ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
21 september 2016 ( *1 )
„Niet-nakoming — Richtlijn 2001/80/EG — Artikel 4, lid 3 — Bijlage VI, deel A — Beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties — Toepassing — Elektriciteitscentrale van Aberthaw”
In zaak C‑304/15,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 19 juni 2015, in de procedure
Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Mifsud-Bonnici en S. Petrova als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. Kraehling en L. Christie als gemachtigden, bijgestaan door G. Facenna, QC,
verweerder,
wijst HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: C. Toader (rapporteur), kamerpresident, A. Rosas en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 april 2016,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juni 2016,
het navolgende
Arrest
1
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PB 2001, L 309, blz. 1) niet juist toe te passen op de elektriciteitscentrale van Aberthaw (Verenigd Koninkrijk; hierna: „centrale van Aberthaw”), de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 4, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage VI, deel A, ervan.
Toepasselijke bepalingen
2
Richtlijn 2001/80, die in de plaats is gekomen van richtlijn 88/609/EEG van de Raad van 24 november 1988 inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PB 1988, L 336, blz. 1), is met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken bij richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010, L 334, blz. 17). Artikel 1 van richtlijn 2001/80 bepaalde dat zij „van toepassing [was] op stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype (vaste, vloeibare of gasvormige brandstof)”.
3
De overwegingen 4 tot en met 6 van die richtlijn luidden:
„(4)
De Commissie heeft een mededeling over een communautaire strategie ter bestrijding van de verzuring gepubliceerd; de herziening van richtlijn [88/609] wordt als integrerend onderdeel van deze strategie aangemerkt teneinde op lange termijn de SO2‑ en NOx‑emissies voldoende te verminderen om de neerslag en de concentraties tot onder de kritische depositieniveaus te verlagen.
(5)
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, zoals vervat in artikel 5 van het Verdrag, vormt de beperking van de emissie van verzurende stoffen door grote stookinstallaties een doelstelling die door individueel optredende lidstaten onvoldoende kan worden verwezenlijkt en ongecoördineerde maatregelen bieden geen waarborg dat de gewenste doelstelling ook werkelijk wordt bereikt; gezien de noodzaak de emissie van verzurende stoffen in de gehele Gemeenschap te beperken, is het doeltreffender maatregelen op het niveau van de Gemeenschap te nemen.
(6)
Grote stookinstallaties dragen in belangrijke mate bij tot de emissie van zwaveldioxide en stikstofoxiden in de Gemeenschap en het is nodig deze emissies te beperken; de benadering moet derhalve worden aangepast aan de uiteenlopende kenmerken van de sector grote stookinstallaties in de lidstaten.”
4
Artikel 4 van deze richtlijn bepaalde:
„1. Onverminderd artikel 17 treffen de lidstaten passende maatregelen teneinde te bewerkstelligen dat iedere bouwvergunning of, bij gebreke van een dergelijke procedure, iedere bedrijfsvergunning voor een nieuwe stookinstallatie – waarvoor vóór 27 november 2002 naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een volledige vergunning is aangevraagd, mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in gebruik genomen wordt – voorschriften bevat met betrekking tot de inachtneming van de in punt A van de bijlagen III tot en met VII voor zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof vastgestelde emissiegrenswaarden.
[...]
3. Onverminderd richtlijn 96/61/EG [van de Raad, van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 1996, L 257, blz. 26)] en richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit [(PB 1996, L 296, blz. 55)], bereiken de lidstaten uiterlijk op 1 januari 2008 significante emissiereducties, door:
a)
passende maatregelen te treffen om te bewerkstelligen dat alle bedrijfsvergunningen voor bestaande installaties voorschriften bevatten met betrekking tot de inachtneming van de voor nieuwe stookinstallaties vastgestelde emissiegrenswaarden, als bedoeld in lid 1, of
b)
ervoor te zorgen dat bestaande installaties onderworpen worden aan het in lid 6 bedoelde nationale emissiereductieplan,
en, wanneer zulks passend is, door de artikelen 5, 7 en 8 toe te passen.
