsel volgt dat bij gebreke van verwijzing naar het nationale recht in artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35, de begrippen „onderneming” en „handelstransactie” een autonome en eenvormige uitlegging moeten krijgen (zie naar analogie arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław,C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak)
39
Zoals bovendien de advocaat-generaal in punt 90 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou iedere uitlegging waarbij de draagwijdte van het begrip „onderneming” en daarmee het toepassingsgebied ratione personae en ratione materiae van richtlijn 2000/35 zou afhangen van de afgifte door de bevoegde nationale instanties van een lidstaat van een vergunning voor de uitoefening van de betrokken activiteit, indruisen tegen het doel van die richtlijn, zoals dat tot uiting komt in overweging 10 van deze laatste, de handelstransacties tussen de lidstaten te vergemakkelijken. Om te bepalen of de gesloten transactie onder het toepassingsgebied van richtlijn 2000/35 valt, zouden de ondernemingen of de openbare instanties van de overige lidstaten immers stelselmatig moeten verifiëren of die transactie betrekking heeft op de activiteiten waarvoor de vergunning is afgegeven. Daardoor zouden de grensoverschrijdende transacties kunnen worden beperkt of gehinderd.
40
Hieruit volgt dat ofschoon de omstandigheid dat de betrokken persoon een transactie heeft gesloten in het kader van de activiteit voor de uitoefening waarvan zij houder is van een vergunning, naast andere factoren in de beschouwing kan worden betrokken om na te gaan of die persoon heeft gehandeld in de hoedanigheid van „onderneming” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35, die omstandigheid niet bepalend kan zijn.
41
Om te bepalen of een persoon in die hoedanigheid – dat wil zeggen, zoals in punt 34 van het onderhavige arrest uiteen is gezet, in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit handelt en of bijgevolg de door hem gesloten transacties handelstransacties in de zin van die bepaling zijn, moeten dan ook alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken.
42
Tot die omstandigheden behoort onder meer het feit dat de betrokken persoon onder zijn handelsnaam of beroepsnaam handelt en dat voor de gesloten transactie een factuur wordt uitgereikt.
43
Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie, in het licht van de voorgaande overwegingen te bepalen of Nemec in het onderhavige geval de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst heeft gesloten in de hoedanigheid van „ondernemer” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35.
44
Gelet op al het voorgaande moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een vergunning bezit voor de uitoefening van een activiteit als zelfstandig ambachtsman, moet worden beschouwd als „onderneming” in de zin van die bepaling, en de door hem gesloten transactie als een „handelstransactie” in de zin van diezelfde bepaling, indien die transactie weliswaar niet valt onder de activiteit waarvoor die vergunning is afgegeven, maar – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit gelet op alle betrokken omstandigheden te beoordelen – wordt verricht in de uitoefening van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit.
Derde vraag
45
Met de derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of richtlijn 2000/35 aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als artikel 376 OZ, op grond waarvan vervallen maar niet betaalde vertragingsrente niet langer doorloopt wanneer het bedrag ervan het bedrag van de hoofdsom heeft bereikt.
46
Om die vraag te beantwoorden moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof richtlijn 2000/35 niet alle regels op het gebied van betalingsachterstanden in handelstransacties volledig harmoniseert (arresten van 26 oktober 2006, Commissie/Italië,C‑302/05, EU:C:2006:683, punt 23; van 3 april 2008, 01051 Telecom,C‑306/06, EU:C:2008:187, punt 21, en van 11 september 2008, Caffaro,C‑265/07, EU:C:2008:496, punt 15).
47
Inzonderheid harmoniseert die richtlijn niet alle aspecten van de vertragingsrente. In artikel 3 regelt zij alleen enkele van die aspecten, te weten het recht om rente te vorderen in geval van betalingsachterstand, de datum waarop die rente opeisbaar wordt, de rentevoet, het recht voor de schuldeiser om schadeloosstelling te vorderen voor de door de betalingsachterstand ontstane invorderingskosten, alsook de gevolgen van het gebruik van contractvoorwaarden die een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser behelzen.
48
Daarentegen regelt richtlijn 2000/35 niet, gedurende welke periode de vertragingsrente loopt of wat het maximumbedrag van die rente is.
49
De lidstaten blijven derhalve vrij die materie te regelen, maar onder het voorbehoud dat zij de doelstellingen van richtlijn 2000/35 niet veronachtzamen en deze laatste niet van haar nuttig effect beroven (zie naar analogie arrest van 14 september 2016, Pérez López,C‑16/15, EU:C:2016:679, punt 59en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
In dit verband moet worden beklemtoond dat genoemde richtlijn blijkens de overwegingen 7 en 16 hoofdzakelijk tot doel heeft, betalingsachterstanden te ontmoedigen, onder meer door te vermijden dat deze financieel aantrekkelijk zijn voor de schuldenaar, en de schuldeisers tegen dergelijke achterstanden te beschermen.