[...]”
5
Artikel 14 van die richtlijn luidde:
„1. Bij continumetingen worden de in punt A van de bijlagen III tot en met VII bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien uit de evaluatie van de resultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar blijkt dat
a)
geen kalendermaandgemiddelde boven de emissiegrenswaarden ligt, en
b)
in het geval van:
[...]
ii)
stikstofoxiden, 95 % van alle 48‑uursgemiddelden 110 % van de emissiegrenswaarden niet te boven gaat.
[...]”
6
Bijlage VI, deel A, bij richtlijn 2001/80 stelde in een tabel de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden (NOx) voor bestaande installaties vast overeenkomstig artikel 4, lid 3, van die richtlijn, voor de verschillende brandstoffentypes. Voor vaste brandstoffen die in een installatie met een vermogen van meer dan 500 MW werden gebruikt, bedroeg de grenswaarde 500 milligram NOx per normaal kubieke meter (mg/Nm3).
7
Eveneens met betrekking tot vaste brandstoffen verwees de tabel echter naar voetnoot (3) (hierna: „voetnoot 3”), die bepaalde:
„Tot 1 januari 2018 zal voor installaties die tijdens de op 1 januari 2001 eindigende periode van 12 maanden werkten en nog steeds werken met vaste brandstoffen met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen, een waarde van 1200 mg/Nm3 gelden.”
8
Krachtens artikel 30, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2010/75 stelt bijlage V, deel 1, punt 4, bij die richtlijn de emissiegrenswaarden voor NOx vast voor installaties die vaste brandstoffen gebruiken. Vanaf 1 januari 2016 is die waarde verlaagd tot 200 mg/Nm3.
Precontentieuze procedure
9
De Commissie heeft op 29 mei 2012 een EU‑testprocedure ingeleid betreffende de verenigbaarheid van bepaalde grote stookinstallaties en, meer bepaald de centrale van Aberthaw, met de vereisten van richtlijn 2001/80. Volgens de aan de Commissie toegezonden informatie kwam die installatie krachtens voetnoot 3 in aanmerking voor een minder strenge emissiegrenswaarde voor NOx, te weten 1200 mg/Nm3, in plaats van de emissiegrenswaarde die normaal van toepassing is op dat type installaties die vaste brandstoffen gebruiken, te weten 500 mg/Nm3, overeenkomstig de tabel van bijlage VI, deel A, bij die richtlijn. Volgens de Commissie legde die voetnoot evenwel op dat de vluchtige bestanddelen van de gebruikte brandstoffen minder dan 10 % bedroegen om de stookinstallatie in aanmerking te laten komen voor die afwijking. Die instelling heeft het Verenigd Koninkrijk daarom gevraagd hoeveel de vluchtige bestanddelen van de in de centrale van Aberthaw gebruikte vaste brandstoffen bedroegen in de periode van 2009 tot en met 2011.
10
Het Verenigd Koninkrijk heeft geantwoord dat de emissiegrenswaarde voor NOx die van toepassing was op de centrale van Aberthaw, 1200 mg/Nm3 bedroeg en dat die emissiegrenswaarde als nageleefd diende te worden beschouwd wanneer bijvoorbeeld 95 % van de gedurende 48 uur gemeten gemiddelde waarden niet boven 1320 mg/Nm3 lag.
11
De Commissie heeft op 20 september 2012 bijkomende vragen aan het Verenigd Koninkrijk gesteld teneinde te beoordelen of de centrale van Aberthaw aan de voorwaarden van voetnoot 3 inzake het gehalte aan vluchtige bestanddelen voldeed. Die lidstaat heeft geantwoord dat de vluchtige bestanddelen van de in die centrale gebruikte kolen tussen 2008 en 2011 gemiddeld 12,81 %, 11,75 %, 12,89 % respectievelijk 11,39 % bedroegen. Zo bedroegen volgens die informatie de vluchtige bestanddelen van de gebruikte kolen tussen 2008 en 2010 slechts twee keer en in 2011 slechts vijf keer gemiddeld minder dan 10 %.
12
Aangezien de in de centrale van Aberthaw gebruikte brandstoffen van 2008 tot en met 2011 niet voldeden aan de voorwaarde van voetnoot 3 inzake het gehalte aan vluchtige bestanddelen, heeft de Commissie geoordeeld dat die installatie nooit in aanmerking is gekomen voor de in die voetnoot voorziene afwijking en dat de emissiegrenswaarde voor NOx van 500 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2008 op die centrale van toepassing had moeten zijn.
13
De Commissie heeft op 21 juni 2013 een aanmaningsbrief aan het Verenigd Koninkrijk gericht, waarin zij deze lidstaat verweet sinds 1 januari 2008 niet te hebben voldaan aan zijn verplichting om artikel 4, lid 3, van richtlijn 2001/80, gelezen in samenhang met voetnoot 3, na te leven doordat voor de centrale van Aberthaw de emissiegrenswaarde voor NOx van 500 mg/Nm3, die tot 1 januari 2016 op die installatie van toepassing was, niet in acht was genomen.
14
Het Verenigd Koninkrijk heeft op deze aanmaningsbrief geantwoord dat zijns inziens de afwijking van voetnoot 3 specifiek in richtlijn 2001/80 was opgenomen om te worden toegepast op het geval van de centrale van Aberthaw, waardoor die afwijking op soepelere wijze diende te worden uitgelegd, in die zin dat voor die afwijking niet als voorwaarde gold dat de betrokken installatie uitsluitend een vaste brandstof gebruikte waarvan de vluchtige bestanddelen minder dan 10 % bedroegen. Deze lidstaat voerde ook aan dat er geen directe correlatie was tussen de vluchtigheid van de door die centrale gebruikte brandstof en de hoeveelheid uitgestoten NOx.
15
Aangezien het antwoord van het Verenigd Koninkrijk de Commissie niet kon overtuigen, heeft zij op 16 oktober 2014 deze lidstaat een met redenen omkleed advies krachtens artikel 258, eerste alinea, VWEU toegezonden.
16
De Commissie heeft in dat met redenen omklede advies haar betoog herhaald, namelijk dat voetnoot 3 afwijkt van de normale grenswaarden die waren vastgesteld voor een installatie van de omvang van de centrale van Aberthaw en dat deze centrale de emissiegrenswaarde voor NOx die van toepassing is krachtens artikel 4, leden 1 en 3, van richtlijn 2001/80, gelezen in samenhang met die voetnoot, overschreed.
17
Deze instelling heeft evenmin ingestemd met de uitlegging van voetnoot 3, volgens welke niet zou zijn vereist dat de betrokken installatie uitsluitend vaste brandstoffen gebruikt met gemiddeld niet meer dan 10 % vluchtige bestanddelen, op jaarbasis gemeten. Ook al is dat gehalte in richtlijn 2001/80 niet expliciet in een jaarlijkse gemiddelde waarde uitgedrukt, een dergelijke uitlegging is immers in overeenstemming met de geest van de richtlijn, waarvan artikel 14, lid 1, bepaalt dat de emissiegrenswaarden die in deel A van bijlagen III tot en met VII bij de richtlijn zijn vastgesteld, over een kalenderjaar worden gemeten.
18
In zijn antwoord van 17 december 2014 heeft het Verenigd Koninkrijk, onder verwijzing naar de voorbereidende documenten bij richtlijn 2001/80, zijn standpunt herhaald dat de centrale van Aberthaw richtlijn 2001/80 naleefde, waarbij de afwijking van voetnoot 3 specifiek die installatie betrof. Bovendien heeft deze lidstaat gepreciseerd dat in deze centrale verder werd geïnvesteerd teneinde haar prestaties te verbeteren.