51
De Sloveense regering, ondersteund door de Letse regering, betoogt dat de in artikel 376 OZ neergelegde ne ultra alterum tantum-regel niet tegen die doelstellingen indruist. Die regel zorgt er juist voor dat de vertragingsrente haar functie behoudt, dat wil zeggen de schuldenaar ertoe aan te zetten zijn betalingsverplichting na te komen, en niet de schuldeiser in staat te stellen zich te verrijken. Door die regeling kan worden vermeden – terwijl de schuldeiser toch wordt beschermd – dat het bedrag van de vertragingsrente dermate hoog is dat het op de schuldenaar een onredelijke schuld legt en daardoor een onrechtvaardige en onevenredige situatie tussen de schuldeiser en de schuldenaar doet ontstaan die tot insolvabiliteit van deze laatste kan leiden.
52
Het is stellig zo dat een dergelijke regel, op grond waarvan het bedrag van de vertragingsrente niet hoger kan zijn dan het bedrag van de hoofdschuld, de aan de betaling van die rente verbonden dissuasieve werking kan beperken.
53
Door die bovengrens wordt echter niet afgedaan aan het door richtlijn 2000/35 nagestreefde doel, de schuldeiser te beschermen, en ontneemt die richtlijn evenmin haar nuttig effect.
54
De ne ultra alteram tantum-regel leidt immers niet tot een zodanige beperking van het bedrag van de vertragingsrente dat zij het in artikel 3, lid 1, onder a) tot en met c), van die richtlijn neergelegde recht van de schuldeiser, rente te vorderen in geval van betalingsachterstand, van zijn inhoud zou beroven, of dat zij aan die rente iedere ontmoedigende functie jegens de schuldenaar zou ontnemen. Die regel heeft bovendien geen gevolgen voor de toepasselijke rentevoet, die moet overeenstemmen met die voorzien in artikel 3, lid 1, onder d), van die richtlijn.
55
Zoals voorts de advocaat-generaal in hoofdzaak in de punten 66 en 67 van zijn conclusie uiteen heeft gezet, kon de nationale wetgever uit hoofde van de hem toekomende beoordelingsmarge van oordeel zijn dat de doelstelling, de schuldeiser te beschermen, in evenwicht moest worden gebracht met de noodzaak, een onredelijke schuld voor de schuldenaar te vermijden. In het kader van die beoordelingsmarge kon die wetgever van oordeel zijn dat een regel als de ne ultra alterum tantum-regel geschikt was om dat doel te bereiken.
56
Bovendien moet een dergelijke regel niet geïsoleerd worden onderzocht, maar in de context ervan. Daartoe moet ook rekening worden gehouden met de overige nationale wettelijke bepalingen op het gebied van betalingsachterstanden.
57
In dat verband wijst de Sloveense regering onder meer op artikel 380 OZ, op grond waarvan de schuldeiser die wegens betalingsachterstand een nadeel heeft ondervonden voor een hoger bedrag dan de ontvangen rente, recht heeft op een vergoeding ter hoogte van het verschil.
58
De nationale wetgever kon in het kader van de hem toekomende beoordelingsmarge van oordeel zijn dat een dergelijke bepaling, samen met de in richtlijn 2000/35 vervatte regeling, de bescherming van de schuldeiser tegen betalingsachterstanden waarborgde.
59
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat richtlijn 2000/35 aldus moet worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als artikel 376 OZ, op grond waarvan vervallen maar niet betaalde vertragingsrente niet langer doorloopt wanneer het bedrag ervan het bedrag van de hoofdsom heeft bereikt.
Kosten
60
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 2, punt 1, van richtlijn 2000/35 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, moet aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een vergunning bezit voor de uitoefening van een activiteit als zelfstandig ambachtsman, moet worden beschouwd als „onderneming” in de zin van die bepaling, en de door hem gesloten transactie als een „handelstransactie” in de zin van diezelfde bepaling, indien die transactie weliswaar niet valt onder de activiteit waarvoor die vergunning is afgegeven, maar – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit gelet op alle betrokken omstandigheden te beoordelen – wordt verricht in de uitoefening van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit.
2)
Richtlijn 2000/35 moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als artikel 376 van de Obligacijski zakonik (verbintenissenwetboek), op grond waarvan vervallen maar niet betaalde vertragingsrente niet langer doorloopt wanneer het bedrag ervan het bedrag van de hoofdsom heeft bereikt.
ondertekeningen
( *1 ) * Procestaal: Sloveens.
Full & Egal Universal Law Academy