19
Daar de Commissie geen genoegen kon nemen met het antwoord van het Verenigd Koninkrijk, heeft zij op 19 juni 2015 het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Argumenten van partijen
20
De Commissie voert aan dat, aangezien de centrale van Aberthaw het in voetnoot 3 vermelde criterium niet naleeft, deze installatie niet voor de afwijking van deze voetnoot in aanmerking kan komen. De uitstoot van NOx van deze installatie moet dus overeenkomen met de normale emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm3. De waarde vermeld in de bedrijfsvergunning voor deze centrale bedroeg op het tijdstip waarop het onderhavige beroep is ingesteld, echter 1050 mg/Nm3, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.
21
Ter ondersteuning van die grief voert deze instelling in de eerste plaats aan dat de bewoordingen van voetnoot 3 duidelijk zijn. Die bepaling is enkel van toepassing op installaties die daadwerkelijk vaste brandstoffen gebruiken met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen. In die voetnoot is noch sprake van installaties die met een dergelijke brandstof „kunnen” worden gevoed, noch van enige toepassingsgrens die overeenkomt met een verwaarloosbare hoeveelheid brandstof. Het criterium van een gehalte aan vluchtige bestanddelen van 10 % is immers ingevoerd teneinde een bovengrens vast te stellen om de afwijkingsmogelijkheden voor elektriciteitscentrales te beperken.
22
In de tweede plaats is de omstandigheid dat de afwijking van voetnoot 3 in het bijzonder de centrale van Aberthaw zou betreffen, niet relevant aangezien de subjectieve intentie van bepaalde opstellers van de wetgevingshandeling tijdens het wetgevingsproces geen geldig uitleggingscriterium is.
23
In de derde plaats zou de centrale van Aberthaw nog steeds niet aan de criteria van deze afwijking voldoen, ook al zou gebruik worden gemaakt van een berekeningsmethode die is gebaseerd op een maandelijks, en niet een jaarlijks, gemiddelde.
24
Volgens het Verenigd Koninkrijk is de door de Commissie voorgestane uitlegging van voetnoot 3 strijdig met zowel de bewoordingen van die voetnoot als de intentie van de Uniewetgever, zodat het onderhavige beroep dient te worden verworpen.
25
In de eerste plaats heeft de centrale van Aberthaw volgens deze lidstaat altijd een brandstof gebruikt die hoofdzakelijk uit antraciet bestaat met 6 % tot 15 % vluchtige bestanddelen, hierin begrepen een aanzienlijk deel kolen met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen. Deze centrale heeft evenwel nooit uitsluitend kolen gebruikt met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen of een mengsel met gemiddeld minder dan 10 % vluchtige bestanddelen. Het gebruik van dergelijke brandstoffen stuit immers op belangrijke praktische en veiligheidsoverwegingen.
26
In de tweede plaats betwist deze lidstaat de door de Commissie gesuggereerde uitlegging dat een installatie uitsluitend een vaste brandstof moet gebruiken met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen, gemeten op basis van een jaarlijks gemiddelde, om in aanmerking te komen voor de afwijking van voetnoot 3. Een dergelijke uitlegging voegt aan die afwijking een vereiste toe, waardoor de voorwaarden om ervoor in aanmerking te komen strenger worden. Deze voetnoot bevat echter niet de bijwoorden „enkel” of „uitsluitend”. Mocht de Uniewetgever de intentie hebben gehad om het voordeel van voetnoot 3 te beperken tot uitsluitend centrales die kolen gebruiken met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen, dan zou die bedoeling uitdrukkelijk tot uiting zijn gekomen in de bewoordingen ervan. Voorts, aldus deze lidstaat, vermeldt richtlijn 2001/80 uitdrukkelijk wanneer gebruik wordt gemaakt van een gemiddelde waarde.
27
Het Verenigd Koninkrijk betoogt derhalve dat voetnoot 3 toepassing moet vinden op installaties die een aanzienlijk deel kolen gebruiken met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen.
28
Voorts wordt bij de door de Commissie gesuggereerde uitlegging van deze voetnoot geen rekening gehouden met de omstandigheid dat tijdens het wetgevingsproces is onderhandeld over de afwijking in deze voetnoot, die in richtlijn 2001/80 is opgenomen met de specifieke bedoeling om op de centrale van Aberthaw te worden toegepast.
29
Ten slotte is het operationele veiligheidsvereiste voor het in de centrale van Aberthaw gebruikte kolenmengsel vastgesteld op een minimumgehalte aan vluchtige bestanddelen van 9 %. Om de grenzen na te leven die uit de uitlegging van voetnoot 3 van de Commissie voortvloeien, zou de exploitant van deze centrale enkel vaste brandstoffen mogen gebruiken die het mogelijk maken binnen een zeer kleine marge van vluchtige bestanddelen te blijven, tussen 9 % en 9,9 %. Gelet op alle parameters waarmee rekening moet worden gehouden in het mengsel van die brandstoffen, te weten vochtigheidsgraad, as, zwavel, chloor, calorische waarde, hardheid en omvang van de diameters, is dit realistisch noch haalbaar voor een centrale van die omvang. Deze exploitant zou meer bepaald noch de door de centrale van Aberthaw gebruikte zeer grote hoeveelheden kolen kunnen aanleveren, noch deze op nauwkeurige en betrouwbare wijze kunnen testen, om ervoor te zorgen dat het gehalte aan vluchtige bestanddelen in totaal precies tussen 9 % en 9,9 % blijft.
30
Bovendien dient de door de Commissie gesuggereerde uitlegging van voetnoot 3 evenmin een milieudoelstelling. De hogere emissies van NOx van de centrale van Aberthaw zijn immers het gevolg van het ontwerp van de ketel en van de hogere temperaturen die nodig zijn om de verbranding van antraciet met een laag gehalte aan vluchtige bestanddelen in stand te houden. Die emissies worden niet significant beïnvloed door de vluchtige bestanddelen van het brandstofmengsel, waardoor dat gehalte niet aanzienlijk zou verminderen wanneer deze centrale zou worden verplicht gebruik te maken van een brandstof die niet – zoals thans het geval is – een kolenmengsel is waarvan de vluchtige bestanddelen in totaal tussen 11 % en 12 % schommelen, maar, en in de veronderstelling dat dit mogelijk is, kolen met 9,5 % vluchtige bestanddelen. De verbranding van kolen met een lager gehalte aan vluchtige bestanddelen zou integendeel tot hogere emissies van NOx leiden.
Beoordeling door het Hof
31
Zoals uit de overwegingen 4 tot en met 6 van richtlijn 2001/80 blijkt, heeft deze richtlijn tot doel de verzuring te bestrijden door een beperking van de emissies van SO2 en NOx, waartoe grote stookinstallaties aanzienlijk bijdragen.
32
De bijlagen III tot en met VII bij die richtlijn voorzien in dat verband in een aantal beperkingen. Meer specifiek stelt bijlage VI, deel A, bij deze richtlijn voor de verschillende brandstoffentypes de emissiegrenswaarden voor NOx vast die op de bestaande installaties van toepassing zijn, overeenkomstig artikel 4, lid 3, van deze richtlijn. Zo ligt voor de vaste brandstoffen die in een installatie met een vermogen van meer dan 500 MW worden gebruikt, de grenswaarde op 500 mg/Nm3.
33
Voetnoot 3 bepaalt echter dat „[t]ot 1 januari 2018 [...] voor installaties die tijdens de op 1 januari 2001 eindigende periode van 12 maanden werkten en nog steeds werken met vaste brandstoffen met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen, een waarde van 1200 mg/Nm3 [zal] gelden”.
34
In de onderhavige zaak verwijt de Commissie het Verenigd Koninkrijk dat voor de centrale van Aberthaw niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder die centrale in aanmerking zou kunnen komen voor de afwijking van die voetnoot en dat als gevolg daarvan de standaardemissiegrenswaarde voor NOx van 500 mg/Nm3 niet wordt nageleefd.
35
Het Verenigd Koninkrijk en de Commissie verschillen met name van mening over de vraag welke periode als referentietijdvak moet dienen voor het opmeten van de gegevens aan de hand waarvan moet worden nagegaan of de betrokken installaties de emissiegrenswaarden voor NOx naleven.
36
In dat verband zij benadrukt dat het tweede deel van de zin waaruit voetnoot 3 bestaat, dat referentietijdvak weliswaar niet omschrijft, maar dat het eerste deel ervan expliciet het zinsdeel „voor installaties die tijdens de op 1 januari 2001 eindigende periode van 12 maanden werkten” bevat.
37
Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat voetnoot 3 naar analogie aldus moet worden uitgelegd dat het referentietijdvak voor het opmeten van de gegevens die dienen om na te gaan of de betrokken installaties overeenkomstig richtlijn 2001/80 blijven werken, gelijk is aan het referentietijdvak aan de hand waarvan kan worden bepaald of een installatie al dan niet in aanmerking kwam voor de afwijking van die voetnoot, te weten één jaar.
38
Het Verenigd Koninkrijk ontkent evenwel niet dat de centrale van Aberthaw nooit heeft voldaan aan het criterium inzake de door een installatie te gebruiken brandstoffen, als bepaald in voetnoot 3 en zoals door de Commissie uitgelegd, of het gehalte aan vluchtige bestanddelen op jaarlijkse dan wel maandelijkse basis wordt berekend.
39
Deze lidstaat voert in dat verband aan dat deze uitlegging, volgens welke een installatie enkel brandstoffen mag gebruiken met gemiddeld minder dan 10 % vluchtige bestanddelen, berekend over een tijdvak van één jaar, onjuist is, omdat het bijwoord „uitsluitend” niet in de bewoordingen van die voetnoot voorkomt.
40
Dit betoog kan niet worden aanvaard.
41
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, teneinde de betekenis en de draagwijdte van een bepaling te bepalen, bij de uitlegging ervan rekening worden gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling en de context ervan, en met het doel van de betrokken regeling (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, A, C‑184/14, EU:C:2015:479, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Volgens de bewoordingen van voetnoot 3 moet de betrokken installatie „werken met vaste brandstoffen met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen” om voor de afwijking van die voetnoot in aanmerking te komen.
43
Anders dan het Verenigd Koninkrijk aanvoert, kan uit het feit dat de bijwoorden „enkel” of „uitsluitend” niet in de bewoordingen van voetnoot 3 voorkomen, in dat verband niet worden afgeleid dat het, om in aanmerking te komen voor de bij die voetnoot ingevoerde afwijkingsregeling, voldoende is dat ofwel een „aanzienlijk deel” ofwel een „zeker deel” vaste brandstof met minder dan 10 % vluchtige bestanddelen aanwezig is in de brandstof die een installatie gebruikt. Zoals de advocaat-generaal in de punten 24 en volgende van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de door het Verenigd Koninkrijk voorgestane uitlegging van voetnoot 3 door geen enkel juridisch argument worden onderbouwd.
44
Zoals de advocaat-generaal immers in de punten 27 tot en met 30 van zijn conclusie suggereert, dient voetnoot 3 immers aldus te worden uitgelegd dat de daarin opgelegde bovengrens van 10 % betekent dat de vluchtige bestanddelen van de door een installatie gebruikte kolen gemiddeld minder dan 10 % moeten bedragen.
45
Deze interpretatie vindt steun in de context van voetnoot 3 en in de doelstelling van richtlijn 2001/80.
46
Aangaande – in de eerste plaats – de context van die bepaling zij eraan herinnerd dat op grond van die bepaling op installaties die voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden, een emissiegrenswaarde voor NOx kan worden toegepast die hoger is dan de normale grenswaarde van 500 mg/Nm3, zoals bepaald in bijlage VI, deel A, bij richtlijn 2001/80.
47
Voetnoot 3 vormt een afwijking van de algemene regel van die bepaling van bijlage VI en moet dan ook, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof, strikt worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 10 september 2015, Nannoka Vulcanus Industries, C‑81/14, EU:C:2015:575, punt 73en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Aangaande – in de tweede plaats – de doelstelling van richtlijn 2001/80, en zoals de Commissie aanvoert en de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, toont de evolutie van de instrumenten van het Unierecht die aan deze richtlijn zijn voorafgegaan, zoals richtlijn 88/609, aan dat de hoogte van de bovengrenzen die in bepalingen als voetnoot 3 zijn vastgesteld, er bovenal toe dient het aantal installaties dat voor een dergelijke afwijking in aanmerking kan komen, zo veel mogelijk te beperken, wat op zich kan bijdragen tot de verwezenlijking van de in punt 34 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van richtlijn 2001/80.
49
Bijgevolg kan niet worden ingestemd met het betoog van het Verenigd Koninkrijk dat de bovengrens van 10 % voor het gehalte aan vluchtige bestanddelen van de gebruikte vaste brandstof het niet mogelijk maakt de milieudoelstelling van richtlijn 2001/80 te behalen, omdat de emissies van NOx daardoor niet significant zouden worden beïnvloed. Zoals uit het voorgaande punt blijkt, draagt voetnoot 3 immers bij tot die milieudoelstelling door een beperking van het aantal installaties dat in aanmerking komt voor de afwijking van die voetnoot.
50
Bovendien dient ten eerste het in punt 28 van dit arrest uiteengezette argument van het Verenigd Koninkrijk te worden afgewezen aangezien, ook al zou vaststaan dat over de afwijking van voetnoot 3 is onderhandeld om een installatie als de centrale van Aberthaw daaronder te doen vallen, deze centrale dan nog aan de in die bepaling gestelde criteria zou moeten beantwoorden om voor die afwijking in aanmerking te komen en te blijven komen.
51
Ten tweede kan niet worden ingestemd met het argument van deze lidstaat dat het om veiligheidsredenen niet mogelijk is om de betrokken bovengrens van 10 % toe te passen. In dat verband blijkt uit de opmerkingen van deze lidstaat dat het gehalte aan vluchtige bestanddelen van het in de centrale van Aberthaw gebruikte mengsel tussen 6 % en 15 % kan schommelen. Het staat dus vast dat het gemiddeld gehalte aan vluchtige bestanddelen van de in die installatie als brandstof gebruikte kolen lager dan 10 % kan zijn.
52
Ten derde moet ook het argument van het Verenigd Koninkrijk dat de aanpassingen om de milieuprestaties van de installatie te verbeteren en om de vereisten van voetnoot 3 na te leven, voornamelijk op grond van economische beperkingen niet zijn uitgevoerd, worden afgewezen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat het Verenigd Koninkrijk zich in casu niet met succes kan beroepen op overwegingen van louter economische aard om de verweten niet-nakoming te betwisten (zie in die zin arresten van 9 december 1997, Commissie/Frankrijk, C‑265/95, EU:C:1997:595, punt 62, en 21 januari 2016, Commissie/Cyprus, C‑515/14, EU:C:2016:30, punt 53).
53
Gelet op een en ander dient te worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door richtlijn 2001/80 niet juist toe te passen op de centrale van Aberthaw, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 4, lid 3, van de richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage VI, deel A, ervan.
Kosten
54
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien de Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van het Verenigd Koninkrijk in de kosten en deze lidstaat met betrekking tot al zijn middelen in het ongelijk is gesteld, dient het Verenigd Koninkrijk te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart:
1)
Door richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties niet juist toe te passen op de elektriciteitscentrale van Aberthaw (Verenigd Koninkrijk), is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 4, lid 3, van die richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage VI, deel A, ervan.
2)
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy